ECLI:NL:RBROT:2026:8941

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/10/720550 / KG ZA 26-517
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 lid 2 RvArt. 7:230a BWArt. 7:228 lid 2 BWArt. 6 EVRMArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir derdenbeslag na belangenafweging in kort geding tussen VV Spijkenisse en cateraar

VV Spijkenisse, een door vrijwilligers gerunde voetbalvereniging, huurde een keukenruimte aan een cateraar die deze exploiteerde van 2018 tot 2024. Na beëindiging van de overeenkomst ontstond een geschil over schadevergoeding, waarop de cateraar conservatoir derdenbeslag liet leggen op de bankrekening van VV Spijkenisse ter zekerheid van een vordering van €44.775,-.

De kantonrechter oordeelde eerder dat de overeenkomst een huurovereenkomst betrof en dat VV Spijkenisse deze rechtsgeldig had opgezegd, waarbij de schadevorderingen van de cateraar werden afgewezen. De cateraar ging in hoger beroep, dat nog loopt. VV Spijkenisse vorderde in kort geding opheffing of vermindering van het beslag wegens liquiditeitsproblemen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het beslag niet onnodig was gelegd, maar dat de belangenafweging rechtvaardigt het beslag te verminderen tot het begrote bedrag van €44.775,-. De financiële situatie van VV Spijkenisse is penibel, en het beslag raakt een bedrag dat hoger is dan de begrote vordering. De overige vorderingen van VV Spijkenisse werden afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het conservatoir derdenbeslag wordt verminderd tot €44.775,- en het meerdere wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720550 / KG ZA 26-517
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
VOETBALVERENIGING “SPIJKENISSE”,
te Spijkenisse,
eiseres,
hierna te noemen: VV Spijkenisse,
advocaten: mrs. S.A.A. van der Reep en A.A.L. Oving,
tegen
[gedaagde],
tevens h.o.d.n.
[handelsnaam],
te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mrs. A.C.L. Beneder en J.C. Kooren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2026
- de producties 1 tot en met 17 van VV Spijkenisse
- de producties 1 tot en met 12 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
VV Spijkenisse huurt en exploiteert een sportclub met bijbehorende velden aan [adres] in Spijkenisse. VV Spijkenisse draait volledig op vrijwilligers.
2.2.
De eenmanszaak van [gedaagde] is gestart op [datum] . Zij verricht (o.a.) cateringdiensten.
2.3.
Partijen hebben in 2018 een mondelinge overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] in de periode van 2018 tot en met 2024 de keuken met uitgifteloket in de kantine van VV Spijkenisse op bepaalde zaterdagen, gedurende het wedstrijdseizoen, tegen betaling van een vergoeding gebruikte voor het bereiden en verkopen van etenswaren (de overeenkomst). In september 2024 heeft VV Spijkenisse aan [gedaagde] aangegeven dat zij om financiële redenen de keuken zelf of anders wilde gaan exploiteren. [gedaagde] heeft per 1 januari 2025 haar eigendommen uit de keuken van de kantine verwijderd. Daarmee is de overeenkomst tussen partijen feitelijk geëindigd.
2.4.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat VV Spijkenisse aansprakelijk is voor de door haar beweerdelijk geleden schade als gevolg van de beëindiging van de overeenkomst. In dat kader is zij (een) gerechtelijke procedure(s) gestart.
2.5.
Tot zekerheid van verhaal van de gestelde schadevordering heeft [gedaagde] , na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op 8 januari 2025 ten laste van VV Spijkenisse conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekening van VV Spijkenisse bij de Coöperatieve Rabobank U.A. te Utrecht. De vordering waarvoor het verlof is verleend is begroot op een bedrag van € 44.775,-, met inbegrip van rente en kosten. Het beslag heeft doel getroffen tot een bedrag van € 66.442,- (het volledige saldo dat ten tijde van de beslaglegging op de rekening van VV Spijkenisse stond) en rust nog steeds.
2.6.
Als vervolg op het beslag heeft [gedaagde] op 28 januari 2025 tegen VV Spijkenisse een bodemprocedure aanhangig gemaakt. Die procedure heeft geleid tot een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 18 juli 2025 van de kantonrechter van deze rechtbank. Daarin is overwogen en beslist dat de overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd van overige bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en dat VV Spijkenisse die overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd op grond van artikel 7:228 lid 2 BW Pro. De in acht genomen opzegtermijn van drie maanden achtte de kantonrechter redelijk. De vorderingen van [gedaagde] , waaronder een schadevergoedingsvordering, zijn integraal afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.7.
[gedaagde] heeft op 6 augustus 2025 tegen het vonnis van 18 juli 2025 hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep stelt zij zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat 1) de keuken/de kantine van VV Spijkenisse niet voor het publiek toegankelijk is en 2) zij geen aanspraak heeft op schadevergoeding. [gedaagde] heeft daartoe (na verleend en gezuiverd verstek) op 11 november 2025 een memorie van grieven tevens akte wijziging van haar schadevordering op VV Spijkenisse ingediend. Ingevolge het arrest van 9 december 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast die op 3 maart 2026 heeft plaatsgevonden. VV Spijkenisse heeft op 21 april 2026 een memorie van antwoord genomen. De zaak staat voor pleidooi op 14 oktober 2026.
2.8.
VV Spijkenisse heeft ter overbrugging van de door haar gestelde liquiditeitskrapte die volgens haar is ontstaan als gevolg van het beslag, op 10 april 2025 een leningsovereenkomst gesloten met LF Management B.V., een vennootschap van [naam bestuurslid] , een bestuurslid van VV Spijkenisse. Het is een lening van € 50.000,-. De lening is sinds 10 april 2026 opeisbaar. Sinds 11 april 2026 verkeert VV Spijkenisse in verzuim met de betaling van de over de lening verschuldigde contractuele rente van 1% per maand. Hierdoor is VV Spijkenisse een contractuele boete van 0.01% van het geleende bedrag per dag verschuldigd geraakt. Het geleende bedrag is nagenoeg opgesoupeerd. De lening is nog niet opgeëist, maar [naam bestuurslid] is voornemens dat binnenkort om hem moverende redenen wel te doen.
2.9.
Volgens [gedaagde] bedraagt de vordering die zij op VV Spijkenisse stelt te hebben thans ruim € 100.000,-.

3.Het geschil

3.1.
VV Spijkenisse vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het beslag binnen 48 uur na het in deze procedure te wijzen vonnis, althans binnen een termijn die UEA in goede justitie redelijk acht, op te heffen, althans te verminderen tot een bedrag dat UEA in goede justitie redelijk acht;
[gedaagde] te gebieden tot volledige medewerking aan opheffing dan wel de gedeeltelijke opheffing van het beslag, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-, althans een bedrag dat UEA in goede justitie redelijk acht;
voor het geval [gedaagde] ondanks de dwangsom weigert haar medewerking te verlenen: VV Spijkenisse toestemming te verlenen om zonder tussenkomst van [gedaagde] een deurwaarder te instrueren het beslag op te heffen dan wel gedeeltelijk op te heffen;
[gedaagde] te verbieden om opnieuw uit hoofde van de door haar gepretendeerde vordering die onderwerp is van het hoger beroep tegen het vonnis van 18 juli 2025 een conservatoir beslag te leggen, inclusief doch niet beperkt tot een beslag op de bankrekening van VV Spijkenisse bij Coöperatieve Rabobank U.A.;
[gedaagde] te veroordelen in de (na)kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis onder bepaling dat in het geval voldoening van deze (na)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt, deze zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van VV Spijkenisse. [gedaagde] vordert om VV Spijkenisse te veroordelen in de reële proceskosten, waaronder de advocaatkosten van € 24.732,68 (inclusief BTW).

4.De beoordeling

4.1.
Opheffing van een beslag kan onder meer, maar niet uitsluitend, plaatsvinden als een van de in artikel 705 lid 2 Rv Pro genoemde gronden aanwezig is en een belangenafweging niet tot een ander oordeel leidt, en op grond van een zelfstandige belangenafweging.
4.2.
VV Spijkenisse heeft haar opheffingsvordering gegrond op de afzonderlijke, maar in haar visie ook in onderlinge samenhang te beoordelen, stellingen dat 1) het beslag onnodig is gelegd, 2) het beslag VV Spijkenisse onevenredig treft en 3) de vordering van [gedaagde] tot zekerheid waarvan zij het beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk is. Dit alles heeft [gedaagde] gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.2.1.
Het argument dat het beslag onnodig is gelegd volgt de voorzieningenrechter niet. De inkomsten die VV Spijkenisse stelt te krijgen (uit de mogelijke transfer van [persoon A] en, naar de voorzieningenrechter begrijpt, de al gerealiseerde transfer van [persoon B] ) en die op langere termijn voldoende verhaal zouden bieden, zien op mogelijk plaats te vinden toekomstige gebeurtenissen die weinig concreet zijn gemaakt. Het overleggen van o.a. productie 10 bij dagvaarding is daartoe, in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde] op dit punt, te weinig. Sprake is dan van een onzekere toekomstverwachting die aan [gedaagde] op dit moment geen afdoende zekerheid biedt. Ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van aan [gedaagde] gegeven voldoende zekerheid. Hoewel aannemelijk is dat VV Spijkenisse eind juli/begin augustus van ieder jaar de contributiefacturen voor het nieuwe seizoen zal uitdoen en daaruit inkomsten van ongeveer € 200.000,- genereert (waarmee zij het kennelijk kan uitzingen tot april het jaar daarop) en ook sponsorgelden ontvangt, is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat zij die inkomsten redelijkerwijs zal kunnen reserveren/aanwenden ten behoeve van de voldoening van de gestelde vordering van [gedaagde] . Immers, VV Spijkenisse heeft ook haar lopende verplichtingen (zoals o.a. de huur van het clubhuis en de voetbalvelden, de verplichtingen jegens leveranciers en de KNVB en de betaling van coaches en semiprofessionals) waaraan zij moet voldoen om de door vrijwilligers gerunde voetbalvereniging te kunnen blijven exploiteren en (verdere) financiële problemen af te wenden. De link die [gedaagde] in dat verband legt met een reëel bestaande vrees voor verduistering is misplaatst en op het punt van de beoogde verbouwing van het clubhuis – eigendom van de gemeente en niet van VV Spijkenisse – bovendien onvoldoende gemotiveerd.
4.2.2.
Als zelfstandige grond voor opheffing is de gestelde onevenredigheid van het beslag niet geschikt. Anders zou miskend worden dat, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, een conservatoir beslag er naar zijn aard toe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken. Anders gezegd: als er een beweerdelijke vordering is, mag je daarvoor nu eenmaal beslag leggen, met de mogelijkheid van latere correctie via schadeverhaal bij afwijzing van de vordering en niet nu al via de zelfstandige weg van de onevenredigheid. Er bestaat wel ruimte om de gestelde onevenredigheid te betrekken in de belangenafweging die hierna in 4.3 volgt.
4.2.3.
Voor de beoordeling van de (on)deugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] tot zekerheid waarvan zij het conservatoir beslag heeft gelegd en waarvan VV Spijkenisse nu opheffing vraagt, is van belang dat de uitspraak van de bodemrechter over de beslagvordering (in eerste aanleg: afwijzing, in hoger beroep: nog ongewis) nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. Dan is de afstemmingsregel niet van toepassing (ECLI:NL:HR:2020:599). Het prognoseverbod geldt wel. Dit verbod houdt in dat de voorzieningenrechter de kans van slagen van het ingestelde hoger beroep niet bij haar oordeel betrekt en ook niet de verhoging van de vordering waarvan [gedaagde] wil uitgaan. Dit leidt ertoe dat, gelet op deze processuele beperkingen en het partijdebat, waarin overwegend teruggegrepen wordt op de (on)juistheid van het vonnis van 18 juli 2025 en de mogelijke en dus nog onzekere uitkomst van het hoger beroep, op dit moment niet kan worden vooruitgelopen op het antwoord op de vraag of de beslagvordering summierlijk ondeugdelijk is.
4.3.
De voorzieningenrechter komt dan toe aan een afweging van de belangen tussen partijen:
  • zoals hiervoor al is opgemerkt heeft [gedaagde] het recht om zekerheid te zoeken voor haar – vooralsnog niet vaststaande – vordering door het beslag te leggen. Daarbij verdient opmerking dat op [gedaagde] de plicht rust tot schadebeperking. Niet inzichtelijk gemaakt is in hoeverre [gedaagde] aan die verplichting heeft voldaan door te trachten op andere manieren inkomsten te genereren, en, in dat licht, of niet sprake is van een, inmiddels, enigszins opgeklopte vordering.
  • daartegenover staat dat aannemelijk is dat VV Spijkenisse als een voetbalclub die gerund wordt door vrijwilligers niet aan vermogensvorming doet en geld heeft moeten lenen om financieel staande te blijven. Hoewel mager onderbouwd is wel gebleken dat de financiële situatie van VV Spijkenisse op dit moment penibel is: het vet op de botten van de vereniging wordt, ook gelet op het tijdverloop, steeds minder, terwijl zij wel drukkende doorlopende lasten heeft. In die situatie past het VV Spijkenisse niet om nu alternatieve financieringen aan te gaan of zekerheden te zoeken zoals geopperd door [gedaagde] in haar pleitnotitie onder randnummers 36-38. Indien en voor zover het op grond van objectief verstrekte informatie al mogelijk zou blijken dat aan VV Spijkenisse aanvullende alternatieve zekerheid wordt verstrekt, laat dit onverlet dat dergelijke zekerheden in het algemeen gepaard gaan met hoge (rente-)lasten. Op dit moment hiervoor kiezen lijkt daarom niet in het belang van VV Spijkenisse. Ten aanzien van de door [gedaagde] voorgestelde optie 1 merkt de voorzieningenrechter nog specifiek op dat de keuze om nadere clementie te verlenen bij [naam bestuurslid] ligt en niet bij [gedaagde] , waarbij het nog maar de vraag is in hoeverre VV Spijkenisse hierdoor zou worden geholpen gelet op de dan doorlopende (boete-) rentelast verbonden aan de lening. Andere opties die [gedaagde] noemt – crowdfunding, obligatieleningen onder de leden – zijn (ook) afhankelijk van de bereidheid van anderen.
Deze omstandigheden geven aanleiding om niet tot de onder 1 (primair) gevorderde volledige opheffing van het beslag over te gaan, maar de (subsidiair) gevorderde verlaging van het beslag te honoreren. Omdat het beslag doel heeft getroffen voor een hoger bedrag dan de begrote beslagvordering, ligt het, anders dan [gedaagde] meent, voor de hand dat het door het beslag geraakte bedrag wordt verlaagd tot de begrote vordering van € 44.775,-, inclusief rente en kosten. De voorzieningenrechter heft het beslag voor het meerdere op. Daarmee komt ten behoeve van VV Spijkenisse een bedrag van € 21.667,- (mogelijk verminderd met een bedrag dat de bank heeft ingehouden als kosten van het beslag) vrij. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt zo evenredig recht gedaan aan de belangen van beide partijen in de situatie zoals die nu voorligt.
4.4.
In het licht van de beslissing op vordering 1 heeft VV Spijkenisse bij het gevorderde onder 2 en 3 geen belang. Deze vorderingen worden afgewezen.
4.5.
Een beslagverbod beperkt het door artikel 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. In beginsel is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar als misbruik van beslagrecht dreigt. VV Spijkenisse heeft echter onvoldoende onderbouwd dat daarvan sprake is. Het gevorderde beslagverbod (4) is daarom evenmin toewijsbaar.
4.6.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.7.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat, in het geval dat VV Spijkenisse in de kosten van dit kort geding was veroordeeld, de door [gedaagde] gevorderde werkelijke proceskostenveroordeling niet was toegewezen. Een vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, bij het aannemen waarvan terughoudendheid past. Niet aannemelijk is geworden dat VV Spijkenisse misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. In elk geval is daarvan geen sprake omdat VV Spijkenisse artikel 21 Rv Pro zou hebben geschonden, zoals [gedaagde] stelt. Voor die conclusie is voldoende dat niet overtuigend is gebleken dat aan de zijde van VV Spijkenisse sprake is van een bewuste leugen die uitgebannen moet worden. Uit het hiervoor overwogene blijkt voorts dat VV Spijkenisse ook niet een bij voorbaat kansloze vordering heeft ingesteld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
heft het op 8 januari 2025 door [gedaagde] ten laste van VV Spijkenisse gelegde conservatoir derdenbeslag op voor zover de waarde van de daardoor getroffen gelden die zich onder de Coöperatieve Rabobank U.A. bevinden meer bedraagt dan € 44.775,-,
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
1734/2009