ECLI:NL:RBROT:2026:8973

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
10-258852-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplichtigheid aan productie en bezit van grote hoeveelheid MDMA in woning

De rechtbank Rotterdam heeft op 15 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van medeplichtigheid aan twee strafbare feiten onder de Opiumwet. De verdachte stelde haar woning ter beschikking aan medeverdachten voor het opzetten en draaien van een productielocatie voor MDMA-pillen en het opslaan van een grote hoeveelheid MDMA.

Uit het bewijs, waaronder WhatsApp-berichten, foto’s en forensisch onderzoek, bleek dat de verdachte vanaf 19 augustus 2025 op de hoogte was van de productieactiviteiten op haar zolder. Zij was bewust medeplichtig door haar woning beschikbaar te stellen en actief betrokken te zijn bij de productie en opslag van MDMA. De hoeveelheid aangetroffen MDMA bedroeg 332,23 kilogram, wat duidt op een professionele en georganiseerde drugshandel.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 240 uur, een geldboete van € 10.000,- en de maatregel kostenverhaal van € 2.966,35 voor het opruimen van de productielocatie. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact van de handel in harddrugs. De verdachte had geen eerdere veroordelingen en werkt in de gehandicaptenzorg.

De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat de verdachte geen opzet had en niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de kosten. De opgelegde straf en maatregelen zijn in lijn met vergelijkbare zaken en de geldende LOVS-oriëntatiepunten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, taakstraf van 240 uur, geldboete van € 10.000,- en kostenverhaal voor productie en bezit van 332,23 kg MDMA.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-258852-25
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Datum zitting: 1 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. A.H.J. Raaijmakers
Officier van justitie: mr. N.J. Jacobs
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte medeplichtig is aan twee strafbare Opiumwetfeiten. Zij heeft opzettelijk gelegenheid verschaft tot en is behulpzaam geweest bij het in vereniging produceren van MDMA-pillen en vervoeren van onder meer MDMA-pillen en het aanwezig hebben van 332,23 kilogram MDMA op de dag van de ontdekking van de productielocatie door aan de medeverdachten haar woning beschikbaar te stellen. Voor de feiten wordt zij veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, een taakstraf van 240 uur en een geldboete van € 10.000,-. Ook wordt aan haar de maatregel kostenverhaal opgelegd voor het opruimen van de productielocatie.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of meerdere, althans een, onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 18 augustus 2025 tot en met 02 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 18 augustus 2025 tot en met 02 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of
opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of meerdere, althans een, onbekend gebleven perso(o)n(en) haar, verdachtes, woning gelegen aan de [adres] voor de productie en/of vervaardigen en/of opslaan van MDMA, althans een middel als bedoeld in de bij Opiumwet behorende lijst I, ter beschikking te stellen;
2
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of meerdere, althans een, onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 2 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 337.070 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 18 augustus 2025 tot en met 02 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of meerdere, althans een, onbekend gebleven
perso(o)n(en) haar, verdachtes, woning gelegen aan de [adres] voor het opslaan van MDMA, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, ter beschikking te stellen.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide ten laste gelegde feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten, omdat het opzet op de feiten ontbrak.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
1
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de periode van 18 augustus 2025 tot en met 2 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging, opzettelijk hebben bewerkt, verwerkt, vervoerd en vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 18 augustus 2025 tot en met 2 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] haar, verdachtes, woning gelegen aan de [adres] voor de productie en vervaardigen en opslaan van MDMA, althans een middel als bedoeld in de bij Opiumwet behorende lijst I, ter beschikking te stellen;
2
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 2 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging, opzettelijk aanwezig hebben gehad ongeveer 332.230 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 18 augustus 2025 tot en met 2 oktober 2025 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, opzettelijk gelegenheid en heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] haar, verdachtes, woning gelegen aan de [adres] voor het opslaan van MDMA, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, ter beschikking te stellen;
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
2.3.2.
Bewijsmotivering
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest bij de twee Opiumwetfeiten.
Op 2 oktober 2025 is op de zolder van de woning van de verdachte waar zij met haar vriend, tevens medeverdachte, [medeverdachte 1] verbleef een productielocatie voor XTC-pillen aangetroffen. Daar zijn onder meer drie tabletteermachines aangetroffen, MDMA-poeders en -brokken, grote hoeveelheden XTC-pillen, vulmiddel voor het produceren van die pillen, stempels, een vacuümeermachine en vele andere goederen die in verband staan met de productie van XTC-pillen. Ook in het voertuig van de medeverdachte Brink is een grote hoeveelheid XTC-pillen gevonden.
Uit het bewijs volgt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] nauw en bewust samenwerkte aan het productieproces. Ook vervoerde hij in die periode onder meer XTC-pillen. De medeverdachte [medeverdachte 1] zou hiervoor een vergoeding krijgen. Op de zolder zijn in korte tijd grote hoeveelheden MDMA vervaardigd tot XTC-pillen.
De verdachte erkende ter zitting dat zij vanaf 19 augustus 2025 op de hoogte was van de aanwezigheid van de productielocatie voor XTC-pillen op haar zolder. Uit verschillende WhatsApp-berichten tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte blijkt ook dat zij wetenschap had van wat er op de zolder gebeurde. Zo zijn er berichten over het gebruik van schepjes, het draaien van de productie, het wisselen van stempels. Gezien die berichten moet zij hebben geweten van het bestaan van de productielocatie. Ook zijn er berichten over de betrokkenheid van anderen, waaronder [medeverdachte 2], en het verdienen van geld met de activiteiten die plaatsvonden op haar zolder. De verdachte wist al voordat de zolder in gebruik werd genomen voor het vervaardigen van XTC-pillen dat de medeverdachte Brink wel eens iets deed met XTC en dat hij bij andere XTC-productielocaties is gaan kijken. Het dossier bevat ook een foto van de verdachte waarbij zij met handschoenen aan bij de machines op haar zolder staat.
De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte met opzet haar woning ter beschikking heeft gesteld en wist dat hier een XTC-productielocatie zou komen en dat haar opzet daarop was gericht. Dit maakt de verdachte medeplichtig. Dat de verdachte later wilde dat de productielocatie zou worden weggehaald, maakt het voorgaande niet anders.
Over de hoeveelheid aangetroffen MDMA overweegt de rechtbank dat de sealzakken met pillen steekproefsgewijs zijn getest. Alle pillen die getest zijn, bevatten MDMA.
De rechtbank acht daarom bewezen dat alle inbeslaggenomen pillen MDMA bevatten. Het doel van de productiefaciliteit was immers het produceren van pillen met MDMA. Ten aanzien van de inbeslaggenomen poeders is de rechtbank van oordeel dat hier niet kan worden uitgegaan van een steekproef, omdat poeders ook andere substanties kunnen betreffen dan MDMA, zoals vulmiddel. Om die reden neemt de rechtbank wat de poeders betreft alleen de geteste hoeveelheid in aanmerking bij de bewezenverklaring.
2.3.3.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte medeplichtig is aan twee strafbare Opiumwetfeiten. Zij heeft opzettelijk gelegenheid verschaft tot en is behulpzaam geweest bij het in vereniging produceren van MDMA-pillen en vervolgens vervoeren van onder meer MDMA-pillen en het aanwezig hebben van 332,23 kilogram MDMA op de dag van de ontdekking van de productielocatie door aan de medeverdachten haar woning beschikbaar te stellen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op de eendaadse samenloop van:
1.
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B en
onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
2.
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 15.000,-. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de procesafspraken die in een ander, verwant, onderzoek zijn gemaakt met verdachten die een grotere rol hadden en waarbij het ging om grotere productielocaties dan in de onderhavige zaak.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke geldboete niet passend zijn.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte is medeplichtig aan twee Opiumwetfeiten. Door de beschikbaarstelling van haar woning heeft zij het mogelijk gemaakt dat de medeverdachten in vereniging op grote schaal met MDMA XTC-pillen produceerden en vervoerden. Op de dag van de ontdekking van de productielocatie waren enorme hoeveelheden MDMA en pillen aanwezig. Deze hoeveelheid duidt op een georganiseerde en professionele aanpak. De verdachte heeft met haar handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de criminele drugshandel. De handel in harddrugs leidt tot veel problemen in de maatschappij; zij gaat vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit en gezondheidsrisico’s. Tegen deze handel moet daarom streng worden opgetreden. De verdachte heeft enkel oog gehad op het verdienen van geld met deze feiten. Op de strafbaarheid van wat zij deed, de ernst daarvan of de mogelijke negatieve gevolgen hiervan, lijkt zij geen acht te hebben geslagen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte is werkzaam als begeleidster in de gehandicaptenzorg, heeft een inkomen en is in het bezit van een koophuis.
4.3.3.
Oplegging straffen
Straf
Zoals eerder is overwogen, heeft de verdachte het door het beschikbaar stellen van haar huis mogelijk gemaakt dat een vrij professionele productielocatie met drie tabletteermachines kon worden opgezet, waar uiteindelijk een grote hoeveelheid MDMA is aangetroffen. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank het enkel opleggen van een taakstraf en een geldboete niet passend.
Bij de ernst van de strafbare feiten past, naast een forse taakstraf en (vanwege het lucratieve karakter van de feiten) een geldboete, een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank kijkt hierbij ook naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 6 maanden op zijn plaats. De gevangenisstraf wordt geheel voorwaardelijk opgelegd, omdat de verdachte slechts als medeplichtige bij de feiten is betrokken. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Daarnaast vindt de rechtbank, gelet op de rol van de verdachte bij de strafbare feiten en in lijn met de eis van de officier van justitie, een taakstraf van 240 uur passend.
Gelet op de aard van de strafbare feiten en de draagkracht van de verdachte legt de rechtbank ook een geldboete van € 10.000,- op. Die boete valt lager uit dan de eis, onder meer omdat de kosten voor het opruimen van de productielocatie ook deels op de verdachte verhaald worden.

5.Maatregel kostenverhaal

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet wordt opgelegd, voor de kosten van het opruimen van de productielocatie. Een kwart van de totale kosten van € 11.865,43 moet voor rekening van de verdachte komen, namelijk € 2.966,35.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de verdachte geen rol had bij het produceren van de MDMA.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De kosten zoals omschreven op de factuur van 22 oktober 2025, gericht aan de Staat, zijn voldoende onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank conform de vordering van de officier van justitie aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen ter hoogte van € 2.966,35, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet.
Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 29 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de verdachte niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor deze kosten. Zij is medeplichtig bevonden aan de feiten en heeft het mede mogelijk gemaakt dat die hebben kunnen plaatsvinden.

6.In beslag genomen voorwerpen

In eerste instantie is klassiek beslag gelegd op een geldbedrag van € 15.000,-. Dit bedrag was gesteld als borgsom ten behoeve van de teruggave het van voertuig Mercedes-Benz A180, met kenteken [kenteken 1]. Inmiddels is dit beslag omgezet naar conservatoir beslag. De rechtbank zal hierover derhalve geen beslissing nemen.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van de straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 48, 49, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13d van de Opiumwet.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht (zes dagen), in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
228 (tweehonderdachtentwintig) uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
114 (honderdveertien) dagen;
Geldboete
veroordeelt de verdachte tot een
geldboete van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro);
beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
75 (vijfenzeventig) dagen;
Maatregel kostenverhaal
legt op als maatregel de verplichting tot vergoeding van het bedrag van € 2.966,35 aan de
Staat. Stelt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden
gevorderd vast op 29 dagen;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Wielhouwer, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 mei 2026.
Bijlage 1 – Bewijsmiddelen
1.
Verklaring van de verdachte M.E. Richardson [1]
Ik wist vanaf 19 augustus 2025 dat er een productielocatie voor XTC-pillen aanwezig was in mijn woning op het adres [adres]. Ik zag dit toen op mijn zolder.
[medeverdachte 1] heeft de productielocatie op zolder met [medeverdachte 2] opgezet. Ik wist dat [medeverdachte 1] eerder met [medeverdachte 2] is gaan kijken bij MDMA-productielocaties. Het klopt dat er op zolder in mijn woning onder meer tabletteermachines stonden en MDMA-pillen lagen. Ik heb gezien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in die periode in mijn huis op zolder zijn geweest.
2.
Proces-verbaal van de politie, eenheid LFO [2]
Op 2 oktober 2025 in de woning [adres], troffen wij de volgende goederen aan. Deze zijn onderzocht, bemonsterd en voorzien van SIN-nummers.
Woonkamer beneden verdieping:
  • 2 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 4 kilogram (voorzien van SIN-nummer AASQ1589NL);
  • 6 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 10,4 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIM-nummers AASQ1590NL en AASQ1591NL);
  • diverse sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 1,1 kilogram, waarvan één sealzak indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1592NL).
Zolderruimte achterkamer (rechterzijde):
  • een tabletteeropstelling met tabletteermachine met oranje poeder, met daarop een speciekuip met daarin een totaalgewicht van 13,3 kilogram poeder (voorzien van SIN-nummer AAQL0280NL);
  • twee tabletteeropstellingen met tabletteermachines, met stempelsets en met lichtgroen poeder (voorzien van SIN-nummers AAQL0281NL en AAQL0282NL);
  • een MDMA-vergruizer (voorzien van LFO-code 8.5);
  • 2 emmers, met daarin een totaalgewicht van 17,5 kilogram tabletten (voorzien van SIN-nummer AAQL0283NL);
  • een stempelset boven- en onder stempels en matrijzen (voorzien van LFO-code 8.8.1);
  • een tafel met daarop een vacuümeermachine, vacuümeerzakken, diverse blikken met stempels, matrijzen en onderdelen van tabletteermachines en diverse zakken met daarin tabletten, met daarin een totaalgewicht van 4,7 kilogram (voorzien van LFO-code 8-20);
  • 15 sealzakken op de grond, met daarin tabletten, met een totaalgewicht van 27 kilogram (voorzien van LFO-code 8-21);
  • een emmer met daarin tabletten, met een totaalgewicht van 13 kilogram (voorzien van LFO-code 8-22).
Zolderruimte voorkamer:
  • 310 kilogram vulmiddel (voorzien van SIN-nummer AAQL0274NL);
  • een doos met 10 sealzakken met pillen, met een totaalgewicht van 30 kilogram (voorzien van SIN-nummer AAQL0276NL);
  • emmers met kleurstof;
  • een speciekuip met poeder, met een totaalgewicht van 17,45 kilogram (voorzien van SIN-nummer AAQL0288NL);
  • een speciekuip met poeder, met een totaalgewicht van 27,50 kilogram (voorzien van SIN-nummer AAQL0293NL);
  • een speciekuip met poeder, met een totaalgewicht van 17,6 kilogram (voorzien van SIN-nummer AAQL0292NL);
  • diverse emmers en teilen, met MDMA, met een totaalgewicht van 13,5 kilogram (voorzien van LFO-code 10-20 en één van de emmers is voorzien van SIN-nummer AAQL0277NL);
  • een emmer met bruine brokken MDMA, met een totaalgewicht van 3 kilogram (voorzien van LFO-code 10.21.1);
  • een boodschappentas met een vuilniszak en sealzak, met brokken MDMA, onbekend van welk gewicht (voorzien van LFO-code 10-21.2 en SIN-nummer AAQL0278NL);
  • een vacuümzak met brokken MDMA, met een totaalgewicht van 2 kilogram (voorzien van LFO-code 10-21.4);
  • een boodschappentas met verschillende vacuümzakken met pillen, met een totaalgewicht van 7,7 kilogram (voorzien van LFO-code 10-21.5);
  • een boodschappentas met verschillende vacuümzakken met pillen, met een totaalgewicht van 6,58 kilogram (voorzien van LFO-code 10-21.6);
  • een emmer met brokken MDMA, met een totaalgewicht van 3,88 kilogram (voorzien van LFO-code 10-21.7);
  • een kunststof bak met verschillende vacuümzakken met pillen, met een totaalgewicht van 7,16 kilogram (voorzien van LFO-code 10-21.8);
  • een sealzak met MDMA-poeder, met een totaalgewicht van 0.28 kilogram (voorzien van LFO-code 10-22.3);
  • een emmer met brokken MDMA, met een totaalgewicht van 2 kilogram (voorzien van LFO-code 10-22.4);
  • een zeef met daarin een sealzak met pillen, met een totaalgewicht van 0,58 kilogram (voorzien van LFO-code 10-22.5).
Vito bus met kenteken [kenteken 2]:
  • 6 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 15,3 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1595NL);
  • 6 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 12,8 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1596NL);
  • 4 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 11,2 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1597NL);
  • 8 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 11,2 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1598NL);
  • 6 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 13,7 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1599NL);
  • 6 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 12,8 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1559NL);
  • 8 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 11,3 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1560NL);
  • 6 sealzakken met tabletten, met een totaalgewicht van 13,7 kilogram, indicatief positief op MDMA (voorzien van SIN-nummer AASQ1561NL).
3.
Deskundigenverslag van het NFI [3]
Woonkamer beneden verdieping
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1589NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1590NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1591NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1592NL bevat MDMA.
Zolderruimte achterkamer
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0280NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0281NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0282NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0283NL bevat MDMA.
Zolderruimte voorkamer
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0276NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0288NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0293NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0292NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0277NL bevat MDMA HCI.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AAQL0278NL bevat MDMA HCI.
Vito bus met kenteken [kenteken 2]
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1595NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1596NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1597NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1598NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1599NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1559NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1560NL bevat MDMA.
Onderzoeksmateriaal met kenmerk AASQ1561NL bevat MDMA.
In het onderzoeksmateriaal is MDMA aangetoond. MDMA is vermeld op lijst I van de Opiumwet. In het onderzoeksmateriaal is MDMA HCI aangetoond. MDMA HCI is een zout van MDMA, gelijkgesteld aan MDMA zelf en valt onder lijst I van de Opiumwet.
4.
Proces-verbaal van de politie [4]
In de op 2 oktober 2025 in de woning [adres], in beslag genomen telefoon van [verdachte], is onderzoek gedaan naar haar wetenschap van de XTC-productielocatie op haar zolder. Zij heeft WhatsApp gesprekken gevoerd met het nummer in gebruik bij [medeverdachte 1].
Chatfragment over 'snoep'
Op 24 juli 2025 stuurde [medeverdachte 1] een bericht dat hij snoep weg zou doen voor 250 euro, hij geeft hierbij aan dat het om 500 stuks gaat. Het is mij ambtshalve bekend dat met snoep XTC tabletten worden bedoeld. Gelet op deze opmerking van [medeverdachte 1] heeft hij op
24 juli 2025 500 tabletten XTC verkocht en dit vervolgens naar [verdachte] gestuurd.
Chatfragment over sloten op de deuren
Op 7 augustus 2025 voerden [verdachte] en [medeverdachte 1] een gesprek over sloten op de deuren. [medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] sloten op de deuren in huis wil, dit voor als er mensen aan het werk zijn. Uit het gesprek blijkt dat [medeverdachte 1] deze mensen heeft geregeld en dat hij ze vertrouwt. De mensen zouden toch geen tijd hebben om tijdens het werk rond te kijken
Gesprek over geld maken:
Op 11 augustus 2025 stuurde [medeverdachte 1] naar [verdachte] dat P. hem komt helpen met het afmaken van de zolder. Hij geeft aan dat hij daarna volle bak geld gaat maken (verdienen).
Chat overspullen verplaatsen:
Op 18 augustus 2025 voerden [medeverdachte 1] en [verdachte] onderstaande chatgesprek. Hierin geeft [medeverdachte 1] aan dat ze spullen halen zijn. Hij heeft het ook over een grote machine en dat die stofvrij gemaakt moet worden omdat hij geen stof in huis wil. [verdachte] geeft ook aan dat zij de stof niet in haar huis wil. Uit de chat blijkt dat alle spullen naar de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn gebracht. Hierbij is een foto gedeeld van de zolder van de [adres]:
5.
Proces-verbaal van de politie [5]
Op 19 augustus 2025, een dag nadat genoemde spullen zijn gebracht, is [verdachte] op zolder en merkt zij op dat daar een deur niet dicht gaat.
Op 1 en 3 september 2025 laat [medeverdachte 1] aan [verdachte] weten dat hij bezig is met opstarten:
Schepjes
Op 21 augustus 2025, omstreeks 21:15 uur, vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] met wie hij zojuist belde en omstreeks 23:16 uur of hij iets zachter kan doen met de deuren. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan dat hij bijna klaar is en nog een paar schepjes moet doen. Een paar schepjes past in het productieproces van XTC-pillen, waarbij er stoffen worden gemengd en het mengsel vervolgens in de machine wordt gebracht. Door [verdachte] is op 12 november 2025 ook verklaard dat [medeverdachte 1] aan haar heeft gevraagd of ze even wilde gaan staan met die schep. Bij dat moment behoort ook de foto waarop [verdachte] is te zien bij een tabletteermachine op haar zolder.
Dat zou na 23 september 2025, zijn geweest. Uit de meta-data is gebleken dat deze foto vermoedelijk op 26 september 2025 is gemaakt met het toestel van [medeverdachte 1]:
Draaien
Uit de chat tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] komt nog meer woordgebruik naar voren dat verwijst naar het productieproces van XTC-pillen. Zo geeft [medeverdachte 1] op 3 september 2025 omstreeks 16:47 uur aan dat hij tot ongeveer 23:00 uur moet draaien. De aangetroffen tabletteermachines aan de [adres] zijn rondlopers, waarbij er diverse onderdelen roteren/ draaien. Het produceren van pillen wordt ook wel pillen draaien of pillen tikken genoemd. De zendmast die tussen 3 september 2025 17.42 uur en
4 september 2025 13: 17 uur zijn geregistreerd in relatie tot het telefoonnummer *[nummer] van [medeverdachte 1], betreft de eerder genoemde zendmast aan de [locatie]. [medeverdachte 1] was dan ook waarschijnlijk aan de [adres] aan het draaien - bezig met de productie van XTC-pillen.
Stempels
Voorts laat [medeverdachte 1] op 4 september 2025 aan [verdachte] weten dat hij stempel(s) aan het wisselen is en even later dat het niet lukt. In tabletteermachines wordt gebruik gemaakt van stempels.
Ritjes en verdiensten
In de periode dat de productieruimte voor XTC-pillen in gebruik was, voerde [medeverdachte 1] ritjes uit. Door [medeverdachte 1] is verklaard dat hij de op zolder van de [adres] geproduceerde pillen wegbracht:
Op 3 september 2025 laat [medeverdachte 1] aan [verdachte] weten dat het met het geld voor de vakantie wel goed komt. Uit de chat blijkt dat hij mogelijk van/via [persoon 1]/of [persoon 2] geld krijgt [papieren]
Op de zolderruimte van de [adres] zijn tijdens de doorzoeking meerdere sealzakken met tabletten aangetroffen met daarop de naam [persoon 3] en dergelijke zakken met de naam [persoon 2]. Voorts is op de bank van de woonkamer een briefje aangetroffen met de naam [persoon 2] en de tekst "datum, opgehaald 50 mango's, gebracht, getikt". [medeverdachte 1] verklaarde tijdens zijn verhoor op 2 oktober 2025 dat met 50 mango's, 50 kilo MDMA wordt bedoeld; dat hij heeft gedaan wat op het briefje stond en dat hij het briefje heeft geschreven. Op dat briefje staat ook de datum 3 september 2025 vermeld.
Ook op 8 september 2025 bespreekt [medeverdachte 1] zijn mogelijke verdiensten met [verdachte]. Hij verwijst hierbij naar onze vriend en een enveloppe die hij zou krijgen van [persoon 3] voor op vakantie:
6.
Proces-verbaal van de politie [6]
Binnen onderzoek Jetski is een Samsung S10 (A4.02.01 .001) in beslag genomen, waarvan [medeverdachte 1] de gebruiker was. Tijdens het onderzoek naar relevante gegevens in deze telefoons werden de acht onderstaande foto's aangetroffen. Deze foto's zijn op 22 juli 2025 tussen 20:28 uur en 22: 15 uur met de Samsung genomen en zijn allen aan de productie van XTC-pillen te relateren.
Deze foto's zijn op 22 juli 2025 tussen 20:28 uur en 22:15 uur met de Samsung genomen en zijn allen aan de productie van XTC-pillen te relateren. [medeverdachte 1] stuurde via WhatsApp een foto van een korte broek, bedekt met kleurstoffen naar [verdachte] met daarbij het bericht "Dat wordt spacen".

Voetnoten

1.Verklaard tijdens de zitting van 1 mei 2026.
2.Pagina 96, van het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer]/Velsen-Noord/PC-001, van de eenheid LFO, uit het zaaksdossier Jetski.
3.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 december 2025, zaaknummer 2025.10.29.084, aanvraagnummer 001, pagina 299 e.v. van het zaaksdossier Jetski.
4.Het proces-verbaal met nummer -64, pagina 197 e.v. uit het zaaksdossier Jetski.
5.Het proces-verbaal met nummer -92, pagina 420 e.v., uit het zaaksdossier Jetski.
6.Het proces-verbaal met nummer -100, pagina 395 e.v., uit het zaaksdossier Jetski.