ECLI:NL:RBROT:2026:8954

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/2975
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 4.8 Regeling houders van dierenArt. 3 Verordening (EG) 1/2005Art. 6 Verordening (EG) 1/2005Art. 5:41 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd voor vervoer van varken met ernstige open wond niet geschikt voor transport

Eiseres heeft een boete opgelegd gekregen omdat zij een varken heeft vervoerd dat niet geschikt was voor transport vanwege een ernstige open navelbreuk. De NVWA constateerde tijdens een inspectie dat het dier een chronische, bloedende wond had die al voor het laden aanwezig was. Het vervoersdocument en het erkenningsnummer wezen erop dat eiseres als vervoerder fungeerde.

Eiseres betwistte haar rol als vervoerder en stelde dat de chauffeur niet in haar opdracht handelde. De rechtbank oordeelde echter dat het aannemelijk is dat eiseres verantwoordelijk was, mede omdat de chauffeur in haar dienst was en het vervoersdocument haar erkende vervoersvergunningsnummer vermeldde.

De rechtbank stelde vast dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij alles redelijkerwijs mogelijke had gedaan om de overtreding te voorkomen. De boete werd daarom gehandhaafd. Ook werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de boete voor het vervoeren van een ongeschikt varken wordt ongegrond verklaard en de boete van €1.500,- wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2975

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder

(gemachtigde: [naam 1] ).

Procesverloop

1. Met het besluit van 22 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.500,- omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.
1.1.
Met het besluit van 11 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. In het rapport van bevindingen van 17 juli 2024 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een regulier toezicht op 20 juni 2024, omstreeks 10:35 uur bevond op het slachthuis van [bedrijf 1] in [locatie 1] . In dat rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn inspectie bij [bedrijf 1] . bevond ik mij op [locatie 2] , ik was hier belast met de antemortemkeuring (levende keuring) van de aangeleverde varkens. Ik bekeek de varkens tijdens het lossen van eigenaar [bedrijf 2] die werden aangevoerd door een chauffeur van [eiseres] (zie bijlage vervoersdocument).
Er werden 9 varkens met allen een navelbreuk aangevoerd die tezamen in één compartiment van de vrachtwagen werden vervoerd.
Ik zag dat, tijdens het lossen van de door hem meegebrachte varkens van dat betreffende compartiment, er een varken tussen liep dat een navelbreuk had en dat tevens acuut bloedverlies had.
Als gevolg van het acuut bloedverlies werd dit varken door de stalmedewerkers van [bedrijf 3] apart afgezonderd in een nabijgelegen hokje in de stal.
Toen alle varkens van deze vrachtwagen gelost waren, ging ik het dier nader bekijken. Ik zag toen duidelijk dat dit varken een navelbreuk had met onderaan een ernstige open wond en dat het acuut bloedverlies kwam vanuit deze open wond.
Ik las het slachtbliknummer van dit dier af, hierop stond op de ene zijde het diernummer vermeldt: [diernummer] en op de andere zijde het UBN nummer: [UBN nummer] (zie foto 5 en 6).
Ik zei tegen de bedrijfsmedewerkers dat ik van dit varken een AM (antemortem) categorie 3 maak, wat inhoudt dat dit dier op het einde van de dag onder speciale aanvullende voorwaarden door het bedrijf geslacht mag worden, omdat het anders risico geeft op bezoedeling van de slachtlijn. Het bedrijf besloot dit echter niet te doen maar in plaats daarvan het dier meteen ter destructie af te voeren. Het dier werd ter plaatse elektrisch verdoofd, opgetakeld en verbloed.
Ik bekeek daarna het gedode en hangende dier nogmaals en zag dat dit dier een navelbreuk had waarbij zich aan de onderkant van deze breuk een ernstige open wond bevond die acuut bloedde. Ik zag dat de wond een diameter had van ongeveer 15 cm, waarbij aan de buitenzijde vers bloed zichtbaar was en binnenin een krater van necrotisch weefsel zichtbaar was van ongeveer 15 cm in diameter (zie foto 1 t/m 4). De grootte van deze wonde alsmede de locatie (vlakbij de ingewanden van de buik) maken dat dit als een ernstige open wond beschouwd wordt.
Necrotisch weefsel is afgestorven zwartgrijs weefsel dat enkele dagen na het ontstaan van de wond zichtbaar wordt. Volgens het vervoersdocument (zie bijlage vervoersdocument), is het varken op 20 juni 2024 omstreeks 5:45 uur geladen bij het veehouderijbedrijf. Aangezien mijn controle op dezelfde dag omstreeks 10:35 uur plaatsvond, maak ik hieruit op dat de ernstige open wond voor aanvang van het opladen bij het veehouderijbedrijf aanwezig was. Ik zag dat de wond niet afgesloten was door huid (epitheel). Hieruit concludeer ik dat deze wond zich niet primair gesloten had (waarvoor een tijdsspanne van 1 week tot 1 maand gerekend kan worden) en hier sprake was van een chronische ernstige open wond, die reeds weken, zo niet maanden oud was. De grote hoeveelheid droog en
necrotisch weefsel dat zich in de wond bevond, wees hier ook op.
Bij een dergelijke wond, zoals bij dit dier door mij werd waargenomen, bestaat de kans dat tijdens het transport het dier zelf of een ander dier tegen of op de wond in de breuk trapt of deze wonde ten gevolge van schuren tegen het beschot of laadvloer, verder opengaat, begint te bloeden (wat dus ook is gebeurd) of in het meest ernstige geval leidt tot een open verbinding van de buik met de buitenwereld, waarbij het darmscheil of zelfs de ingewanden naar buiten komen en het dier pijn lijdt.
Op het vervoersdocument staat vermeld dat het varken vervoerd was door [eiseres] met
vervoersvergunningsnummer [vervoersvergunningsnummer] . Bij het raadplegen van het NVWA verleningensysteem bleek dat vervoersvergunningsnummer [vervoersvergunningsnummer] op naam staat van [eiseres] aan de [vestigingsplaats 1] te [vestigingsplaats 1] (zie bijlage uitdraai erkenning vervoerder uit NVWA verleningensysteem).
Uit het vervoersdocument blijkt dat het dier werd vervoerd door [naam 2] / [naam 3] vanuit UBN [UBN nummer] (veehouderijbedrijf) naar slachthuis [bedrijf 1] . Het vervoersdocument heb ik ontvangen van het slachthuis.
Ik heb tevens chauffeur [naam 3] aangesproken, na het lossen, over het feit dat dit varken een ernstige chronische open wond vertoonde en hiervoor een RvB wordt opgesteld. Hij vertelde me dat hij het transport onderweg naar het slachthuis had overgenomen van zijn collega [naam 2] . [naam 3] was dus zelf niet aanwezig bij het laden. De varkens werden door [naam 2] geladen bij [bedrijf 2] om 5.45 uur op 20 juni 2024.
[…]
Ik heb [naam 3] , als chauffeur van transportbedrijf [eiseres] van bovengenoemd bedrijf, mondeling op de hoogte gebracht van mijn bevindingen en heb ter zake een Rapport van Bevindingen aangezegd.”
2.1.
Op basis van het hiervoor genoemde rapport van bevindingen heeft verweerder met het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 1.500,- voor het volgende feit: de vervoerder vervoerde een varken dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het varken een ernstige open wond vertoonde. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, in verbinding met aanhef artikel 3 en Pro artikel 3, onder b, en artikel 6, derde lid en bijlage I, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, onder b, van Verordening (EG) 1/2005 (de Transportverordening).
2.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet betrokken is geweest bij het transport, dat zij daarom ook geen kennis heeft van het feitencomplex en dat de overtreding haar daarom niet kan worden verweten. Eiseres komt niet voor op het vervoersdocument en is geen contractante van [bedrijf 1] en/of andere betrokkenen. Het enkele feit dat de chauffeur in loondienst is van eiseres, betekent niet dat eiseres verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het transport. De chauffeur handelde niet in opdracht van eiseres, aldus eiseres.
4. De beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.1.
In bijlage 1, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, onder b, van de Transportverordening is bepaald dat alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en dat de vervoersomstandigheden van dien aard moeten zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen. Dat deze norm ook gericht is tot de vervoerder blijkt uit artikel 6, derde lid, van de Transportverordening. Daarin is bepaald dat de vervoerders de dieren vervoeren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage 1 van de Transportverordening.
4.2.
Eiseres betwist niet dat het vervoerde varken met oormerk [diernummer] een navelbreuk had met een ernstige open wond waaruit bloed kwam. Eiseres betwist uitsluitend dat zij vervoerder is geweest van dat varken. Hieraan legt zij ten grondslag dat [eiseres] niet op het vervoersdocument is vermeld. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In het rapport van bevindingen staat dat het varken is vervoerd door een chauffeur van [eiseres] Daarbij is verwezen naar het vervoersdocument dat als bijlage bij het rapport van bevindingen is gevoegd. Hoewel op het vervoersdocument bij “naam transporteur” enkel [eiseres] is vermeld en niet de volledige naam van eiseres [eiseres] , is dit onvoldoende om aan te nemen dat daarmee niet eiseres wordt bedoeld. Het is aannemelijk dat eiseres vervoerder is geweest van het voor vervoer ongeschikte varken met oormerk [diernummer] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op het vervoersdocument bij “Cert. nr.” het nummer [vervoersvergunningsnummer] is genoteerd. Dit nummer komt overeen met het erkenningsnummer van [eiseres] zoals vermeld in de MOS verlening waaruit blijkt dat aan [eiseres] een erkenning is verleend voor kort transport van onder meer varkens. Aan de stelling van eiseres dat het enkele feit dat de chauffeur in dienst is van eiseres niet betekent dat eiseres verantwoordelijk kan worden gehouden voor het vervoer, kan gelet op het voorgaande geen betekenis worden gehecht. Eiseres heeft ook niet betwist dat de chauffeur die het voor vervoer ongeschikte varken heeft opgeladen/vervoerd in dienst is bij eiseres, en zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar chauffeur in deze specifieke situatie niet in opdracht heeft gehandeld.
4.3.
Verweerder heeft op basis van het rapport van bevindingen terecht vastgesteld dat eiseres een varken heeft vervoerd dat niet geschikt was voor het transport en daarmee heeft eiseres artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met aanhef artikel 3 en Pro artikel 3, onder b, en artikel 6, derde lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, onder punt b, van de Transportverordening overtreden. Verweerder was daarom bevoegd eiseres daarvoor een bestuurlijke boete op te leggen.
4.4.
In artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de bevoegdheid om een boete op te leggen niet mag worden uitgeoefend als de overtreder geen verwijt treft. Het bestuursorgaan hoeft de verwijtbaarheid niet te bewijzen, maar mag deze veronderstellen als het daderschap vaststaat, mits tegenbewijs mogelijk is. Het is aan de beboete (rechts-)persoon feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaraan het rechtsgevolg kan worden verbonden dat verwijtbaarheid (afwezigheid van alle schuld) ontbreekt. Het is in dit geval dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de vastgestelde overtreding te voorkomen.
4.5.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar geen verwijt treft en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de vastgestelde overtreding te voorkomen. Op het vervoersdocument is bij “In te vullen door de varkenshouder” vermeld dat er negen varkens zijn met een navelbreuk. De chauffeur die met het vervoer is begonnen, had hierop alert moeten zijn. Eiseres had voorafgaand aan het transport kunnen en moeten waarnemen dat het dier problemen had en niet transportwaardig was, gelet op de grootte van de navelbreuk en bloedende wond zoals beschreven in het rapport van bevindingen.
4.6.
Voor zover eiseres in beroep haar stelling handhaaft dat het besluit een deugdelijke motivering ontbeert, leidt die stelling niet tot gegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft deze stelling op geen enkele wijze nader geconcretiseerd en onderbouwd.
4.7.
Eiseres heeft geen gronden gericht tegen de hoogte van de boete. Voor zover eiseres heeft beoogd te betogen dat de boete vanwege verminderde verwijtbaarheid moet worden gematigd, omdat zij niet bij het transport was betrokken, volgt de rechtbank eiseres hierin niet. Eiseres is een professionele vervoerder van dieren en is er daarom verantwoordelijk voor om aan de voorschriften te voldoen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.