ECLI:NL:RBROT:2026:8949

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/2813
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 2.4 Regeling dierlijke productenArt. 4 lid 2 Verordening (EG) 852/2004Bijlage II hoofdstuk IX punt 3 Verordening (EG) 852/2004Bijlage III hoofdstuk IV sectie I punten 7 en 10 Verordening (EG) 853/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boetes voor fecale bezoedeling van vlees na uitslachtfase bevestigd

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen drie bestuurlijke boetes van elk €5.000,- opgelegd door verweerder wegens overtreding van hygiënevoorschriften in het kader van de Wet dieren. De boetes zijn gebaseerd op het aantreffen van fecale bezoedeling op kalfsvlees dat reeds was gestempeld en goedgekeurd voor menselijke consumptie, dus na de uitslachtfase.

Eiseres voerde aan dat de boetes onterecht waren opgelegd op grond van het algemene voorschrift uit Verordening (EG) 852/2004, terwijl volgens haar de specifieke voorschriften uit Verordening (EG) 853/2004 van toepassing zouden zijn, omdat de bezoedeling in de uitslachtfase zou zijn ontstaan. De rechtbank oordeelde echter dat de constatering van de bezoedeling plaatsvond na de uitslachtfase, waardoor het algemene voorschrift terecht werd toegepast. Ook het feit dat eiseres na het stempelen eigen controles uitvoert, leidt niet tot het vervallen van de overtreding of tot matiging van de boete.

Verder heeft verweerder de boetes verhoogd op grond van de recidiveregeling, omdat eiseres binnen vijf jaar eerder een boete had gekregen voor eenzelfde overtreding. Eiseres stelde dat de recidiveverhoging onredelijk was vanwege verschillen in de aard van de overtredingen, maar de rechtbank verwierp dit verweer en bevestigde de verhoging.

De rechtbank concludeerde dat de boetes rechtmatig en evenredig zijn opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de opgelegde bestuurlijke boetes van €5.000,- per overtreding inclusief recidiveverhoging en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2813

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over drie bestuurlijke boetes van elk € 5.000,- die verweerder in het kader van de Wet dieren aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres is het niet eens met deze boetes. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boetes.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder voor de overtredingen terecht aan eiseres een bestuurlijke boete heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met de besluiten van 25 oktober 2024 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiseres boetes opgelegd van elk € 5.000,-, omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.
2.1.
Met het besluit van 28 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en
[naam] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Beoordeling door de rechtbank
Boetezaak [boetezaaknummer 2] (regulier toezicht)
3. In het rapport van bevindingen van 2 september 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA [functionarisnummer 1] gerapporteerd dat hij/zij zich met een collega [functionarisnummer 2] naar aanleiding van een regulier toezicht op 13 augustus 2024, omstreeks 13.35 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
“Ik bevond mij op de expeditie-afdeling voor een temperatuurscontrole van een verlading. Op dit punt zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring afgelopen. Het bedrijf heeft een CCP: CCP01 beheersing zichtbare bezoedeling op karkassen. De norm is dat er geen zichtbare bezoedeling op de karkassen aanwezig mag zijn voordat deze de snelkoeltunnel ingaan.
Ik controleerde de temperatuur van het kalfsvleesdeel voor verlading. Ik zag op dit vleesdeel
een oppervlakte van ongeveer 4 bij 7 centimeter wat zichtbaar bezoedeld was met meer dan
10 gele, vezelige structuren van enkele millimeters tot een centimeter groot. Gelet op de gele kleur en vezelige structuur herkende ik de bezoedeling als zijnde fecale bezoedeling. In
bijlage 1 is op foto 1 de bezoedeling zichtbaar. Het stuk kalfsvlees was goedgekeurd voor
menselijke consumptie, te zien aan het EG 49 op het etiket wat aan het stuk vlees hing (foto
2).
Nadat ik de bezoedeling had geconstateerd, heb ik de foto’s genomen en het bedrijf
ingelicht, waarop een medewerker van het bedrijf het stuk kalfsvlees heeft opgeknapt en de
bezoedeling heeft weggesneden.”
Boetezaak [boetezaaknummer 3] (herinspectie)
3.1.
In het rapport van bevindingen van 10 september 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA [functionarisnummer 1] gerapporteerd dat hij/zij zich met een collega [functionarisnummer 3] op
15 augustus 2024, omstreeks 12.15 uur in het kader van een herinspectie naar aanleiding van een eerder door de NVWA genomen maatregel met nummer 187636/160459 bevond op het slachthuis van eiseres. In het rapport is het volgende beschreven:
“Ik bevond mij voor een herinspectie op de expeditie-afdeling. De herinspectie was
onaangekondigd gepland, vanwege een tekortkoming die twee dagen geleden was
geconstateerd. Bij de herinspectie werden de 10 nekken met bot die op dat moment
aanwezig waren op de expeditie, dezelfde delen vlees waarop twee dagen geleden de
bezoedeling werd geconstateerd, geïnspecteerd. Daar trof ik op 6 van de 10 kalfsvleesdelen
wederom bezoedeling aan. Ik zag op deze vleesdelen enkele tot meer dan 10 gele, vezelige
structuren, van enkele millimeters tot een centimeter groot. Gelet op de gele kleur en
vezelige structuur herkende ik de bezoedeling als zijnde fecale bezoedeling. Van vier stukken vlees met bezoedeling is beeldmateriaal verzameld, welke te zien is in bijlage 1 op de foto’s 1 en 3 tot en met 5. De stukken vlees waren goedgekeurd voor menselijke consumptie, te zien aan het EG 49 op het etiket wat aan elk stuk vlees hing. In bijlage 1 op foto 2 is het kaartje te zien dat aan het stuk vlees op foto 2 in bijlage 1 gehecht was.
Nadat ik de bezoedeling had geconstateerd, heb ik de foto’s genomen en het bedrijf
ingelicht, waarop diverse medewerkers van het bedrijf de stukken kalfsvlees hebben
opgeknapt en de bezoedeling hebben weggesneden.”
Boetezaak [boetezaaknummer 4] (regulier toezicht)
3.2.
In het rapport van bevindingen van 10 september 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een regulier toezicht op
5 september 2024, omstreeks 7.00 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
“Op donderdag 5 september bevond ik mij in koelcel 47 en 47A voor mijn standaard controleronde. Hier hing het vol met afgestempelde en daarmee voor humane consumptie geschikt verklaarde kalverkarkassen van de vorige slachtdag, klaar om verder te worden verwerkt. Hier zag ik meerdere afgestempelde karkassen die in meer of mindere mate bezoedeld waren met een donkerbruinkleurige substantie (zie foto’s 1 t/m 18) die door de zichtbare druppelvorming, vloeibaar op de karkassen is gevallen. Naar mijn oordeel als toezichthouder een mengsel van water, roest en/of baansmeer. Hierdoor is het vlees verontreinigd en daardoor niet meer geschikt voor humane consumptie. Na tellen bleek het
om een 24-tal verontreinigde karkassen te gaan.
Na de constatering zijn alle vervuilde karkassen gemarkeerd met geel/ zwarte linten en hierna uitvoerig opgeknapt en na controle vrijgegeven.”
Alle boetezaken
4. Op basis van de hiervoor genoemde rapporten van bevindingen heeft verweerder met de primaire besluiten aan eiseres een boete opgelegd van elk € 5.000,- voor het volgende feit: levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening (EG) 852/2004. In de drie boetezaken is het boetebedrag voor het beboetbare feit op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verhoogd, omdat eiseres eerder op 16 december 2022 (boetezaaknummer [boetezaaknummer 1]) is beboet voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen zijn sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I, van bijlage III van Verordening (EG) 853/2004 aan de boete ten grondslag had moeten leggen, omdat die punten specifiek zien op bezoedelingen die in de uitslachtfase zijn ontstaan en verweerder er van uitgaat dat de bezoedelingen in de uitslachtfase, dus voor het stempelen, moeten hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft de boete daarom niet op punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 mogen baseren. Uit artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) 852/2004 volgt dat de punten 7 en 10 specifieke voorschriften zijn, een lex specialis, ten opzichte van de algemene bepaling van punt 3. Die specifieke voorschriften gaan voor op de algemene bepaling. Wanneer verweerder in plaats van de lex specialis uit Verordening (EG) 853/2004 het algemene verwijt uit Verordening (EG) 852/2004 tegenwerpt, wordt eiseres in haar verweren beperkt omdat verweerder er wel van uitgaat dat de bezoedeling tijdens het uitslachten is ontstaan, maar dat niet aan eiseres verwijt.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening (EG) 853/2004 schrijven voor dat verontreiniging van het vlees moet worden voorkomen en onmiddellijk moet worden verwijderd. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meermaals heeft geoordeeld, onder meer in de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1029), zien deze voorschriften in de punten 7 en 10 op de uitslachtfase en moet vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan deze voorschriften zijn voldaan. In de drie boetezaken is de bezoedeling van het vlees geconstateerd op de expeditieafdeling op het punt waar alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de postmortemkeuring zijn afgelopen (boetezaken [boetezaaknummer 2] en [boetezaaknummer 3]) dan wel in de koelcel waar reeds gestempelde, voor humane consumptie geschikt verklaarde kalverkassen hingen (boetezaak [boetezaaknummer 4]). Dit is na de uitslachtfase. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder in dit geval de punten 7 en 10 aan de overtredingen ten grondslag had moeten leggen. Eiseres heeft gesteld dat verweerder ervan uitgaat dat de fecale bezoedeling in de uitslachtfase is ontstaan, maar ook al zou dit het uitgangspunt zijn, dan maakt dat nog niet dat verweerder de punten 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag moet leggen. De constatering is immers in een verder stadium dan de uitslachtfase gedaan. Bovendien zijn er situaties denkbaar waarin een fecale bezoedeling pas na de uitslachtfase op vlees terecht komt of zichtbaar wordt. Anders dan de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening (EG) 853/2004, ziet punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 op alle stadia van de productie, verwerking en distributie en dus ook in de koelcel van eiseres nadat het vlees voor menselijke consumptie is goedgekeurd. Verweerder heeft dan ook terecht punt 3 aan de overtreding ten grondslag gelegd. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiseres hierdoor in haar verweren is beperkt.
5.2.
Overigens volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 (waaronder punt 3 in hoofdstuk IX) en de specifieke voorschriften van Verordening (EG) 853/2004 (waaronder de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I, van bijlage III) elkaar niet uitsluiten en naast elkaar kunnen bestaan. Dat neemt niet weg dat verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, wel een keuze maakt in het voorschrift dat bij een bezoedeling ten laste wordt gelegd. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat de punten 7 en 10 ten laste wordt gelegd als een bezoedeling wordt aangetroffen in de uitslachtfase of kort na de stempelaar, en daarbuiten punt 3. Of dit uitgangspunt in een specifieke zaak wordt gevolgd is afhankelijk van de inrichting van het slachthuis en de feiten en omstandigheden in dat geval. De rechtbank vindt deze werkwijze navolgbaar.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aan punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 voldoet, omdat zij protocollen heeft die waarborgen bieden ter bescherming van levensmiddelen. Een van die waarborgen is dat er na het stempelen eigen controles door eiseres plaatsvinden, maar voordat eiseres die controles kon uitvoeren, is het boeterapport geschreven, aldus eiseres.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 schrijft voor dat levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging, waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijs niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd. De bezoedelingen zijn aangetroffen op de expeditieafdeling op het punt waar alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de postmortemkeuring zijn afgelopen dan wel in de koelcel waar reeds afgestempelde, voor humane consumptie geschikt verklaarde kalverkassen hingen, zodat sprake is van overtreding van punt 3. Het feit dat er in het bedrijf van eiseres na het stempelen eigen controles door eiseres plaatsvinden, maakt niet dat er geen sprake was van een overtreding of dat er om die reden aanleiding zou bestaan om tot matiging van de boete over te gaan.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres in de drie boetezaken het voorschrift in punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 heeft overtreden. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen.
8. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat het bedrag voor het beboetbare feit ten onrechte wegens recidive is verhoogd. Het besluit van 16 december 2022 dat aan de verhoging ten grondslag is gelegd, heeft weliswaar betrekking op dezelfde norm (punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004), maar deze norm is te ruim om als grondslag voor verhoging te kunnen dienen. De feiten zijn niet vergelijkbaar. In het besluit van 16 december 2022 gaat het om een lekkage van het dak, terwijl het in deze zaak gaat om bezoedeling tijdens het slachtproces, aldus eiser.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor onder 7. is overwogen heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de overtredingen heeft begaan, zodat verweerder bevoegd was om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtredingen vastgesteld op
€ 2.500,-. Uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat het boetebedrag wordt verhoogd met het bedrag van een eerder aan de overtreder opgelegd boete als er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden en die boete was opgelegd voor eenzelfde overtreding. In de Nota van Toelichting bij het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is benoemd dat dit voorschrift is beperkt tot gevallen waarin hetzelfde voorschrift opnieuw wordt overtreden. Eiseres is bij besluit van 16 december 2022 een boete opgelegd van € 2.500,- voor overtreding van artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening (EG) 852/2004. Hoewel het overtreden voorschrift een zeer ruime norm betreft en denkbaar is dat boeteverhoging vanwege recidive bij een dergelijk ruime norm niet in alle gevallen redelijk is te achten, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er reden is voor matiging. Eiseres heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de eerder opgelegde boete en heeft haar stelling dat sprake was van een eenmalig incident vanwege een hoosbui niet onderbouwd. De eerdere boete was opgelegd voor overtreding van hetzelfde voorschrift als de onderhavige boete. In beide gevallen was sprake van een situatie waarin eiseres levensmiddelen niet heeft beschermd tegen verontreiniging. Dat de oorzaak of het soort verontreiniging verschilt, is op zichzelf geen reden om de recidivebepaling niet toe te passen. Hetzelfde voorschrift is overtreden en het is de bedoeling van de wetgever geweest dat in dat geval de boete wordt verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de boetes moet worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boetes van € 5.000,- evenredig.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening (EG) nr. 852/2004 van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne
Artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) 852/2004: Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, als
mede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, Inleiding van Verordening (EG) 852/2004: De hoofdstukken V, V bis, VI, VII, VIII, IX, X, XI, XI bis en XII zijn van toepassing op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen.
Bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3 van Verordening (EG) 852/2004: In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Verordening (EG) nr. 853/2004 van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong
Artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) 853/2004: In deze verordening worden voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven specifieke hygiënevoorschriften op het gebied van levens middelen van dierlijke oorsprong vastgesteld. Deze voorschriften zijn een aanvulling op Verordening (EG) nr. 852/2004. Zij hebben betrekking op onverwerkte en verwerkte producten van dierlijke oorsprong.
Bijlage II, Sectie I, Hoofdstuk IV, punt 7 van Verordening (EG) 853/2004: Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. […].
Bijlage II, Sectie I, Hoofdstuk IV, punt 10 van Verordening (EG) 853/2004: Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.