ECLI:NL:RBROT:2026:8915

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/10/663868 / HA ZA 23-706
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens bestuurdersaansprakelijkheid en onrechtmatige daad in zekerheidsrechtgeschil

Eiser vordert schadevergoeding van gedaagde wegens vermeende oplichting en misleiding bij het verstrekken van een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht door de gefailleerde vennootschap GFE. Eiser stelt dat gedaagde persoonlijk aansprakelijk is vanwege wanprestatie en onrechtmatig handelen, waaronder het verstrekken van een vals certificaat en het wegsleusen van gelden.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stellingen. Hoewel gedaagde als enig bestuurder en aandeelhouder controle had over GFE en de Grundschuld heeft gevestigd ten gunste van een Duitse GmbH, is dit op zichzelf niet onrechtmatig. De schriftelijke overeenkomst laat ruimte voor vestiging van de Grundschuld ten gunste van de GmbH.

De rechtbank concludeert dat gedaagde geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt voor de wanprestatie van GFE of voor onrechtmatig handelen. Het ontbreken van inschrijving van eiser in het Grundbuch en het vermeende valse certificaat zijn onvoldoende onderbouwd om aansprakelijkheid vast te stellen. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens gebrek aan bewijs voor persoonlijke aansprakelijkheid van gedaagde.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/663868 / HA ZA 23-706
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend te [land] ,
eiser,
advocaat mr. M.J.A. Gaber te Heerlen,
tegen
[gedaagde],
wonend te [land] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.Z.D. Nasrullah te Den Haag.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 25 maart 2026 (het tweede tussenvonnis) en de daarin genoemde processtukken;
  • de akte naar aanleiding van bewijsopdracht tevens overlegging producties van [eiser] , met producties 16 tot en met 20;
  • het verzoek van [gedaagde] van 17 juni 2026 om uitstel voor het nemen van een antwoordakte en de afwijzing van dit verzoek door de rechtbank van dezelfde dag omdat het te laat en onvoldoende gemotiveerd is ingediend;
  • de beslissing van de rolrechter van 17 juni 2026 dat het recht van [gedaagde] om een antwoordakte te mogen nemen is vervallen, omdat [gedaagde] op de dag bepaald voor antwoordakte, die akte niet heeft genomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De bewijslevering

2.1.
In het tweede tussenvonnis is [eiser] toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat [gedaagde] hem heeft opgelicht en/of misleid, door:
  • welbewust en tegen beter weten in meer zekerheid te beloven dan te geven;
  • de illusie te wekken dat er ten behoeve van [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht is gevestigd, wetende dat niet aan de vereisten voor overdracht van een zekerheidsrecht aan [eiser] is voldaan;
  • willens en wetens een vals en waardeloos certificaat (zie 2.5 van het eerste tussenvonnis) aan [eiser] te verstrekken;
  • het ontbreken van de intentie om de door GFE van [eiser] ontvangen geldlening terug te betalen en in dat verband het welbewust doorsluizen van gelden van GFE naar andere entiteiten.
2.2.
[eiser] heeft van de gelegenheid tot bewijslevering gebruikgemaakt door schriftelijke stukken in het geding te brengen en in zijn akte te verwijzen naar eerder ingediende producties.
[eiser] heeft het bewijs van zijn stellingen niet geleverd. [gedaagde] is niet persoonlijk aansprakelijk voor de schade van [eiser] als zijn vordering op GFE onverhaalbaar is
2.3.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] niet is geslaagd in het door hem te leveren bewijs. Dit betekent dat zijn stelling dat [gedaagde] hem heeft opgelicht en/of misleid en daarmee zijn onrechtmatig handelen niet is komen vast te staan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
2.4.
In de kern komt het betoog van [eiser] erop neer dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van de wanprestatie van GFE en/of persoonlijk een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden door oneigenlijk gebruik van die vennootschap voor zijn malafide constructie, omdat [gedaagde] (i) alleen handelde bij het aangaan van de overeenkomst en dus persoonlijk het ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht heeft beloofd, (ii) de Grundschuld zelf ten behoeve van een Duitse GmbH (Immobilien) waarvan hij enig bestuurder en aandeelhouder is, heeft gevestigd, (iii) willens en wetens een vals en waardeloos certificaat heeft verstrekt aan [eiser] , en (iv) het geleende geld heeft weggesluisd naar zijn Duitse GmbH.
2.5.
Juist is dat [gedaagde] als enig bestuurder en aandeelhouder de volledige controle en zeggenschap had over GFE. Dat de (rechts)handelingen van GFE in dit geschil, te weten het aangaan van de overeenkomst en het ter uitvoering daarvan vestigen van de Grundschuld, feitelijk door of namens [gedaagde] zijn verricht heeft [gedaagde] op zichzelf ook niet betwist, hoewel hij voor uitvoering van de constructie met betrekking tot de Grundschuld verwijst naar ‘trustee’ [persoon A] . Uitgangspunt is dan ook dat de overeenkomst dat GFE aan [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht op het onroerende goed zou verstrekken (zie 2.9 van het tweede tussenvonnis) aan de zijde van GFE door feitelijk handelen van [gedaagde] tot stand is gekomen. Dat geldt op zichzelf ook voor de rechtshandelingen van Immobilien, van welke GmbH [gedaagde] onbetwist als enige vertegenwoordigingsbevoegd was. Dit betekent dat, eveneens onbetwist, aangenomen wordt dat [gedaagde] de Grundschuld ten gunste van de GmbH heeft gevestigd, of heeft laten vestigen. Op zichzelf is dit niet onrechtmatig.
2.6.
Aan de hand van de overeenkomst roept dit de vraag op of [gedaagde] van het vestigen van de Grundschuld ten gunste van de GmbH een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt of dat hij daarmee persoonlijk een onrechtmatige daad heeft begaan. De rechtbank oordeelt van niet. De schriftelijke overeenkomst bepaalt immers dat GFE verplicht is tot “
Vestiging van een als eerste ingeschreven “Grundschuld” (eventueel t.g.v. nieuw op te richten GmbH nader te noemen) op het vastgoed nader te noemen object.” [eiser] wist dus, of had kunnen weten, dat de Grundschuld mogelijk ten gunste van de GmbH zou worden gevestigd. Dit staat weliswaar op gespannen voet met het overeengekomen ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht dat niet met zoveel woorden schriftelijk is vastgelegd, maar dat zekerheidsrecht had [gedaagde] voor GFE in theorie ook op een andere manier kunnen regelen. Op zichzelf brengt de inhoud van de overeenkomst tussen [eiser] en GFE in elk geval niet mee dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het vestigen van de Grundschuld ten gunste van de GmbH, omdat daarmee uitvoering is gegeven aan de schriftelijke overeenkomst.
2.7.
Het komt erop aan dat GFE met het overeengekomen ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht tegenover [eiser] een verdergaande verplichting op zich heeft genomen dan waarin de schriftelijke vastlegging voorziet (zie 2.9 van het tweede tussenvonnis). De vraag is of [gedaagde] van het aangaan van die verdergaande verplichting, die GFE niet is nagekomen, een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor die conclusie bieden de stellingen van [eiser] na bewijslevering onvoldoende steun. [eiser] stelt weliswaar dat [gedaagde] welbewust en tegen beter weten in meer zekerheid heeft beloofd dan heeft gegeven, maar onderbouwt die wetenschap niet met objectieve feiten. Dat [gedaagde] (namens GFE) ook aan andere investeerders een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht heeft beloofd is hiervoor onvoldoende. In theorie is immers niet uitgesloten dat aan meerdere investeerders een eersterangs ongedeeld zekerheidsrecht wordt verstrekt, zo begrijpt de rechtbank ook uit de verklaring van de Duitse advocaat van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling. Dat die andere investeerders hun vorderingen als oninbaar hebben aangemerkt, maakt dat niet anders.
2.8.
Dat [eiser] niet als gerechtigde tot de Grundschuld is ingeschreven in het Grundbuch, is een tekortkoming van GFE in de nakoming van haar (niet schriftelijk vastgelegde) verbintenis tegenover [eiser] om een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht te verstrekken. Dat [gedaagde] wist hoe hij een Grundschuld ten gunste van de GmbH moest vestigen, gegeven dat hij dit heeft gedaan of [persoon A] dat namens hem heeft laten doen, betekent niet zonder meer dat hij deze constructie ook willens en wetens heeft toegepast om [eiser] om de tuin te leiden met betrekking tot het beloofde ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht. Het certificaat biedt ook onvoldoende steun voor die conclusie. [gedaagde] betwist dat het gaat om een vals en waardeloos document dat slechts bedoeld is om [eiser] te misleiden. Hiertoe wijst hij erop dat het certificaat door [persoon A] is opgesteld, ondertekend en verstuurd en dat het dient om [eiser] te informeren over zijn aandeel in de gevestigde Grundschuld, rechten waarvan [eiser] volgens [gedaagde] nog altijd eigenaar is. Als de door [persoon A] opgezette constructie onverhoopt niet effectief heeft geresulteerd in een aandeel van [eiser] in de Grundschuldbrief, dan is dat volgens [gedaagde] aan de onzorgvuldigheid van [persoon A] te wijten en niet aan [gedaagde] . [eiser] is op deze argumenten niet concreet ingegaan, zodat in elk geval niet kan worden aangenomen dat het certificaat door [gedaagde] is verstrekt, ongeacht wat de waarde ervan is. Het handelen van [persoon A] kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aan [gedaagde] worden toegerekend. Daarbij speelt een rol dat [persoon A] volgens [gedaagde] en anders dan waar [eiser] vanuit gaat, niet ‘zijn’ hulppersoon is, maar als trustee optreedt voor de investeerders met een aandeel in de Grundschuld en dat onvoldoende duidelijk is geworden hoe het in zijn werk is gegaan met dit certificaat, waaronder de vraag of [gedaagde] wist dat [persoon A] het certificaat zou maken en afgeven en de vraag of het vals en waardeloos is, zoals [eiser] betoogt. De rol van [persoon A] in dit kader is te veel onderbelicht gebleven om te concluderen dat [gedaagde] op dit punt een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het kan zo zijn dat [eiser] ook niet precies weet hoe dit is gegaan (en daar naar eigen zeggen de dupe van is), maar dat laat onverlet dat het gelet op zijn stellingen op zijn weg had gelegen om dat op te helderen, bijvoorbeeld door [persoon A] als getuige op te roepen. De mogelijkheid op potentieel essentiële informatie is hiermee onbenut gebleven en dat komt voor risico van [eiser] .
2.9.
De stelling dat [gedaagde] geld heeft weggesluisd naar zijn GmbH heeft [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de investeringen zijn overgemaakt naar de derdengeldrekening van [persoon A] en dat vanaf die rekening het vastgoed is aangekocht dat op naam is gesteld van de GmbH. GFE stelt wel een vordering te hebben op de GmbH ter hoogte van de waarde van het vastgoed, welke vordering door de curator van GmbH wordt betwist. In elk geval staat vast dat er wel vastgoed is aangekocht dat op naam staat van de GmbH. De communicatie over de geldstroom had transparanter gekund, maar van wegsluizen van geld naar de GmbH en/of het ontbreken van een intentie bij [gedaagde] om [eiser] zijn lening terug te betalen, is onvoldoende gebleken.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen wegens gebrek aan grondslag
2.10.
De conclusie is dat de stellingen van [eiser] , zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, het oordeel dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de wanprestatie van GFE niet kunnen dragen. Evenmin leidt het samenstel tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door schending van een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm. Dit betekent dat de vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen wegens gebrek aan grondslag. De nevenvorderingen delen het lot van die afwijzing.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
2.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. Die kosten worden op basis van het liquidatietarief dat hoort bij het bedrag van de vordering waartegen verweer is gevoerd, tot op heden begroot op:
  • Griffierecht € 86,00
  • Salaris advocaat € 13.030,50 (3,5 punten
- Nakosten
€ 189,00(plus eventuele verhoging)
Totaal € 13.305,50
2.12.
[eiser] is de gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten verschuldigd als hij niet tijdig betaalt en de proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen die vorderingen met een wettelijke grondslag heeft [eiser] geen verweer gevoerd.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten van [gedaagde] van
€ 13.305,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.4.
verklaart 3.2 en 3.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
3268/2819

Voetnoten

1.Conclusie van antwoord (1), mondelinge behandeling (1), inhoudelijke akte (0,5) en zitting getuigenverhoor (1)