ECLI:NL:RBROT:2026:8965

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
11748650 RR FORM 25-44
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:629 BWArt. 7:629a BWArt. 7:660a BWArt. 7:672 lid 11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens niet-naleving re-integratieverplichtingen tijdens ziekte

Eiseres trad op 4 maart 2024 in dienst als Beauty Project Manager met een bruto maandsalaris van €3.800. Na een gesprek waarin werkgever het verzoek om vanuit Griekenland te werken weigerde, meldde eiseres zich ziek op 17 februari 2025 en vertrok op 23 februari 2025 naar Griekenland. Werkgever stopte het loon vanaf 18 maart 2025 vanwege het niet beschikbaar houden en het niet naleven van re-integratieverplichtingen.

Eiseres vorderde betaling van salaris over de periode februari tot en met juni 2025, inclusief vakantiebijslag, wettelijke verhoging en rente. Werkgever betwistte dit en stelde dat eiseres onbereikbaar was en zonder toestemming vertrok, waardoor loonstop terecht was. De rechter oordeelde dat de ziekmelding geldig was, maar dat de loonstop terecht was opgelegd omdat eiseres niet voldeed aan haar re-integratieverplichtingen en niet bereikbaar was.

De loonvordering vanaf 18 maart tot en met 30 juni 2025 werd afgewezen. Het loon over februari tot 18 maart 2025 werd toegewezen, inclusief 8% vakantiebijslag en een gematigde wettelijke verhoging van 10%. Verrekening door werkgever werd niet gehonoreerd vanwege onvoldoende onderbouwing. De vordering tot verstrekking van de jaaropgaaf 2025 werd niet toegelaten. Partijen dragen eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Loonvordering wordt afgewezen vanaf 18 maart 2025 wegens niet-naleving re-integratie, maar loon over februari tot 18 maart 2025 wordt toegewezen met wettelijke verhoging en rente.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11748650 RR FORM 25-44
datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. N. Ramadhin,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
gemachtigde: mr. M.L. de Bruijn, die zich heeft onttrokken.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het aanvraagformulier van [eiseres] dat de rechtbank op 16 juni 2025 heeft ontvangen, met bijlagen, en
  • de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 27 augustus 2025;
  • de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] ;
  • de repliek van [eiseres] , met bijlagen;
  • de dupliek van [gedaagde] , met bijlagen;
  • de brief van [eiseres] van 6 november 2025;
  • de brief van [eiseres] van 13 mei 2026.
1.3.
Op 26 mei 2026 is de zaak (nogmaals) tijdens een zitting besproken. Daarbij was de gemachtigde van [eiseres] aanwezig. [gedaagde] is wel uitgenodigd voor de zitting, maar namens haar is niemand verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
[eiseres] is op 4 maart 2024 in dienst getreden bij [gedaagde] als Beauty Project Manager. Haar bruto maandsalaris bedroeg € 3.800,-.
2.2.
Tussen partijen is discussie ontstaan over de vraag of [eiseres] naar Griekenland mocht verhuizen en vanuit daar haar werkzaamheden mocht uitvoeren. Op 13 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [eiseres] waarin [gedaagde] dit voorstel heeft geweigerd, omdat volgens [gedaagde] de functie van [eiseres] niet geschikt is om op afstand uit te voeren.
2.3.
Op 17 februari 2025 heeft [eiseres] zich ziek gemeld en op 23 februari 2025 is zij naar Griekenland afgereisd. Op 30 juni 2025 heeft [eiseres] de arbeidsovereenkomst per brief opgezegd. [gedaagde] heeft het salaris van [eiseres] gedurende deze periode niet doorbetaald. Deze procedure gaat over de vraag of [gedaagde] het salaris van [eiseres] over deze periode alsnog moet betalen, met wettelijke verhoging en rente.
2.4.
[eiseres] is van mening dat bovenstaande vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zij stelt zich op het standpunt dat zij zich heeft ziekgemeld op 17 februari 2025 en dat zij zich tijdens haar ziekte beschikbaar heeft gehouden voor een bezoek aan de Arboarts. Zij is echter nooit door een arts gezien omdat [gedaagde] haar daar niet voor heeft opgeroepen. Volgens [eiseres] had [gedaagde] in deze omstandigheden haar salaris moeten doorbetalen. [eiseres] vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om haar salaris over de maanden februari 2025 tot en met juni 2025 te betalen, inclusief 8% vakantiebijslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente.
2.5.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] . Volgens [gedaagde] is [eiseres] zonder toestemming en zonder mededeling naar Griekenland vertrokken. Zij is vervolgens volgens [gedaagde] zowel telefonisch, als per email en post onbereikbaar geweest. [gedaagde] heeft als gevolg daarvan een loonstop opgelegd vanaf 18 maart 2025. Verder stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiseres] aan haar nog verschillende bedragen verschuldigd is in het kader van de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. Voor zover de rechter van oordeel is dat [gedaagde] nog een bedrag aan [eiseres] moet betalen, doet [gedaagde] een beroep op verrekening.
2.6.
De rechter wijst de vordering van [eiseres] grotendeels af. Hierna zal worden uitgelegd hoe de rechter tot dit besluit is gekomen.
De loonvordering vanaf 18 maart tot en met 30 juni 2025 wordt afgewezen
2.7.
De loonvordering vanaf 18 maart tot en met 30 juni 2025 wordt afgewezen omdat de rechter van oordeel is dat [gedaagde] terecht een loonstop heeft opgelegd (artikel 7:629 lid 3 sub d BW Pro). Hieronder zal dit worden uitgelegd.
2.8.
Tussen partijen staat vast dat [eiseres] zich heeft ziekgemeld op 17 februari 2025. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat zij deze ziekmelding nooit heeft kunnen verifiëren, maar nergens blijkt uit dat [gedaagde] [eiseres] heeft opgeroepen voor een onderzoek bij de bedrijfsarts. Indien [gedaagde] twijfelde aan de ziekmelding van [eiseres] , had dit wel op haar weg gelegen. Het feit dat [gedaagde] de ziekmelding nooit heeft geverifieerd, dient dan ook voor haar eigen rekening en risico te komen. De rechter gaat als gevolg daarvan uit van de geldigheid van de ziekmelding en van de omstandigheid dat [eiseres] haar arbeid niet heeft verricht in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte. Dat betekent dat [gedaagde] op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro in beginsel salaris verschuldigd is aan [eiseres] , tenzij sprake is van een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 BW Pro die haar van die verplichting ontheft.
2.9.
Een van deze uitsluitingsgronden betreft de periode gedurende welke [eiseres] zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten (artikel 7:629 lid 3 sub d BW Pro). Deze uitsluitingsgrond correspondeert met de in artikel 7:660a lid 1 onder a BW opgenomen re-integratieverplichtingen voor de werknemer. Kort gezegd is daarin besloten dat de werknemer moet meewerken aan de verschillende onderdelen van een re-integratieproces. Dat wil niet zeggen dat de werknemer alleen maar hoeft mee te werken aan wat de werkgever voorstelt. Werknemer moet zich zelf ook actief opstellen. Als de werkgever niet met voorstellen komt of niet reageert op voorstellen van de werknemer, wordt verwacht dat de werknemer de werkgever daarop aanspreekt. [1]
2.10.
De rechter is van oordeel dat [gedaagde] in dit geval terecht is overgegaan op een loonstop, omdat [eiseres] niet heeft voldaan aan de verplichtingen die een werknemer heeft in het kader van de re-integratie. Vast staat dat zij, zonder toestemming van en in strijd met de instructies van [gedaagde] op 23 februari 2025 is afgereisd naar Griekenland. Zij heeft [gedaagde] hierover niet geïnformeerd en heeft ook geen adres en of telefoonnummer doorgegeven waarop [gedaagde] haar kon bereiken. [gedaagde] heeft na de ziekmelding verschillende aangetekende brieven verstuurd naar het bij haar bekende adres van [eiseres] , [adres] te [woonplaats] , waarin zij [eiseres] heeft gemaand dagelijks telefonisch bereikbaar te zijn voor werkgever en de Arbodienst. Deze brieven zijn allemaal retour gezonden omdat - naar later gebleken is - [eiseres] al in Griekenland verbleef. Uit de inhoud van deze brieven blijkt bovendien dat [gedaagde] [eiseres] herhaaldelijk telefonisch heeft geprobeerd te bereiken, zowel op haar zakelijke als op haar privénummer, zonder resultaat. [gedaagde] mocht van [eiseres] in de gegeven omstandigheden in ieder geval van haar verwachten dat zij zich proactief zou opstellen en telefonisch of per post goed bereikbaar zou zijn. De enkele omstandigheid dat [eiseres] twee e-mails heeft gestuurd over een periode van vijf en een halve maand waarin zij vraagt naar de status van het Arbotraject is, gelet op de geschetste omstandigheden, onvoldoende om aan te nemen dat zij zich beschikbaar heeft gehouden voor haar re-integratieverplichtingen richting zowel werkgever als de Arbodienst en zich daarin proactief heeft opgesteld.
2.11.
Daarnaast had het, nu [eiseres] van mening is dat zij ondanks de loonstop recht heeft op betaling van loon, op haar weg gelegen een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW in het geding te brengen. [eiseres] heeft dit echter nagelaten, ondanks het feit dat [gedaagde] haar ziekmelding heeft willen laten toetsen door de Arbodienst en zij volgens [gedaagde] ook niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen.
2.12.
De rechter is daarom van oordeel dat de door [gedaagde] opgelegde loonstop, waar [eiseres] per aangetekende brief voor is gewaarschuwd, niet ten onrechte is opgelegd. De rechter wijst daarom de loonvordering van [eiseres] over de periode vanaf de loonstop, 18 maart 2025, tot en met haar opzegging op 30 juni 2025, af.
De loonvordering van 1 februari tot 18 maart 2025 wordt toegewezen
2.13.
[gedaagde] heeft in haar dupliek erkend dat zij het salaris over de maand februari 2025 tot aan 18 maart 2025, (het moment van de loonstop) verschuldigd is aan [eiseres] . Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen inclusief 8% vakantiebijslag, nu dit niet is betwist door [gedaagde] . Volgens de eindafrekening die [gedaagde] heeft overgelegd, bedraagt het bruto salaris over deze periode in totaal € 6.175,-. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] te betalen vermeerderd met 8% vakantiebijslag.
2.14.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het salaris over de maand februari 2025 en de halve maand maart 2025 nog niet is betaald. Dat betekent dat [gedaagde] op grond van artikel 7:625 BW Pro wettelijke verhoging moet betalen over dit bedrag. De rechter ziet in de gegeven omstandigheden wel aanleiding tot matiging van deze wettelijke verhoging. Vast staat immers dat [eiseres] zich vanaf 17 februari 2025 feitelijk niet meer beschikbaar heeft gehouden voor haar werkgever. De wettelijke verhoging bedraagt daarom 10%.
[gedaagde] kan geen beroep doen op verrekening
2.15.
[gedaagde] heeft nog een eindafrekening overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat [eiseres] nog een bedrag van € 5.812,86 aan haar verschuldigd is. Op grond daarvan stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat, voor zover de rechter oordeelt dat zij nog een bedrag aan [eiseres] moet betalen, zij bevoegd is dit bedrag te verrekenen met het nog openstaande bedrag. De rechter gaat hieraan voorbij. [eiseres] heeft de juistheid van de eindafrekening betwist in die zin dat zij niet kan vaststellen of deze juist is. Nu [gedaagde] niet ter zitting is verschenen, heeft zij ook haar beroep op verrekening en de juistheid van de eindafrekening niet nader onderbouwd.
2.11.
Daarnaast geldt dat het beroep van [gedaagde] op een haar toekomende gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro niet kan slagen, omdat vorderingen die verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst, niet door de regelrechter in behandeling kunnen worden genomen.
Verstrekking jaaropgaaf 2025
2.16.
Voor zover [eiseres] bij brief van 13 mei 2026 haar eis nog heeft willen vermeerderen met een vordering tot verstrekking van de jaaropgaaf 2025, geldt dat deze eisvermeerdering niet kan worden toegelaten, nu niet is komen vast te staan dat [eiseres] hiervan mededeling heeft gedaan aan [gedaagde] .
De partijen dragen hun eigen proceskosten
2.17.
De rechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen (artikel 15 Besluit Pro), omdat zij over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.18.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De rechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 6.175,- bruto aan achterstallig loon vermeerderd met 8% vakantiebijslag, met daarover de wettelijke verhoging van 10% zoals bedoeld in artikel 7:625 BW Pro en met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
3.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
64362
Bent u het niet eens met dit vonnis? Dan kunt u binnen drie maanden na de datum van de uitspraak het Gerechtshof in Den Haag vragen om de zaak opnieuw te beoordelen (hoger beroep). Dat doet u door de deurwaarder een dagvaarding te laten bezorgen bij de tegenpartij en die ook op te sturen naar het Gerechtshof. U heeft hiervoor een advocaat nodig.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2001-2002, 22 187 nr. 122, p. 21-22.