ECLI:NL:RBROT:2026:8972

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
10-258865-25 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 13d OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit productie en vervoer van MDMA-pillen

De rechtbank Rotterdam heeft op 15 mei 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingsprocedure tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het in vereniging produceren en vervoeren van MDMA-pillen. De ontnemingsvordering van de officier van justitie betrof een bedrag van €4.200,-, gebaseerd op een rapport waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend aan de hand van ritvergoedingen en het 'tikken' van pillen.

De veroordeelde betwistte de hoogte van het voordeel en stelde dat hij geen pillen had getikt en minder had verdiend aan de ritten. De rechtbank verwierp deze verweren en achtte het ontnemingsrapport voldoende onderbouwd, mede vanwege de combinatie van chatberichten en eigen verklaringen van de veroordeelde.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €4.200,- en legde de betalingsverplichting aan de veroordeelde op. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 42 dagen, conform wettelijke bepalingen, voor het geval volledige betaling niet mogelijk is. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €4.200,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met een maximale gijzelingstermijn van 42 dagen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-258865-25 (ontneming)
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde], de veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
gedetineerd in [naam PI],
raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat in Tilburg.

1.Procedure

De officier van justitie heeft bij vordering van 20 april 2026 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.

2.Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 15 mei 2026 (hierna: het strafvonnis) is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden. Daarnaast is aan hem de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet opgelegd van € 2.966,35. Hij is veroordeeld voor het in de periode van 18 augustus 2025 tot en met 2 oktober 2025 opzettelijk in vereniging produceren van MDMA-pillen, het vervoeren van onder meer MDMA-pillen en het aanwezig hebben van 332,23 kilogram MDMA op de dag van de ontdekking van de productielocatie op 2 oktober 2025. Dit vonnis is niet onherroepelijk.
In de ontnemingsprocedure wordt als vaststaand aangenomen dat het bewezenverklaarde door de veroordeelde is begaan. Een kopie van het strafvonnis is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3.Vordering

De vordering van de officier van justitie mr. N.J. Jacobs strekt tot het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr op een bedrag van € 4.200,- en het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de Staat.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
De officier van justitie heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bepaald aan de hand van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, rapportnummer 38 uit het onderzoek Jetski /RTRAA25077 (hierna: het ontnemingsrapport). De veroordeelde zou 20 ritten hebben uitgevoerd voor het vervoer van onder meer MDMA-pillen, waar hij gemiddeld een vergoeding voor kreeg per rit van € 75,- (€ 100,- voor lange ritten en € 50,- voor korte ritten). Hiermee zou hij dus € 1.500,- hebben verdiend. Ook zou hij MDMA-pillen hebben ‘getikt’ en daarmee € 2.700 hebben verdiend (uitgaande van
720.000 pillen x €0.0075 per pil = € 5.400, verdeeld tussen hem en een andere ‘pillentikker’). Op grond van deze berekening zou het wederrechtelijk voordeel voor de veroordeelde € 4.200,- bedragen.

4.Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit en subsidiair vermindering. De veroordeelde stelt dat hij geen pillen heeft getikt of een vergoeding heeft ontvangen. Dit is door de officier van justitie ook onvoldoende onderbouwd. Verder heeft de veroordeelde slechts een maximaal bedrag van € 1.000,- ontvangen voor de ritten die hij heeft gereden.

5.Beoordeling en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De ontnemingsmaatregel heeft een reparatoir karakter en beoogt de veroordeelde in de vermogenspositie te brengen waarin hij verkeerde voor het plegen van het strafbare feiten waaruit hij in de concrete omstandigheden daadwerkelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank is van oordeel dat uit het ontnemingsrapport aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Dat voordeel dient hem te worden ontnomen.
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de veroordeelde de strafbare feiten, in vereniging met zijn medeplegers, heeft begaan. Dat geldt ook voor het tikken van pillen. Uit het ontnemingsrapport wordt voldoende aannemelijk wat het voordeel is dat de veroordeelde hiermee wederrechtelijk heeft verkregen. De berekeningen zijn zowel gebaseerd op chats als op de eigen verklaringen van de veroordeelde over zijn verdiensten (per pil). Ook is voldoende aannemelijk hoe de berekening van het voordeel uit de ritten tot stand is gekomen. De verweren van de verdediging worden verworpen.
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 4.200,-.

6.Vaststelling van de betalingsverplichting

Inleiding
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.
Conclusie
De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 4.200,- aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

9.Maximale duur gijzeling

Op grond van artikel 6:6:25 Wetboek Pro van Strafvordering zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.
Op grond van artikel 36e, elfde lid, Sr bedraagt de maximale duur van de gijzeling drie jaar.
Onder verwijzing naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken zal de maximale duur van de gijzeling worden vastgesteld op 42 dagen. Daarbij gaat de rechtbank uit van één dag gijzeling voor elke € 100,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op
€ 4.200,-(zegge:
vierduizend tweehonderd euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van
€ 4.200,-(zegge:
vierduizend tweehonderd euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv Pro ten hoogste kan worden gevorderd op
42 dagen(zegge:
tweeënveertig dagen).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Wielhouwer, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 mei 2026.