ECLI:NL:RBROT:2026:8987

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/10/722000 / KG ZA 26-635
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BWArt. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorgregeling en vervangende toestemming reizen minderjarigen in zomervakantie 2026

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de nakoming van een zorgregeling voor hun vier minderjarige kinderen tijdens de zomervakantie 2026. De rechtbank Rotterdam beoordeelde of partijen na een eerdere beschikking een andere afspraak hadden gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De man vorderde nakoming van de oorspronkelijke regeling en overdracht van paspoorten, terwijl de vrouw stelde dat er een afwijkende afspraak was en verzocht om vervangende toestemming voor een reis naar Turkije.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de vrouw de man per e-mail had gevraagd om duidelijkheid over de zorgregeling, omdat de man zijn zorgtaken niet nakwam. De man reageerde met een ondertekend toestemmingsformulier voor de reisdata, wat de vrouw als aanvaarding van een afwijkende afspraak mocht beschouwen. De rechtbank oordeelde dat deze afspraak nageleefd moet worden, tenzij gewijzigde omstandigheden dit verhinderen, wat niet het geval was.

De vorderingen van de man tot nakoming van de oorspronkelijke regeling werden afgewezen. De vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot een verklaring voor recht, maar de rechtbank verleende haar vervangende toestemming om met de kinderen naar Turkije te reizen. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de man af en verleent de vrouw vervangende toestemming voor de reis naar Turkije.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rolnummer: C/10/722000 / KG ZA 26-635
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter 7 juli 2026 op grond van artikel 29a Rv
Tegenwoordig:
mr. drs. J. van den Bos, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en
mr. L. Timmermans, griffier.
In de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. R. Tetteroo te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] .
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. A. Aïssal;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De aanwezigen zijn door de voorzieningenrechter gehoord. Vervolgens is op de vorderingen met toepassing van artikel 29a Rv als volgt beslist.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2025 is de bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 vastgestelde regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd, in die zin dat – voor zover hier van belang – in de zomervakantie de minderjarige in de even jaren de eerste drie weken bij de man verblijft, van maandag 08.00 uur in de eerste week tot vrijdag 17.00 uur in de derde week, en de tweede drie weken bij de vrouw, van vrijdag 17.00 uur in de derde week tot vrijdag 17.00 uur in de zesde week.
1.2.
De man vordert in conventie - samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vrouw te veroordelen de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2025 na te komen, in het bijzonder de eerste drie weken van de zomervakantie 2026, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis. Daarbij vordert de man de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft met de nakoming, tot een maximum van € 25.000,-. Daarnaast vordert de man de vrouw te veroordelen de paspoorten van de vier minderjarigen uiterlijk op 17 juli 2026 aan de man af te geven, zodat de man gebruik kan maken van de hem bij beschikking van deze rechtbank van 19 mei 2025 verleende toestemming om met de minderjarigen naar Marokko te reizen. Daarbij vordert de man de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft met de nakoming, tot een maximum van € 10.000,-.
Voorts vordert de man de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
1.3.
De vrouw voert verweer en bepleit de vorderingen van de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, althans te ontzeggen. In reconventie vordert de vrouw vast te stellen voor recht dat de man toestemming heeft verleend voor de reis van de minderjarigen naar Turkije in de periode van 17 juli 2026 tot en met 30 augustus 2026, dan wel haar vervangende toestemming te verlenen om samen met de minderjarigen te reizen naar Turkije in de periode van 17 juli 2026 tot en met 30 augustus 2026.
Spoedeisend belang
1.4.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de gevraagde voorzieningen. De voorzieningenrechter zal daarom overgaan tot de materiële beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
1.5.
Het uitgangspunt is dat ouders die gezamenlijk met het gezag zijn belast, belangrijke beslissingen over hun kinderen gezamenlijk nemen. Indien zij daarover geen overeenstemming bereiken, kan de rechter een beslissing nemen. Een rechterlijke beslissing neemt echter niet weg dat ouders nadien alsnog in onderling overleg andere afspraken kunnen maken. Dat geldt voor zowel kleine als meer ingrijpende afwijkingen van een eerder vastgestelde regeling.
1.6.
De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of partijen na de beschikking van 4 november 2025 samen een andere afspraak hebben gemaakt voor de zomervakantie van 2026. Een andere afspraak, een overeenkomst, komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan (artikel 6:217 Burgerlijk Pro Wetboek). Of daarvan sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars gedragingen redelijkerwijs hebben mogen afleiden (de Haviltex-maatstaf).
Niet alleen de letterlijke bewoordingen zijn daarbij van belang, maar ook de context waarin de verklaringen zijn gedaan en het gedrag van partijen.
1.7.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw onder meer in haar e-mailbericht van 28 april 2026 de man heeft verzocht om aan te geven wanneer de zorgregeling conform de beschikking wordt hervat. De vrouw heeft dit verzocht omdat in de loop naar 28 april 2026 er geen omgang was tussen de man en de minderjarigen, en zij tijdig moest plannen voor Hemelvaart, studiedagen en de zomervakantie.
De vrouw heeft in haar emailbericht van 15 mei 2026 de man laten weten dat ze nog altijd geen duidelijke reactie van hem heeft ontvangen. De vrouw heeft de man nogmaals verzocht om duidelijk aan te geven wanneer hij de zorgregeling conform de beschikking weer zal nakomen, en als hij geen omgang meer wenst of kan uitvoeren in de komende periode zij uiterlijk die maandag daarna toestemming voor de aankomende zomervakantie ontvangt, inclusief een ondertekende toestemmingsverklaring en kopie paspoort van de man. Dit bericht moet worden aangemerkt als een aanbod om voor deze zomervakantie af te wijken van de in de beschikking opgenomen zorgregeling.
1.7.1.
De context van het aanbod van de vrouw is dat de man, zoals onbetwist is gesteld, de zorgtaken die hij had volgens de zorgregeling, niet nakwam en dat de vrouw daarom iets moest regelen voor vakantieweken die door de man zouden worden ingevuld. Verder kan het verzoek om toestemming natuurlijk niet zien op de weken die de vrouw al voor de minderjarigen zou zorgen: dat waren al haar weken en zij had ook geen toestemming meer nodig; dat hadden partijen namelijk al onderling geregeld en deze afspraken zijn in een eerder vonnis in kort geding opgenomen.
Uit de data moest de man bovendien begrijpen dat ook de eerste drie weken van de zomervakantie de minderjarigen bij de vrouw zouden zijn. Half juli en begin augustus liggen zo ver uit elkaar dat ook zonder de agenda erbij te pakken, de man moest zien dat het niet alleen om de laatste drie, maar juist al om de eerste weken van de zomervakantie ging.
1.7.2.
De man heeft vervolgens een dag later het ondertekende toestemmingsformulier aan de vrouw verstuurd, zonder enige toelichting. Op dit formulier staan duidelijk de reisdata vermeld. Bovendien zijn die overgenomen op het watermerk van de paspoortkopie van de man (bedoeld tegen misbruik van die kopie). Onder deze omstandigheden mocht de vrouw redelijkerwijs begrijpen dat de man de data had gezien en haar voorstel (in juridische termen: aanbod) had aanvaard en instemde met de voorgestelde afwijkende verdeling van de zomervakantie.
1.8.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat partijen voor deze zomervakantie een afwijkende afspraak hebben gemaakt. Een onderling gemaakte afspraak over de zorgregeling dient in beginsel door beide partijen te worden nageleefd. Dit kan slechts anders zijn indien is gebleken dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat onverkorte nakoming van de zorgregeling strijdig is met de belangen van de minderjarige. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Partijen hebben nog maar kort geleden deze afspraak gemaakt en de vrouw heeft daarop haar plannen afgestemd. Het is niet in het belang van de minderjarigen om deze afspraak nu te wijzigen.
1.9.
Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van de man, die zijn gebaseerd op nakoming van de oorspronkelijke regeling, afgewezen.
1.10.
Hetgeen de vrouw primair vordert met betrekking tot het geven van een verklaring voor recht, is in kort geding niet toewijsbaar. De vrouw zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot het geven van een verklaring voor recht.
1.11.
De vrouw heeft daarnaast vervangende toestemming verzocht om samen met de minderjarigen naar Turkije te reizen. Strikt genomen hoeft de voorzieningenrechter geen vervangende toestemming te verlenen. Hiervoor is immers al geoordeeld dat de man met de afwijkende afspraak heeft ingestemd. Toch ziet de voorzieningenrechter aanleiding de vervangende toestemming te verlenen.
Daarmee wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat als de man zich alsnog op het standpunt stelt dat hij geen toestemming heeft gegeven. Om problemen tijdens de reis te voorkomen zal de voorzieningenrechter de vervangende toestemming daarom verlenen in het belang van de minderjarigen.
Proceskosten
1.12.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de voorzieningenrechter dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
2.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vordering tot het geven van een verklaring voor recht;
2.2.
verleent de vrouw vervangende toestemming om samen met de minderjarigen te reizen naar Turkije in de periode van 17 juli 2026 tot en met 30 augustus 2026;
2.3.
bepaalt dat de vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
2.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de voorzieningenrechter is vastgesteld op 7 juli 2026 en ondertekend op 9 juli 2026.