Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de producties 1 tot en met 19 van STC
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de producties 1 tot en met 8 van de Vissersvereniging
- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van STC
- de pleitnota van de Vissersvereniging.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Of nu beoogd was het erfpachtrecht bij de akte 2003 opnieuw te vestigen danwel dit te verlengen, feit is dat het contractuele voorkeursrecht ten behoeve van de Vissersvereniging in de akte 2003 niet is herhaald en dat in die akte niet naar het voorkeursrecht in de akte 1989 is verwezen. Evenmin is bij het opnemen van het voorkeursrecht in de akte 1989 of op andere wijze voorzien in een regeling voor de situatie na het eindigen van de duur van de erfpacht in 2003.
Gelet op de koppeling tussen het erfpachtrecht van 1974 en dit voorkeursrecht kan daarmee worden aangenomen dat de desbetreffende regeling in artikel 6 (zie hiervoor onder 2.5) met de beëindiging van het erfpachtrecht op 31 december 2003 eveneens is geëindigd.
Bij e-mail van 13 januari 2026 heeft zij immers het erfpachtrecht aan de Vissersvereniging aangeboden (en daarbij ook haar vervreemdingsvoornemen kenbaar gemaakt, met verwijzing naar de op Funda genoemde verkoopprijs). Daarmee is sprake van een toereikend te achten schriftelijke kennisgeving aan de Vissersvereniging. Dat STC de aanbiedingsregeling niet naar de (strikte) letter van artikel 6 in Pro de akte 1989 heeft gevolgd, doet daaraan niet af. Nog daargelaten dat die in de akte 1989 opgenomen regeling al was geëindigd, heeft STC de Vissersvereniging immers met het toesturen van de e-mail op 13 januari 2026 in kennis gesteld van het voornemen tot vervreemding van het erfpachtrecht en in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om aan STC kenbaar te maken of zij het voorkeursrecht al dan niet wenste uit te oefenen.
In deze omstandigheden, waarin de Vissersvereniging (te) passief is gebleven en de kans op aankoop in feite zelf door de vingers heeft laten glippen, moet redelijkerwijs worden geconcludeerd dat STC niet langer jegens haar een verplichting had in verband met het voorkeursrecht. Daarmee is het STC vrij komen te staan om het erfpachtrecht te vervreemden aan wie zij wilde.
De stelling van de Vissersvereniging dat het voorkeursrecht nog van kracht is, omdat zij naar de letterlijke tekst van artikel 6 van Pro de akte 1989 binnen de daarin genoemde termijn niet kenbaar heeft gemaakt
af te zienvan de uitoefening van dit recht, volgt de voorzieningenrechter niet. Nog los van de vaststelling dat deze regeling op 31 december 2003 is geëindigd, zou de Vissersvereniging zich daarop in redelijkheid niet kunnen beroepen in de onderhavige situatie. Er is contact geweest tussen partijen over het perceel en STC is in dat contact voldoende concreet geweest over de mogelijkheid van aankoop. De Visservereniging is vervolgens daarmee niet adequaat en te passief omgegaan.