ECLI:NL:RBROT:2026:8986

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
11691360 CV EXPL 25-11016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende schadevergoeding wegens ondeugdelijke aanleg terras

Eiser gaf gedaagde opdracht om renovatiewerkzaamheden in zijn achtertuin uit te voeren, waaronder het verwijderen en opnieuw betegelen van het terras. Na oplevering ontstond onenigheid over de kwaliteit van het werk, waarbij eiser gebreken constateerde en gedaagde weigerde deze te herstellen zonder voorafgaande betaling van het openstaande bedrag.

Eiser schakelde een deskundige in die concludeerde dat het werk onzorgvuldig en met gebrek aan deskundigheid was uitgevoerd, met herstelkosten van €5.400,-. Gedaagde stelde dat de gebreken waren veroorzaakt door het te vroeg belopen van het terras door eiser of derden, maar dit werd door de deskundige en de kantonrechter niet aannemelijk geacht.

De kantonrechter oordeelde dat gedaagde in verzuim was en dat eiser recht had op vervangende schadevergoeding. De schadevergoeding werd vastgesteld op €3.721,38 na verrekening van het openstaande bedrag. Daarnaast werden de kosten van de deskundige (€1.815,-), buitengerechtelijke kosten (€601,54) en proceskosten (€1.270,71) toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding, deskundigenkosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten wegens ondeugdelijke uitvoering van terraswerkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11691360 CV EXPL 25-11016
datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats ].,
eiser,
gemachtigde: mr. S. Belkhrouf,
tegen
[gedaagde],
die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats ],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 15 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • het aanvullende antwoord, met bijlagen;
  • de vervangende bijlage 9 van [eiser];
  • de aanvullende bijlage 21 van [eiser];
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser].
1.2.
Op 8 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met de gemachtigde en [gedaagde] in persoon.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] eist samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 4.020,60, met rente;
  • [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 735,65 aan buitengerechtelijke kosten;
  • [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 1.815,00 (inclusief btw) aan kosten voor de deskundige;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en vindt dat die moet worden afgewezen.

3.De beoordeling

Kern van de zaak
3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] aan [eiser] een vervangende schadevergoeding moet betalen in verband met de ondeugdelijke uitvoering van de werkzaamheden in de tuin van [eiser].
3.2.
De kantonrechter wijst de eis van [eiser] toe tot een bedrag van € 3.721,38 aan vervangende schadevergoeding met rente. Daarnaast worden de kosten van het deskundigenonderzoek en een bedrag van € 601,54 aan buitengerechtelijke kosten toegewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.
Feiten
3.3.
[eiser] heeft [gedaagde] omstreeks mei 2024 opdracht gegeven renovatiewerkzaamheden in de achtertuin van zijn woning te verrichten. [gedaagde] moest onder meer de oude tegels verwijderen waarna de tuin opnieuw betegeld zou worden. Voor de werkzaamheden in de achtertuin is een prijs afgesproken van € 4.050,78. [eiser] heeft een betaling gedaan van € 2.671,38. Het restantbedrag van € 1.379,40 is niet betaald.
3.4.
Op 18 juli 2024 heeft [gedaagde] een WhatsApp-bericht aan [eiser] gestuurd. Hij schreef:
“[eiser] de achtertuin is klaar .
De tegels zijn ingevoegd .
Het moet even 24 u uitharden .
Dus aub ff niet op lopen .”
Op 23 juli 2024 hebben partijen een discussie gehad over het werk, nadat [eiser] liet weten dat hij niet tevreden was over (een deel van) de werkzaamheden. [gedaagde] heeft hierop zijn spullen gepakt en is vertrokken. Op 29 juli 2024 heeft [gedaagde] [eiser] via WhatsApp benaderd met de vraag of het ‘opnieuw gedaan moet worden’. [eiser] liet hierop weten dat [gedaagde] niet meer welkom was.
3.5.
[eiser] heeft Stichting Achmea Rechtsbijstand ingeschakeld die [gedaagde] op 9 augustus 2024 een brief heeft gestuurd. [gedaagde] heeft drie weken de tijd gekregen om de gestelde gebreken te herstellen. [gedaagde] is hier niet op ingegaan. Hij heeft na het verstrijken van de termijn van drie weken laten weten dat hij eerst betaling van de restantfactuur wil voordat gepraat kan worden over een oplossing.
3.6.
Partijen hebben hierna nog contact gehad over een eventuele oplossing, maar zijn er niet uitgekomen. [eiser] heeft Top Expertise BV (hierna ook: de deskundige) ingeschakeld om de werkzaamheden te beoordelen. [gedaagde] was ondanks een uitnodiging niet aanwezig bij het onderzoek. De deskundige heeft geconcludeerd dat het werk onzorgvuldig en met gebrek aan deskundigheid is uitgevoerd. De deskundige begroot de herstelkosten op € 5.400,-. [eiser] wil dat [gedaagde] dit bedrag, minus het openstaande restantbedrag, betaalt. Verder wil [eiser] een vergoeding voor de kosten van de deskundige, de buitengerechtelijke kosten en rente.
Gebreken
3.7.
Het gaat in deze zaak om een overeenkomst van aanneming van werk. Volgens [eiser] is het werk niet deugdelijk uitgevoerd. Hij beroept zich op diverse foto’s en het rapport van Top Expertise BV van 17 oktober 2024 (bijlage 12 dagvaarding). Daar komen de volgende gebreken uit naar voren:
  • de bestrating sluit op diverse plaatsen niet aan op de opsluitbanden;
  • de opsluitbanden zijn niet ingegraven en achter de opsluitbanden is de grond niet aangevuld/gedicht;
  • de opsluitbanden zijn niet in richting geplaatst en sluiten niet op elkaar aan;
  • de voegwijdte tussen de opsluitbanden is op diverse plaatsen meer dan de toegestane 5 mm;
  • de passtukken sluiten niet of slecht op elkaar aan;
  • het afschot voldoet niet aan de maatstaf;
  • de opsluitbanden staan 100-150 mm boven het straatwerk in plaats van 10-20 mm eronder;
  • er is hoogteverschil tussen de tegels;
  • de pastegels zijn kleiner dan een halve tegel;
  • de voegen tussen de tegels zijn onregelmatig en op diverse plaatsen zo smal dat er geen voegvulling tussen past;
  • de tegels zijn niet symmetrisch verdeeld.
3.8.
De deskundige heeft in aanvulling op de bevindingen in het rapport van 17 oktober 2024 gekeken of de gebreken kunnen zijn ontstaan doordat, zoals [gedaagde] heeft gesteld, [eiser] te vroeg over de tegels heeft gelopen en een hoge drukspuit heeft gebruikt. Wat dat laatste betreft is Top Expertise BV van mening dat dit geen verband kan houden met de genoemde gebreken. Het hoogteverschil tussen de tegels kan wel veroorzaakt zijn door het te vroeg belopen van de tegels, dat wil zeggen voordat de stabilisatielaag is uitgehard. De deskundige vindt dit echter niet aannemelijk gelet op de plek waar het hoogteverschil is waargenomen, namelijk in het midden van het terras en niet bij de achterdeur of tuinpoort (aanvullend rapport, bijlage 16 dagvaarding).
3.9.
In deze procedure volhardt [gedaagde] bij zijn standpunt dat [eiser] (of een bekende van [eiser]) te vroeg over de tegels heeft gelopen waardoor alles is verschoven. Hij heeft [eiser] hiervoor van tevoren gewaarschuwd. Desondanks heeft [gedaagde], nadat hij klaar was met tegels leggen, gezien dat er iemand via de poort de tuin binnenkwam en over de tegels liep. Ook kwam de buurman via de poort de tuin in toen [gedaagde] zijn spullen aan het opruimen was. [gedaagde] is kortom van mening dat hij deugdelijk werk heeft verricht. De genoemde gebreken zijn door toedoen van [eiser] ontstaan.
3.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat voldoende vast dat het werk niet deugdelijk is uitgevoerd. [eiser] heeft dat voldoende onderbouwd met de rapportages van Top Expertise BV.
3.11.
Dat de genoemde gebreken het gevolg zijn van het te vroeg belopen van het terras, zoals [gedaagde] aanvoert, blijkt onvoldoende. In principe is dat mogelijk, maar de deskundige vindt dat niet aannemelijk. De kantonrechter begrijpt hieruit dat, als de stelling van [gedaagde] zou kloppen, het voor de hand had gelegen dat in elk geval op het terras bij de poort hoogteverschil te zien zou zijn. Dat zou stroken met de verklaringen van [gedaagde] dat derden bij de poort de tuin binnenkwamen en daar over het terras zijn gelopen. Dit blijkt echter niet, nu het hoogteverschil in het midden van de tuin is geconstateerd. In de minnelijke fase heeft [gedaagde] twee foto’s overgelegd. Hij heeft die niet zelf in het geding gebracht maar de foto’s zitten wel bij de stukken van [eiser] (bijlage 15 dagvaarding). Op de foto’s zijn natte voetstappen op het terras te zien. Dat laat volgens [gedaagde] zien dat er over het terras is gelopen. [eiser] betwist dat die voetstappen van hem of buren afkomstig zijn. Los daarvan valt moeilijk te zien waar op het terras die voetstappen zich bevinden. Ook is niet duidelijk wanneer de foto’s zijn genomen. Aan de foto’s komt daarom – in het licht van de rapportages van TOP Expertise BV – onvoldoende betekenis toe. Een verdere onderbouwing van het standpunt van [gedaagde] is er niet.
3.12.
Ten slotte is [gedaagde] niet concreet ingegaan op de genoemde overige gebreken in het rapport. Hij heeft alleen in het algemeen het te vroeg belopen – waardoor ‘alles is verschoven’- aangevoerd. Dit is te vaag, vooral gelet op de uitgebreide opsomming van de gebreken en de constatering van de deskundige dat alléén het hoogteverschil te maken zou kunnen hebben met het te vroeg belopen. De conclusie is dat [gedaagde] de gestelde gebreken niet of onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Deze staan daarmee voldoende vast.
Verzuim en omzettingsverklaring
3.13.
Om vervangende schadevergoeding te kunnen eisen moet [gedaagde] in verzuim zijn. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval.
3.14.
[eiser] heeft [gedaagde] bericht dat hij niet meer welkom was om het werk te herstellen. Er is echter geen sprake van schuldeisersverzuim voor zover [gedaagde] daarop een beroep heeft willen doen. [eiser] heeft [gedaagde] namelijk korte tijd later, op 9 augustus 2024, alsnog een redelijke termijn voor herstel gegeven. [gedaagde] is niet tot herstel overgegaan. Na het verstrijken van de in de brief genoemde termijn liet [gedaagde] weten dat hij eerst betaling wilde waarna verder kon worden gekeken naar een oplossing. Het restantbedrag (de arbeidsuren) was echter nog niet opeisbaar. Partijen hebben namelijk afgesproken dat de arbeidsuren bij oplevering betaald moesten worden (zie offerte bijlage 1.1 antwoord). Het werk was echter nog niet opgeleverd, omdat [eiser] niet tevreden was en het werk niet had aanvaard. [gedaagde] kon daarom het herstel van de gebreken niet opschorten tot na de betaling van de factuur.
3.15.
De conclusie is dat [gedaagde] in verzuim is na het verstrijken van de termijn uit de ingebrekestelling. Een schuldeiser heeft daarna het recht om te kiezen voor vervangende schadevergoeding. Voor vervangende schadevergoeding is wel vereist dat de schuldeiser de schuldenaar schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert (artikel 6:87 BW Pro). [eiser] heeft hieraan voldaan. Op 21 oktober 2024 is een omzettingsverklaring gestuurd. Daarna hoefde [eiser] dus niet meer in te stemmen met herstel door [gedaagde].
Schade
3.16.
Omdat is voldaan aan de vereisten van verzuim en een omzettingsverklaring kan [eiser] aanspraak maken op een vervangende schadevergoeding en moet worden bepaald wat de omvang daarvan is. Deze schadevergoeding bestaat uit de kosten van het door een derde partij laten herstellen van de gebreken.
3.17.
[eiser] baseert de geëiste schadevergoeding op het rapport van Top Expertise BV. De deskundige concludeert dat de gebreken niet te herstellen zijn. De tegels zijn geplaatst in een speciebed en niet meer herbruikbaar. De deskundige is daarom bij de kostenraming uitgegaan van volledige verwijdering van het uitgevoerde werk en het leveren en aanbrengen van nieuwe materialen. De kosten zijn als volgt begroot:
arbeid materiaal subtotaal
a. verwijderen bestrating € 750,- € 300,- € 1.050,-
b. materialen bestrating € 2.750,- € 2.750,-
c. arbeid bestrating € 1.600,- € 1.600,-
--------------
totaal (inclusief btw) € 5.400,-
3.18.
[gedaagde] betwist de door de deskundige begrote kosten. Volgens hem is € 2.500,- een redelijk bedrag. Hij voert aan dat de tegels opnieuw gebruikt kunnen worden. De deskundige heeft echter concreet aangegeven waarom de tegels volgens hem niet kunnen worden hergebruikt (vanwege de inbedding in specie). [gedaagde] had daarom beter moeten onderbouwen waarom dat volgens hem niet klopt. Dat heeft hij niet gedaan. Er wordt daarom uitgegaan van de aanschaf van nieuwe tegels voor de hele tuin, althans dezelfde hoeveelheid tegels die in eerste instantie nodig is geweest. De deskundige heeft niet toegelicht waarom de bedragen voor de materialen en arbeid in verband met de bestrating hoger uitvallen dan de eerste keer. Door [eiser] is dit ook niet onderbouwd, terwijl [gedaagde] de hoogte van de schade wel heeft betwist. [eiser] had bijvoorbeeld offertes kunnen opvragen bij hoveniers. Daarom wordt uitgegaan van dezelfde bedragen voor materialen en arbeid als door [gedaagde] oorspronkelijk in rekening zijn gebracht (€ 2.671,38 en € 1.379,40). Vermeerderd met de kosten van verwijdering van de bestrating (€ 1.050,-) is de schade in totaal € 5.100,78. [eiser] wil de nog openstaande factuur van [gedaagde] verrekenen met de schadevergoeding (dagvaarding, randnummer 29), zodat per saldo een bedrag van
€ 3.721,38 resteert. Dit bedrag wordt toegewezen.
Rente
3.19.
Over de hoofdsom wordt de wettelijke rente toegewezen. [eiser] heeft rente gevorderd vanaf de dag dat [gedaagde] in verzuim is de gebreken te herstellen. De prestatie is echter omgezet in vervangende schadevergoeding. Op dat moment was [gedaagde] nog geen schadevergoeding verschuldigd. De kantonrechter zal de rente toewijzen vanaf de dag van dagvaarding
.
Kosten deskundige
3.20.
Naast een vervangende schadevergoeding eist [eiser] een vergoeding van de expertisekosten oftewel de kosten van de deskundige. Deze kosten zijn volgens [eiser] vermogensschade, namelijk redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro). [gedaagde] heeft geweigerd de gebreken te herstellen. Hij hield zich vast aan de voorwaarde dat eerst betaald moest worden en dan pas over een oplossing kon worden gepraat. Het is daarom redelijk dat [eiser] een deskundige opdracht heeft gegeven om onderzoek te doen om de gebreken en de schade vast te laten stellen. De hoogte van de deskundigenkosten komt kantonrechter ook redelijk voor. Het bedrag van € 1.815,- (inclusief btw) wordt toegewezen.
Incassokosten
3.21.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende is gesteld en gebleken dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] heeft de werkzaamheden niet of onvoldoende weersproken. De incassokosten worden berekend aan de hand van de toegewezen hoofdsom en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke werkzaamheden. Gelet daarop wordt een bedrag van
€ 601,54 toegewezen.
Proceskosten
3.22.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 149,71 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,-,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.270,71. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.23.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 3.721,38 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald, de kosten van de deskundige van € 1.815,- en de buitengerechtelijke kosten van
€ 601,54;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.270,71 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
540