ECLI:NL:RBROT:2026:8982

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721001 / KG ZA 26-554
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichte medewerking verkoop gezamenlijke woning ex-partners met depotregeling overwaarde

In dit kort geding tussen twee ex-partners vordert de vrouw dat de man meewerkt aan de verkoop van hun gezamenlijke woning aan een derde. De situatie is onhoudbaar voor beide partijen en hun drie meerderjarige kinderen, die nog samen in de woning verblijven. Verdeling door toedeling aan één van de partijen is financieel niet haalbaar.

De vrouw vordert onder meer dat de man medewerking verleent aan verkoop en overdracht, dat een makelaar bindend de marktwaarde vaststelt, en dat de man een dwangsom betaalt bij niet-nakoming. De man verzet zich en vordert onder meer een taxatie en een termijn van twee jaar om vervangende woonruimte te vinden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de woning moet worden verkocht aan een derde en dat de man daaraan moet meewerken. De overwaarde wordt verdeeld waarbij de vrouw een deel van haar aandeel in depot moet stellen vanwege een betwist vergoedingsrecht van de man. De man wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop, ondertekening van leveringsakte en ontruiming van de woning. De vorderingen van de man in reconventie worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Man wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop gezamenlijke woning aan derde met depotregeling overwaarde.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/721001 / KG ZA 26-554
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R. Delgado,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W.R. Arema.

1.De zaak in het kort

In dit kort geding tussen twee ex-partners wordt de man veroordeeld om mee te werken aan verkoop van de gezamenlijke woning aan een derde. Er is sprake van een onhoudbare situatie voor beide partijen, die ook erg belastend is voor de drie (meerderjarige) kinderen die met hun ouders in de woning wonen. Verdeling door toedeling aan de man of de vrouw is geen optie. De beslissing wordt als volgt toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 22 juni 2026, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
- producties 5 en 6 van de man;
- producties 5 tot en met 7 van de vrouw.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2026 plaatsgevonden. Mr. Arema heeft op die mondelinge behandeling verzocht de nadere producties 5 tot en met 7 van de vrouw
buiten beschouwing te laten.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn drie kinderen geboren, [dochter 1] van 24 jaar, [dochter 2] van 21 jaar en [dochter 3] van 19 jaar.
3.2.
Partijen zijn sinds oktober 2004 samen eigenaar van de woning, gelegen aan [adres] in ( [postcode] ) [plaats 1] (hierna: ‘de woning’). Partijen wonen samen met de kinderen in de woning.
3.3.
Partijen hebben op 2 mei 2006 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Hierin hebben zij onder andere het volgende afgesproken:

Vergoedingen.
Artikel 10.
1. Partijen zijn verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene partij is onttrokken ten behoeve van de andere partij, zulks ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.
(..)
Slotbepaling.
Artikel 17.
4. In afwijking van het bepaalde in artikel 12 is Pro met betrekking tot de huidige woning aan [adres] te [plaats 1] tussen partijen overeengekomen dat bij het verbreken van de samenwoning deze woning zal worde1 toebedeeld aan de heer [de man] .
Bij het verbreken van de samenwoning anders dan door overlijden of zoveel eerder bij verkoop van deze woning moet worden uitbetaald aan mevrouw [de vrouw] een bedrag groot tienduizend euro (€ 10.000,00) en aan de heer [de man] een bedrag groot zeventigduizend euro
(€ 70.000,00) of wat laatst gemeld bedrag betreft zoveel minder indien en voorzover de opbrengst casu quo de waarde van gemelde woning tachtigduizend euro (€ 80.000,00) lager is dan de hoofdsom van de hypothecaire geldlening, waarvoor gemelde woning op dat moment is belast.
Indien het verschil hoger is dan tachtigduizend euro (€ 80.000,00) wordt dit hogere tussen partijen verdeeld ieder voor de helft.(..)”

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen aan de verkoop/overdracht en verdeling van de woning en de vrouw recht heeft op de helft van de op deze woning rustende overwaarde na aftrek van zijn eigen inleg van € 70.000,- en haar eigen inleg van € 10.000,- bij de oorspronkelijke aankoop;
te gelasten dat een door de rechtbank aan te wijzen makelaar uit [plaats 2] , bij verschil van mening tussen partijen over de door de vrouw ingeschakelde makelaar en door hem bepaalde waarde van de woning, de marktwaarde bindend zal vaststellen en dat deze prijs het uitgangspunt is bij het vervolg alsook de man verplicht zal zijn de aanwijzingen en adviezen van deze makelaar op te volgen;
te bepalen dat de man op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 50.000,- ten gunste van de vrouw binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis gehouden is medewerking te verlenen aan overdracht van de woning aan de vrouw met ontslag uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid of de verkoop aan een derde met vergoeding van de overwaarde zoals genoemd in punt 1;
te bepalen dat als de man binnen een termijn van drie maanden na de datum van dit vonnis geen medewerking verleent aan de overdracht, het vonnis ex artikel 3:300 BW Pro in de plaats zal treden van de medewerking aan of dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte, althans voor zover nodig de rechtshandeling door een vertegenwoordiger zal worden verricht, zodat de vrouw zelf de woning kan overnemen of verkopen en overdragen aan een derde;
te bepalen dat de man de genoemde woning in geval van overdracht of verkoop uiterlijk één week voor de dag van de eigendomsoverdracht onder afgifte van de sleutels aan de vrouw respectievelijk notaris verlaat en al zijn spullen ontruimd op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag met een maximum van € 25.000,-.
te bepalen dat de man aansprakelijk is voor alle schade en kosten als door zijn toedoen of nalaten de overdracht niet (tijdig) kan plaatsvinden of de vrouw een derde moet inschakelen om zijn vertrek met ontruiming van spullen of de overdracht te bewerkstelligen.
4.2.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
in voorwaardelijke reconventie
4.3.
De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • de vrouw te gebieden mee te werken aan een taxatie van de woning door een NVM makelaar;
  • de vrouw te gebieden aan de man en de drie dochters van partijen twee jaar (vanaf de datum van dit vonnis) de gelegenheid te geven geschikte en toekomstbestendige vervangende woonruimte te vinden, alvorens de woning te verkopen aan een derde, danwel deze woning (onverdeelde helft van de vrouw) zelf geleverd te krijgen;
  • de vrouw te veroordelen aan de man een bedrag van € 120.000,- te vergoeden bij verkoop of overname van de woning, alvorens over te gaan tot verdeling bij helfte van de resterende overwaarde van deze woning;
  • de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
4.4.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.

5.De beoordeling

5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
Producties 5 tot en met 7 van de vrouw worden toegelaten
5.2.
Mr. Arema maakt bezwaar tegen de nader ingediende producties 5 tot en met 7 van de vrouw, omdat deze te laat zouden zijn ingediend. De voorzieningenrechter laat de producties toe, omdat deze slechts beperkt van omvang zijn en niet is gebleken dat mr. Arema onvoldoende tijd heeft gehad om deze te bestuderen. Daarbij komt dat mr. Amera zelf ook nog aanvullende producties heeft ingediend die, gelet op de aard van die stukken, ook reeds bij de conclusie van antwoord hadden kunnen worden ingediend.
Het toetsingskader
In zaken als de onderhavige is het uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven, en verdeling kunnen vorderen. Partijen hebben een eenvoudige gemeenschap van het huis en de hypothecaire schuld, en een verpande spaarpolis. Als geen van de mede-eigenaren de ander kan uitkopen dient de woning te worden verkocht aan een derde. De partij die in dit verband een voorziening in kort geding vordert, moet daarbij voldoende (spoedeisend) belang hebben.
De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
5.3.
De vrouw stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vorderingen, omdat partijen nog in één huis wonen, samen met hun meerderjarige kinderen, nadat partijen hun relatie hebben beëindigd. Dit zorgt voor een erg gespannen situatie waardoor zo vaak als mogelijk één der partijen en de kinderen elders of in het tuinhuis van de woning overnachten. Hoewel de man in zijn conclusie van antwoord het spoedeisend belang betwistte, is ter zitting gebleken dat de man, net als de vrouw, de huidige (woon)situatie óók onhoudbaar vindt. Partijen hebben daardoor beiden belang bij een spoedige beslissing over de (wijze van) verdeling van de woning, zodat zij hun leven kunnen voortzetten. Het spoedeisend belang is dus voldoende gegeven.
De woning moet worden verkocht aan een derde
5.4.
De vrouw verblijft gedeeltelijk bij haar nieuwe vriend om spanningen te voorkomen, maar is een deel van de week in de woning aanwezig, omdat zij dan voor de dochters van partijen zorgt, en in het bijzonder voor de oudste die wegens een licht verstandelijke beperking meer zorg nodig heeft. De man is niet tegen verdeling van de woning door toedeling van de woning aan de vrouw of door verkoop van de woning aan een derde, maar stelde bij conclusie van antwoord twee jaar de tijd te willen krijgen om een nieuwe woning te vinden voor hem en de dochters. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer van de man en licht dit als volgt toe.
5.5.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, blijkt dat de man een broze gezondheid heeft. De man is ernstig ziek geweest, is van zijn ziekte hersteld, maar kampt nog steeds met de gevolgen hiervan. Hij heeft ter zitting meegedeeld dat hij niet alleen de huidige woonsituatie, net als de vrouw, onhoudbaar vindt, maar ook, dat hij niet in staat is, zowel fysiek als mentaal, om zelf de zorg voor de kinderen te dragen. De feitelijke situatie laat dus niet toe dat hij nog twee jaar de tijd zou krijgen om een woning voor hem en de kinderen te vinden, terwijl het ook niet logisch is ervan uit te gaan dat hij een woning voor hem en de kinderen nodig heeft. Eén en ander betekent dat het in het belang van beide partijen en hun kinderen is, dat juist de vrouw, op korte termijn, met de kinderen, in één huis kan gaan wonen, zoals zij wenst en ook de man op zitting voor ogen bleek te hebben.
5.6.
De vrouw stelt een leencapaciteit te hebben van € 180.000,-. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 17.4 van de samenlevingsovereenkomst van de overwaarde van de woning eerst € 70.000,- toekomt aan de man en € 10.000,- aan de vrouw. Een eenvoudige rekensom leert dat het de vrouw met de thans bekende gegevens niet lukt om de woning toegedeeld te krijgen. Als wordt gerekend met de woningwaarde van de waardebepaling van € 340.000,- minus de hypotheekschuld en aflossing middels de spaarpolis op de hypotheekschuld (€ 89.992,99 + € 68.165.20) resteert er een overwaarde van € 318.172,21, waarvan de helft á € 159.086,11 aan de vrouw toekomt. Van de helft van de vrouw dient zij € 35.000,- aan de man te vergoeden en ontvangt zij € 5.000,- van de man. De vrouw moet dan in totaal € 189.086,11 financieren en dat gaat haar gestelde maximale leencapaciteit al te boven.
5.7.
Daar komt bij dat tussen partijen nog in geschil is of de € 50.000,- die partijen op 30 oktober 2019 op de hypotheek hebben afgelost, is betaald uit privévermogen van de man (stelling man) of door partijen gezamenlijk (stelling vrouw). De man stelt dat het bedrag uit zijn privévermogen is betaald, omdat het afkomstig is van een aan hem verknochte uitkering van zijn voormalig werkgever voor gemist arbeidsinkomen en schadevergoeding. De man stelt ook dat alleen hij destijds werkte en inkomen genereerde in het gezin. Ook daarom komt hem volgens de man een vergoedingsrecht van € 50.000 toe. De vrouw betwist dit vergoedingsrecht en de verknochtheid. Zij stelt dat de aflossing op de hypotheek van de gezamenlijke bankrekening is gedaan, waar bedoelde uitkering op was gestort. Zonder nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent, is niet te bepalen wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft, maar er dient rekening mee te worden gehouden dat voormelde (globaal berekende) uitkoopsom die de vrouw aan de man moet voldoen als de woning aan haar wordt toegedeeld (zo’n € 189.000), nog moet worden vermeerderd met € 25.000. Dan wordt de maximale leencapaciteit van de vrouw te zeer overschreden, zoals ook de vrouw te kennen gaf op zitting. De voorzieningenrechter komt gelet op al het voorgaande uit op verdeling van de woning middels verkoop aan een derde, aan welke verkoop de man dient mee te werken.
5.8.
Na verkoop van de woning verkrijgt de man, uit het bij helfte te verdelen restant van de overwaarde (zie hiervoor onder 5.6.), de helft daarvan, en dus sowieso de helft van het nominale bedrag (€ 50.000) dat in 2019 is afgelost op de hypothecaire schuld. Als ordemaatregel zal de voorzieningenrechter bepalen dat de vrouw uit de andere helft die haar toekomt, € 25.000 in depot moet stellen bij de passerend notaris. Dit depot duurt voort totdat in een bodemzaak zal zijn beslist over het vergoedingsrecht van de man van € 50.000, of partijen in onderling overleg afspraken hierover hebben gemaakt.
5.9.
Het staat partijen, ondanks de veroordelingen in dit vonnis, uiteraard vrij om alsnog de mogelijkheid te onderzoeken dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld binnen haar financiële mogelijkheden. De man gaf op zitting te kennen te willen zoeken naar een creatieve oplossing om toedeling van de woning aan de vrouw toch mogelijk te maken. In dat kader kon wat hem betreft gedacht worden aan de optie dat hetgeen de man nog toekomt in het kader van overbedeling van de vrouw c.q. vergoedingsrecht van de man, maar de vrouw op dit moment niet kan financieren, pas na verloop van tijd, bijvoorbeeld na verkoop van de woning door de vrouw op een door haar gekozen moment, hoeft te worden betaald, en dan niet per sé (in zijn geheel) aan de man maar bijvoorbeeld door dat bedrag (al dan niet deels) op dat moment te schenken aan de kinderen. Voor het geval partijen deze mogelijkheid willen onderzoeken, zullen zij gezamenlijk opdracht moeten geven aan één van de twee hierna te noemen makelaars voor een partijen bindende taxatie van de woning. Dan kan worden vastgesteld hoe hoog de overwaarde is en welk bedrag er naderhand, op welk moment, nog moet worden voldaan aan de man / geschonken aan de kinderen.
Toe te wijzen vorderingen
5.10.
De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat vorderingen 1 en 3 tot en met 6 van de vrouw declaratoir zijn ingesteld. Declaratoire vorderingen in kort geding kunnen niet worden toegewezen. Maar het is voldoende duidelijk, ook voor de man, dat de vrouw heeft bedoeld veroordelingen voor de man te vorderen. [1]
5.11.
Vordering 1 wordt als volgt toegewezen. De man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de woning, onder de voorwaarden dat van de overwaarde (de verkoopopbrengst minus de hypotheekschuld nadat de verpande polis op deze schuld is afgelost en minus de verkoopkosten), de helft toekomt aan de vrouw maar de vrouw uit haar helft € 35.000,- aan de man moet betalen en € 25.000,- in depot moet stellen bij de notaris, terwijl de man van de andere helft die hem toekomt € 5.000,- aan de vrouw moet betalen.
De voorzieningenrechter geeft partijen nog in overweging om in onderling overleg na te gaan of mogelijk en wenselijk is dat één van de partijen (te denken valt in het bijzonder aan de vrouw nu zij graag een andere woning wil kopen terwijl de man ervan uitgaat dat hij zal zijn aangewezen op een huurwoning) de aan de hypotheek verpande polis toegedeeld krijgt en voortzet, tegen vergoeding van de helft van de waarde aan de andere partij (dus aan de man). Als partijen daarover geen overeenstemming bereiken, wordt de polis afgekocht en wordt daarmee de hypotheekschuld afgelost. Dat was het uitgangspunt bij de globale berekening van de huidige overwaarde.
5.12.
De man wordt veroordeeld om op eerste verzoek van de vrouw de opdracht tot verkoop van de woning te geven aan één van de twee ter zitting besproken makelaars, [makelaar 1] of [makelaar 2] , beiden in [plaats 2] . De man moet de aanwijzingen en adviezen van de makelaar opvolgen en als partijen het niet eens worden over de vraag- en laatprijs, stelt de makelaar deze bindend vast. Omdat de woning moet worden verkocht, hoeft er geen taxatie te worden verricht. Dit deel van vordering 2 wordt dus afgewezen.
5.13.
Tot op heden heeft de man niet mee willen werken aan verdeling van de woning door toedeling daarvan aan de vrouw dan wel door verkoop van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter acht een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom dan ook passend. De vordering een dwangsom op te leggen zal in afgezwakte vorm worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.14.
De man wordt tevens veroordeeld om mee te werken aan de ondertekening van de notariële akte van levering van de woning aan een derde en als hij dit niet doet, treedt dit vonnis in de plaats van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man in die akte (vordering 4).
5.15.
Vordering 5, begrepen als vordering tot veroordeling van de man om de woning uiterlijk één week voor de overdrachtsdatum te verlaten en ontruimen, wordt als zodanig toegewezen. De gevorderde termijn acht de voorzieningenrechter een redelijke termijn. Niet gesteld of gebleken is dat en waarom die termijn langer moet zijn. De nevengevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een vrees is dat de man de woning niet tijdig voor de overdracht verlaat.
5.16.
Vordering 6 van de vrouw wordt afgewezen. De deurwaarder kan op grond van de wet met dit vonnis de ontruiming van de woning bewerkstelligen, en eventueel de sterke arm inschakelen, als de man niet vrijwillig of op tijd tot ontruiming overgaat. Uit de wet volgt dat de man in dat geval opdraait voor de kosten van de gedwongen ontruiming. Er bestaat daarom geen aanleiding om voor die kosten een machtiging uit te spreken, nog afgezien van het feit dat op dit moment niet duidelijk is of er een gedwongen ontruiming gaat plaatsvinden en, als dat zo is, wat die dan precies kost.
5.17.
De vorderingen in voorwaardelijke reconventie worden afgewezen. Nu het oordeel luidt dat de woning moet worden verkocht, hoeft de woning niet te worden getaxeerd (vordering 1 van de man). De vordering tot het gedurende twee jaar gelegenheid geven om de man en de dochters vervangende woonruimte te laten vinden, wordt, zoals reeds eerder volgde uit dit vonnis, afgewezen. De vordering tot vergoeding van € 120.000,- aan de man wordt afgewezen, omdat reeds uit de toewijzing in conventie volgt onder welke voorwaarden de overwaarde van de woning moet worden verdeeld.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.18.
De voorzieningenrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van het
uitgangspunt dat de proceskosten tussen ex-partners worden gecompenseerd. De
proceskosten tussen partijen worden daarom gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verdeling door middel van verkoop van de woning, gelegen aan [adres] in ( [postcode] ) [plaats 1] , waarbij van de overwaarde (de verkoopopbrengst minus de hypotheekschuld nadat met de waarde van de verpande polis op deze schuld is afgelost en minus de verkoopkosten),
onder de voorwaarden dat:
- de ene helft van de overwaarde toekomt aan de vrouw maar de vrouw uit haar helft
€ 35.000,- aan de man moet voldoen, en zij voorts € 25.000,- in depot moet stellen bij de notaris totdat
o ófwel in een bodemprocedure is vastgesteld dat aan de man het vergoedingsrecht van € 50.000 toekomt, in welk geval het bedrag ad € 25.000 aan de man moet worden uitgekeerd vanuit het depot,
o ófwel in een bodemprocedure is vastgesteld dat voormeld vergoedingsrecht niet aan de man toekomt, in welk geval het bedrag ad € 25.000 aan de vrouw moet worden uitgekeerd vanuit het depot,
o ófwel totdat partijen over de verdeling van het in depot gestelde bedrag onderling overeenstemming hebben bereikt;
- de andere helft van de overwaarde toekomt aan de man maar de man uit zijn helft
€ 5.000,- aan de vrouw moet voldoen;
6.2.
veroordeelt de man om op eerste verzoek van de vrouw, de opdracht tot verkoop van de woning, gelegen aan [adres] in ( [postcode] ) [plaats 1] , aan [makelaar 1] in [plaats 2] of aan [makelaar 2] in [plaats 2] te verstrekken, waarbij de man de aanwijzingen en adviezen van deze makelaar dient op te volgen en ten aanzien van de vraag- en laatprijs het advies van de makelaar doorslaggevend is als partijen het daarover niet eens kunnen worden,
6.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling in 6.2 voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt,
6.4.
veroordeelt de man om mee te werken aan de ondertekening van de notariële akte van levering van de woning aan een derde,
6.5.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man in de notariële akte van levering als hij niet aan de in 6.4 genoemde veroordeling voldoet,
6.6.
veroordeelt de man uiterlijk één week voor de dag van de eigendomsoverdracht, onder afgifte van de sleutels aan de vrouw of de notaris, de woning, gelegen aan [adres] in ( [postcode] ) [plaats 1] , te verlaten en met al zijn spullen te ontruimen,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
compenseert de kosten in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.10.
wijst de vorderingen af,
6.11.
compenseert de kosten in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026. 3608/638

Voetnoten

1.HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:22.