Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:
Samenvatting
Procesverloop
[naam] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
15 augustus 2024, omstreeks 12.15 uur in het kader van een herinspectie naar aanleiding van een eerder door de NVWA genomen maatregel met nummer 187636/160459 bevond op het slachthuis van eiseres. In het rapport is het volgende beschreven:
5 september 2024, omstreeks 7.00 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
€ 2.500,-. Uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat het boetebedrag wordt verhoogd met het bedrag van een eerder aan de overtreder opgelegd boete als er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden en die boete was opgelegd voor eenzelfde overtreding. In de Nota van Toelichting bij het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is benoemd dat dit voorschrift is beperkt tot gevallen waarin hetzelfde voorschrift opnieuw wordt overtreden. Eiseres is bij besluit van 16 december 2022 een boete opgelegd van € 2.500,- voor overtreding van artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening (EG) 852/2004. Hoewel het overtreden voorschrift een zeer ruime norm betreft en denkbaar is dat boeteverhoging vanwege recidive bij een dergelijk ruime norm niet in alle gevallen redelijk is te achten, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er reden is voor matiging. Eiseres heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de eerder opgelegde boete en heeft haar stelling dat sprake was van een eenmalig incident vanwege een hoosbui niet onderbouwd. De eerdere boete was opgelegd voor overtreding van hetzelfde voorschrift als de onderhavige boete. In beide gevallen was sprake van een situatie waarin eiseres levensmiddelen niet heeft beschermd tegen verontreiniging. Dat de oorzaak of het soort verontreiniging verschilt, is op zichzelf geen reden om de recidivebepaling niet toe te passen. Hetzelfde voorschrift is overtreden en het is de bedoeling van de wetgever geweest dat in dat geval de boete wordt verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de boetes moet worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boetes van € 5.000,- evenredig.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.