ECLI:NL:RBROT:2026:9012

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/10/712497 JE RK 25-2698
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 1:266 BWArt. 1:250 BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag vader na jarenlange juridische strijd over minderjarige dochter

De rechtbank Rotterdam heeft op 24 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak over het gezag van een minderjarige dochter, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming het gezag van de vader wilde beëindigen na een jarenlange juridische strijd tussen de ouders.

De vader en moeder waren sinds 2025 geschorst in hun gezag, waarbij de moeder het gezag uitoefent. De rechtbank constateert dat de vader een patroon van dwang en controle vertoont, wat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt. Ondanks diverse interventies en hulpverlening is geen verbetering opgetreden, mede door het wantrouwen en de procedures die de vader voert.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat het gezag van de vader moet worden beëindigd om haar welzijn te waarborgen. Verzoeken tot ondertoezichtstelling en omgangsregeling worden afgewezen, waarbij omgang pas mogelijk is na het volgen van een stappenplan met psycho-educatie voor de vader. Verzoeken van de vader tot benoeming van een bijzondere curator en contra-expertise worden eveneens afgewezen.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het gezag van de vader over de minderjarige wordt beëindigd en de moeder krijgt het eenhoofdig gezag; verzoeken tot ondertoezichtstelling en omgang worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/10/702700 / FA RK 25-5113, C/10/712497 JE RK 25-2698 en C/10/691399 FA RK 24-9427 (betreffende het zelfstandig verzoek van de moeder)
Zaaknummers ingetrokken verzoeken: C/10/704341/ FA RK 25/5879,
C/10/703589/ JE RK 25/1494, C/10/697589/ JE RK 25/713, C/10/691399 FA RK 24-9427, en C/10/693118/ FA RK 25/523 (betreffende het verzoek van de vader)
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ([geboorteland]),
hierna te noemen [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. V. Vos uit Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, van 2 juli 2025 ontvangen op 4 juli 2025;
  • het bericht van de Raad van 16 juli 2025;
  • het e-mailbericht van de vader met zelfstandige verzoeken van 17 juli 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 18 juli 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 19 juli 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 28 juli 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 29 juli 2025;
  • het e-mailbericht van de vader met bijlagen, ontvangen op 1 augustus 2025;
  • de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 10 september 2025:
  • het e-mailbericht van de vader van 16 september 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 24 september 2025;
  • het bericht van de Raad van 7 oktober 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 13 oktober 2025 met bijlagen;
  • het e-mailbericht van mr. R. Feiner, advocaat van de vader van 14 oktober 2025;
  • het e-mailbericht van mr. Vos van 14 oktober 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 15 oktober 2025;
  • het e-mailbericht van de vader, ontvangen op 21 oktober 2025
  • het e-mailbericht van de vader van 22 oktober 2025;
  • het bericht van de Raad van 23 oktober 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 27 oktober 2205;
  • het e-mailbericht van de vader van 28 oktober 2025;
  • het bericht van mr. Feiner van 28 oktober 2025, inhoudende onttrekking;
  • het e-mailbericht van de vader van 30 oktober 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 2 december 2025 met bijlagen;
  • het e-mailbericht van de vader van 4 december 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 9 december 2025;
  • de stelbrief van mr. F.G.T. van Meershoek, advocaat van de vader;
  • het e-mailbericht van de vader van 15 december 2025 met bijlagen;
  • gewijzigd verzoekschrift van de Raad van 23 december 2025 met bijlagen;
  • het bericht van mr. Van Meershoek van 19 januari 2026, inhoudende onttrekking;
  • het verweerschrift van de vader tevens zelfstandige verzoeken, met bijlagen van 19 februari 2026;
  • het e-mailbericht van de vader van 23 februari 2026;
  • F9 formulier van mr. Vos; van 24 februari 2026;
  • de beschikking van de wrakingskamer van 1 april 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het bericht van mr. Vos van 7 april 2026;
  • het e-mailbericht van de vader van 8 april 2026;
  • het e-mailbericht van de vader van 13 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader bijgestaan door B. Begic, tolk in de Bosnische taal;
- de moeder met haar advocaat;
- [persoon 1] en [persoon 2], zittingsvertegenwoordigers van de Raad;
- [persoon 3], jeugdbeschermer, en [persoon 4], jurist, van de GI.

2.De verdere feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 april 2025 zijn de vader en de moeder in de uitoefening van hun gezag over [minderjarige] geschorst. Het gerechtshof Den Haag heeft op 10 september 2025 de beslissing om het gezag van de moeder te schorsen vernietigd en de beslissing om de vader te schorsen in zijn gezag in stand gelaten. De moeder is dus thans belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
[minderjarige] is door de kinderrechter op 30 augustus 2022 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is op 30 augustus 2025 van rechtswege geëindigd.

3.De (aangehouden) verzoeken

3.1.
C/10/702700 / FA RK 25-5113De Raad verzoekt op 2 juli 2026 pro forma om het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de zaak aan te houden voor de duur van drie maanden. De Raad dient op 23 december 2025 een gewijzigd verzoek in. De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
C/10/712497 / JE RK 25-2698
De Raad verzoekt op 29 december 2025 om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor een periode van een jaar.
3.3.
Zelfstandige verzoeken van de vader
De vader heeft op 17 juli 2025 verzocht om een nieuwe zorgregeling op grond van 1:265g BW te bepalen. De vader heeft op 19 februari 2026 verzocht om benoeming van een bijzondere curator, om een contra-expertise op grond van –
naar de rechtbank begrijpt– artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en dat een onafhankelijke derde de omgang met [minderjarige] begeleidt met de moeder en met de vader.
3.4.
Zelfstandige verzoeken (gewijzigd) van de moeder C/10/691399 FA RK 24-9427Het verzoek ingeschreven onder zaaknummer C/10/691399 FA RK 24-9427 betreft een verzoek van de vader, dat hij per e-mail van 11 april 2025 en per e-mail van 1 oktober 2025 heeft ingetrokken. In die procedure is door een moeder op 15 januari 2025 een verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift ingediend. Op 29 oktober 2025 heeft de moeder haar zelfstandig verzoek gewijzigd
.De moeder verzoekt:
I.
Het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat de vrouw voortaan alleen
het gezag uitoefent over [minderjarige];
subsidiair het hoofdverblijf van [minderjarige] te bepalen bij de vrouw.
II.
Het vonnis van de rechtbank van 1 februari 2023 te wijzigen in die zin dat de
man het recht op omgang met [minderjarige] wordt ontzegd;
subsidiair dat het wijkteam de regie krijgt over de vaststelling en uitvoering van de zorgregeling/omgangsregeling tussen de man en [minderjarige].
De moeder heeft ter zitting haar zelfstandig verzoek gewijzigd in die zin, dat zij thans primair verzoekt het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging van de vader toe te wijzen. Indien de rechtbank het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging van de vader afwijst, handhaaft de moeder haar verzoeken van 29 oktober 2025.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter zitting zijn verzoeken gehandhaafd. De Raad maakt zich grote zorgen over [minderjarige]. Zij zit al jarenlang klem tussen de ouders. De ruim drie jaar durende ondertoezichtstelling heeft de ontwikkelingsbedreiging niet weg kunnen nemen. [minderjarige] vindt het lastig om over de twee meest belangrijke personen in haar leven te praten. Het was met name bij de overdrachtsmomenten goed te zien dat zij klem zit. Zij had er last van en zij vertoonde stress. Het wantrouwen van de vader, al dan niet terecht, is groot. De samenwerking met de vader is niet mogelijk gebleken. Gelukkig komt [minderjarige] nu wel toe aan kind zijn. Daar heeft zij recht op. Zij zit op een sportclub en spreekt met vriendinnetjes af. De gezagsbeëindiging van de vader zal leiden tot eenhoofdig gezag bij de moeder. [minderjarige] zal zo minder klem komen te zitten. De Raad acht nog wel een ondertoezichtstelling nodig, ondanks dat de moeder de hulp accepteert. De moeder moet niet in de positie geplaatst worden waarbij zij partij is en tevens de regie moet voeren in een omgangsregeling met de vader.
4.2.
De vader heeft verzocht de verzoeken van de Raad en van de moeder af te wijzen.
Aan de wettelijke gronden voor een gezagsbeëindiging wordt niet voldaan. Er is strijd met artikel 8 EVRM Pro. Dat de ouders niet op een lijn liggen, is geen grond om het gezag van de vader te beëindigen, dat volgt ook uit de internationale jurisprudentie. Een gezagsbeëindiging zou ook schadelijk voor [minderjarige] zijn. Er moeten goede voorwaarden aan de ouders worden opgelegd. De vader heeft [minderjarige] nu bijna een jaar niet gezien. Over de omgang merkt de vader op dat de omgang hem niet kan worden ontzegd, omdat die omgang er feitelijk niet is. De vader voelt zich gechanteerd en gediscrimineerd vanwege zijn geloof.
De moeder accepteert het geloof van de vader niet. Als hij niet doet wat de instanties zeggen, ziet hij zijn kind niet. [minderjarige] heeft haar hele leven bij de vader gewoond. Zij is gewoonweg ontvoerd. De rapporten zijn op niets gebaseerd. Er is valsheid in geschrifte gepleegd door de Raad. De vader heeft wel hulp gezocht. De vader weigert ook geen hulp. De vader ontvangt wekelijks thuiszorg in het kader van de WMO. De vader wordt gestraft voor iets dat hij niet heeft gedaan. De vader verzoekt om een contra-expertise. De vader wil nader onderzoek, alleen niet door het KSCD. De vader heeft de GI talloze andere opties voorgehouden van organisaties die onderzoek kunnen doen. Daar is geen gehoor aan gegeven. De rechtbank kan daar nu een opdracht toe geven. Er wordt niet gekeken naar het belang van [minderjarige], iedereen is op de hand van de moeder. Er zijn valse uitlatingen gedaan over het stalkingsproctocol. Het is allemaal onzin, de moeder is geen slachtoffer. Iedereen jaagt op de vader, zoals de politie en Veilig Thuis. Als de vader niet voor [minderjarige] mag spreken, dan moet er iemand anders voor haar optreden. De vader verzoekt daarom om een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen, die als onafhankelijke derde naar de zaak kijkt.
4.3.
Door en namens de moeder is verzocht het verzoek tot gezagsbeëindiging van de vader toe te wijzen. Sinds de schorsing van het gezag van de vader is er veel meer rust, regelmaat en ruimte gekomen. [minderjarige] kan nu naar zwemles, naar taekwondo en aan toernooien meedoen. [minderjarige]’s vriendinnetjes komen thuis spelen en soms ook logeren en zij gaat ook uit logeren bij vriendinnetjes. Ze geniet er zichtbaar van. Ze is ook meer open geworden en ze zit beter in haar vel. Eerder liep zij vooral op haar tenen. Het sociale netwerk van de moeder heeft zich ook uitgebreid. Haar kennis van de Nederlandse taal is sterk verbeterd en zij helpt ook op school. De moeder is sterker geworden. Het verzoek van de Raad om [minderjarige] weer onder toezicht te stellen moet worden afgewezen. De moeder accepteert alle hulpverlening en er zijn ook geen zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Een ondertoezichtstelling zou dus per saldo neerkomen op een omgangsondertoezichtstelling. Daarbij heeft de vorige ondertoezichtstelling niet tot verbetering geleid. Het Raadsrapport is ook tegenstrijdig op dit punt. De GI kan binnen een ondertoezichtstelling weinig bewerkstelligen bij de vader zonder gezag. Sinds de GI de zaak heeft overgedragen aan het wijkteam, komt Driehoekszorg wekelijks praten met [minderjarige]. De moeder kan met vragen bij het wijkteam terecht. De vader wil niet door de moeder geïnformeerd worden over [minderjarige]. Indien hij zou aangeven dat alsnog te willen, dan zal de moeder daar gehoor aan geven. Als de vader aan de randvoorwaarden zoals die door de Raad zijn voorgesteld zou voldoen, kan de moeder zich vinden in begeleide omgang. Tot die tijd moet de vader de omgang ontzegd worden. De vader moet psycho-educatie volgen en aan [minderjarige] laten zien dat er plek is voor beide ouders in haar leven. De vader geeft geen blijk inzicht te hebben in zijn gedrag. De vader is niet bereid psycho-educatie te volgen, hij vindt dat niet nodig. Indien er door de rechtbank nu een omgangsregeling zou worden vastgesteld, terwijl de vader nog niet aan de randvoorwaarden voldoet, zal dat weer leiden tot discussies, strijd en procedures. Datzelfde geldt ook voor een benoeming van een bijzondere curator. Het zou ook betekenen dat [minderjarige] weer moet gaan praten met een nieuw persoon. Zij kan praten met Driehoekszorg. De vader lijkt een bijzondere curator te willen ter vervanging van zijn gezag. Daar is een bijzondere curator niet voor bedoeld. De moeder biedt overigens wel ruimte voor contact tussen de vader en [minderjarige]. Zij kunnen over en weer kaartjes en cadeautjes sturen en dat is ook al gebeurd.
4.4.
De GI heeft ter zitting aangegeven het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging van de vader, te onderschrijven. De GI is echter van mening dat een nieuwe ondertoezichtstelling weinig kans van slagen heeft. De afgelopen jaren heeft de GI heel veel geprobeerd. Er is de vader ook persoonlijke hulpverlening voorgesteld. De vader heeft overal procedures tegen ingesteld, bij de rechtbank, het SKJ, de klachtencommissies van de GI en de Raad en stichting BOOR. De vader wil de regie houden. Indien de vader het gevoel krijgt de regie te verliezen, dan start hij een procedure. Ook zonder gezag kan de vader binnen een ondertoezichtstelling nog heel veel procedures starten. In het verleden is de GI daar wekelijks urenlang mee bezig geweest. (Vrijwel) alle tijd die de GI ter beschikking had voor het gezin is opgegaan aan procedures, en is niet ten goede gekomen aan [minderjarige]. [minderjarige] is binnen de vorige ondertoezichtstelling van een onbevangen peuter in een schuchter meisje veranderd. Het ligt aan de vader dat er op dit moment geen omgang is. De sleutel ligt bij de vader. Als hij psycho-educatie zou volgen, de situatie zoals die nu is zou accepteren en er een duurzame hulpverleningsrelatie zou ontstaan, dan is begeleide omgang weer mogelijk. De hulpverlening van de moeder en [minderjarige] is in het vrijwillige kader geborgd.

5.De beoordeling

C/10/702700 / FA RK 25-5113: het verzoek tot gezagsbeëindiging
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de vader is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals de beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd en kan de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. [2]
5.4.
[minderjarige] groeit op in strijd. De vader en de moeder zijn al zes jaar verwikkeld in een juridische strijd, zowel ten aanzien van het gezag of gezagsbeslissingen als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige]. Zo is onder andere sinds [minderjarige] naar school gaat de verdeling van alle schoolvakanties jaarlijks steevast ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd, al dan niet via een kort gedingprocedure. [minderjarige] heeft feitelijk sinds haar geboorte voortdurend onder spanning gestaan en in onzekerheid geleefd door de strijd van de ouders en de daarmee gepaard gaande emoties van de ouders zoals boosheid, frustratie, angst en verdriet. Overmatige stress heeft grote gevolgen voor haar sociaal, emotioneel en cognitieve ontwikkeling en haar loyaliteit naar beide ouders staat hevig onder druk.
De insteek van de rechtbank is steeds geweest dat het voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] van belang is dat beide ouders op gelijkwaardige wijze bij haar betrokken blijven. In haar beschikking van de rechtbank van 6 juli 2023 heeft de rechtbank een verzoek van de Raad om het gezag van de ouders te beëindigen en de verzoeken van respectievelijk de vader en de moeder om over en weer het gezag te beëindigen afgewezen. De rechtbank gaf in haar beschikking aan dat zij het in het belang van [minderjarige] vond dat “
de ouders gaan samenwerken, hun communicatie gaan verbeteren en werken aan gezamenlijke invulling van het ouderschap”. Een gelijkwaardige positie is ook doorgevoerd in de beslissing van de rechtbank van 8 april 2025 om het gezag van beide ouders te schorsen, om op die wijze een doorbraak in de impasse te forceren. De rechtbank moet constateren dat alle voorgaande beslissingen helaas niet tot een wezenlijke verandering hebben geleid in hoe de ouders zich tot elkaar verhouden. [minderjarige] blijft klem zitten in de strijd en moet laveren tussen de heftige emoties van haar vader en die van haar moeder, waarvan zij nu zij inmiddels bijna 8 jaar is, zich steeds meer van bewust wordt.
5.5.
In de afgelopen jaren is in toenemende mate duidelijk geworden, dat de gedachte van ‘waar twee vechten, hebben twee schuld’ in deze zaak niet opgaat en het zwaartepunt van de strijd bij de vader ligt. De vader voert namelijk ook een niet aflatende strijd tegen de instanties. Hierbij is een patroon zichtbaar geworden, waarin dwang en dwingende controle bij de vader, al dan niet bewust, de boventoon voeren. Bij de vader is ook sprake van een diepgeworteld wantrouwen tegen de instanties en de Nederlandse overheid. Of hier psychopathologie aan ten grondslag ligt is onduidelijk, omdat de vader nader onderzoek weigert als dat niet op zijn voorwaarden gaat. Wat de rechtbank op grond van de stukken en haar eigen bevindingen ziet is dat als de vader het gevoel krijgt de controle te verliezen, hij dan de weg volgt van het traineren, het weigeren van toestemming of medewerking, het indienen van klachten, het instellen van procedures of het indienen van wrakingsverzoeken. Illustratief voor de krampachtige behoefte van de vader om grip te houden op situaties, is dat de vader het zelf als chantage ervaart als de instanties iets van hem vragen wat hij niet wil doen. Tekenend is ook dat in onderhavige zaken drie opeenvolgende advocaten van de vader zich hebben onttrokken en de vader ondanks zijn recht op kosteloze rechtsbijstand van een gespecialiseerde advocaat waar hij door de rechtbank meerdere malen op gewezen is, zonder advocaat een groot deel van de procedure heeft gevoerd en ter zitting is verschenen. De dominante opstelling van de vader heeft in meer of mindere mate geleid tot handelingsverlegenheid bij alle betrokkenen en tot een stroperige gang van zaken. Op 17 april 2024 heeft de GI de Raad verzocht een onderzoek te starten naar een gezagsbeëindigende maatregel. Mede door klachten van de vader tegen de Raad c.q. raadsmedewerkers van locatie Rotterdam is het onderzoek pas op 23 december 2025 afgerond door de Raad locatie Breda. Op 6 juli 2026, zeven maanden later – welke vertraging mede is veroorzaakt door een zoveelste afgewezen wrakingsverzoek van de vader – is het verzoek van de Raad pas inhoudelijk ter zitting behandeld.
5.6.
Wat uit de stukken naar voren komt, maar ook ter zitting duidelijk naar voren is gekomen, is dat bij de vader enig zelfinzicht ontbreekt. Volgens de vader is er niets mis met hem, heeft hij geen psycho-educatie nodig, zijn er geen problemen in zijn ouderschap en zou dat ook blijken uit onderzoek van een Bosnische psychiater. De procedures die de vader voert zijn volgens hem alleen een reactie op de handelingen vanuit de GI, de moeder en andere instanties. Hij verwijt de instanties en de moeder dat zij de vader buiten spel willen zetten en dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelen. Op die wijze legt de vader alle zorgen buiten zichzelf en is sturing op verandering van zijn gedrag nagenoeg onmogelijk.
5.7.
De rechtbank constateert op grond van het voorgaande dat zij geen basis meer ziet voor een gezamenlijke uitoefening van het gezag. Alle interventies die de afgelopen jaren zijn geprobeerd, van mediation tot aan Parallel Solo Ouderschap, om aan een gezamenlijke invulling van het ouderschap te werken zijn gestagneerd omdat de vader deze (uiteindelijk) blokkeert. Het is ook duidelijk dat de vader de moeder stelselmatig blijft diskwalificeren en alle schuld bij haar legt. Hij laat zich zeer laatdunkend en kwetsend uit over de moeder van zijn kind. Het rapport van de Raad vermeldt dat vader is veroordeeld voor eenvoudige belediging met een pleegperiode van 11 december 2023 tot en met 10 januari 2024. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat die belediging aan de moeder gericht was. De vader lijkt niet te kunnen verkroppen dat de moeder voor een andere weg dan die van (een relatie met) de vader heeft gekozen. Dat de moeder ook een aandeel heeft in de verstoorde relatie staat in geen verhouding tot de overreactie van de vader.
5.8.
Waar er eerst voortdurend strijd was over voor [minderjarige] belangrijke zaken, zoals over de inzet van therapie, school, tandartsbezoek, zwemles en het vieren van de feestdagen, is sinds de schorsing van het gezag van de vader gebleken dat [minderjarige] gedijt in de rust die is ontstaan en dat zij eindelijk toekomt aan haar sociale ontwikkeling. Zij spreekt af met vriendinnetjes, zit op zwemles en is lid van een sportclub. De rechtbank vindt het heel belangrijk voor [minderjarige] dat deze positieve lijn wordt gecontinueerd.
5.9.
Anders dan de vader stelt, acht de rechtbank op grond van het voorgaande dat een gezagsbeëindiging van de vader gerechtvaardigd is. De rechtbank verwijst daarbij naar de overwegingen in het arrest van het hof Amsterdam van 24 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1469.
“Als het gezamenlijk gezag dan wel de uitvoering daarvan zodanige belastende conflicten of problemen oplevert voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor diens ontwikkeling, is een gezagsbeëindiging in een complexe scheiding gerechtvaardigd.”Voor zover de vader heeft willen betogen dat indien zijn gezag wordt beëindigd, ook het gezag van de moeder dient te worden beëindigd, ziet de rechtbank daarvoor geen gronden. De moeder werkt mee aan alle hulpverlening en er zijn geen zorgen over de opvoedsituatie die zij [minderjarige] biedt.
5.10.
Door de beëindiging van het gezag van de vader heeft voortaan alleen de moeder het gezag over [minderjarige].
5.11.
De rechtbank verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
C/10/712497 JE RK 25-2698 : het verzoek tot ondertoezichtstelling
5.12.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de Raad dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Niet alleen heeft [minderjarige] op dit moment geen contact met de vader, de rechtbank maakt zich ook zorgen over hoe de moeder en [minderjarige] zich tegenover de vader moeten gaan verhouden nu er een definitieve beslissing over het gezag is genomen. Toch zal de rechtbank het verzoek van de Raad afwijzen. De GI is in de afgelopen jaren onderdeel geworden van de strijd. De vader heeft op verschillende wijzen zijn ongenoegen over de GI laten blijken, ook direct – en onnodig grievend – gericht op de persoon van de destijds betrokken jeugdbeschermer. Ook bij benoeming van een eventuele andere gecertificeerde instelling acht de rechtbank de maatregel niet doelmatig. De vader zal gelet op de voorgeschiedenis geen inmenging accepteren die anders is dan zijn zienswijze en omdat hij geen gezag meer heeft zal een gecertificeerde instelling ook geen middelen hebben zoals een schriftelijke aanwijzing om de vader ergens toe te kunnen bewegen.
De rechtbank voegt hieraan toe dat in een eerdere procedure al is gebleken dat er geen andere gecertificeerde instelling bereid was de destijds lopende ondertoezichtstelling over te nemen. De moeder accepteert alle hulpverlening in het vrijwillig kader. De moeder en [minderjarige] worden begeleid door Driehoekszorg. Ook dit maakt dat een ondertoezichtstelling op dit moment niet nodig is.
De zelfstandige verzoeken van de vader en de moeder over de omgang
5.13.
De vader heeft op 17 juli 2025 verzocht een nieuwe zorgregeling vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] waarbij [minderjarige] een keer per 14 dagen een weekend bij de moeder verblijft en heeft op 19 februari 2026 verzocht om – naar de rechtbank begrijpt – zowel begeleide omgang tussen [minderjarige] en de moeder als tussen [minderjarige] en de vader. De moeder heeft primair verzocht de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, subsidiair dat het wijkteam de regie krijgt over de vaststelling en de uitvoering van de zorg/omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige].
5.14.
De beëindiging van het gezag van de vader maakt dat de moeder het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige], waardoor [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Er is dan ook geen grond voor het vaststellen van een zorgregeling met de moeder. Dit verzoek van de vader wordt afgewezen. De rechtbank merkt verder op dat nu de vader geen gezag meer heeft er in het vervolg gesproken zal worden van een omgangsregeling.
5.15.
De rechtbank stelt vast dat er feitelijk geen omgangsregeling is tussen [minderjarige] en de vader op dit moment. De GI heeft tijdens de schorsing van het gezag van de vader de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] opgeschort en heeft bepaald dat er begeleide omgang zal plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] op het kantoor van de GI gedurende een uur per week. De vader heeft echter geweigerd om hieraan mee te werken. De GI heeft geen bemoeienis meer sinds het beëindigen van de ondertoezichtstelling en daaropvolgend de beëindiging van de voorlopige voogdij. De zaak is overgedragen aan het wijkteam. [minderjarige] woont inmiddels volledig bij de moeder. De vader heeft, doordat hij niet heeft willen meewerken aan de begeleide omgang, [minderjarige] al een jaar niet gezien. Dit alles maakt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de omgang tussen [minderjarige] en de vader moet worden gewijzigd.
5.16.
De rechtbank acht een ontzegging op grond van artikel 1:377a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek op dit moment echter te vergaand. Er is liefde tussen de vader en [minderjarige]. De vader handelt weliswaar niet in het belang van [minderjarige], maar wil wel in haar belang handelen en is ook ten volle overtuigd dat hij dat doet. Dat elke vorm van omgang ernstig fysiek of geestelijk nadeel oplevert voor de ontwikkeling van [minderjarige] staat voor de rechtbank op dit moment dan ook niet vast. Het verzoek van de moeder tot ontzegging van de omgang zal daarom worden afgewezen.
5.17.
De rechtbank zal echter wel bepalen dat er op dit moment geen omgangsregeling zal gelden tussen [minderjarige] en de vader. Omgang zoals die plaatsvond was te emotioneel belastend voor [minderjarige]. De vader was met name tijdens de overdrachtsmomenten zijn frustraties onvoldoende de baas. Als de vader in staat zou zijn om zijn frustraties een plek te geven en om zijn focus te verleggen naar een positief en fijn contact tussen hem en [minderjarige], zouden de vader en [minderjarige] daar beiden veel baat bij hebben en zou er wel omgang plaats kunnen vinden. De Raad heeft daartoe in zijn rapport een duidelijk stappenplan voor de omgang voorgesteld. Dit plan wordt door de rechtbank onderschreven. De vader moet eerst psycho-educatie krijgen. Daarnaast wordt de vader geadviseerd een psychodiagnostisch onderzoek te doen zodat kan worden gekeken wat er nodig is voor de vader om onder meer samen te werken met de instanties. Als de vader vervolgens beter kan aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] en de moeder accepteert in het leven van [minderjarige] dient te worden gestart met omgang tussen [minderjarige] en de vader onder begeleiding. Het is aan de vader om contact op te nemen met het wijkteam om hulp te vragen bij de uitvoering van dit stappenplan.
De overige zelfstandige verzoeken van de moeder
5.18.
Nu het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging van de vader is toegewezen, heeft de moeder geen belang meer bij de behandeling van haar verzoek tot eenhoofdig gezag, dan wel bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar. Deze verzoeken zullen worden afgewezen.
De overige zelfstandige verzoeken van de vader
5.19.
Bijzondere curatorDe vader heeft om een bijzondere curator verzocht omdat hij het gevoel heeft dat er niemand naar hem luistert als het om het belang van [minderjarige] gaat. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Er is door de vader onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van een belangenstrijd zoals bedoeld in artikel 1:250, eerste lid, BW. De vader vereenzelvigt zijn eigen belang met dat van [minderjarige]. De vader wil naar het oordeel van de rechtbank geen onafhankelijke derde die opnieuw naar de situatie kijkt en de belangen van [minderjarige] behartigt, maar iemand die zijn standpunten zal bevestigen. Dat is niet de taak van een bijzondere curator. Bovendien acht de rechtbank het benoemen van een bijzondere curator niet in het belang van [minderjarige] omdat zij dan opnieuw zou worden blootgesteld aan een onderzoek. Het is na een strijd van zes jaar van belang dat nu duidelijkheid ontstaat voor [minderjarige] over haar opvoedsituatie. Nader onderzoek, dat tijd zal kosten, staat hiermee op gespannen voet. [minderjarige] is thans gebaat bij rust en continuïteit en het is daarnaast niet in haar belang om belast te worden door een onderzoek waarbij zij, nu zij binnenkort 8 jaar wordt, ook meer rechtstreeks bij betrokken zal gaan worden.
5.20.
Contra-expertiseDe vader heeft om een contra-expertise verzocht, vanwege – naar de rechtbank het standpunt van de vader begrijpt – het eenzijdige karakter van het rapport van de Raad. Er is volgens de vader eenzijdig naar de zorgen gekeken. De zorgen die de vader heeft geuit zijn niet onderzocht of worden genegeerd, hetgeen in strijd is met ratio van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank wijst het verzoek van de vader af. Het Raadsonderzoek is naar het oordeel van de rechtbank zeer uitgebreid, zorgvuldig en afgewogen. De rechtbank overweegt daarnaast dat een verzoek op grond van artikel 810, tweede lid, Rv zo concreet mogelijk moet aangegeven op welke punten het onderzoek van een deskundige zich zal gaan richten. De vader stelt slechts in algemeenheden waar het tegenonderzoek zich op zou moeten richten. Bovendien verzet het belang van [minderjarige] zich tegen een contra-expertise, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.19. is overwogen.
5.21.
Ingetrokken verzoeken
Bij e-mail van 1 oktober 2025 heeft de vader zijn verzoeken ingeschreven onder zaaksnummers C/10/704341/ FA RK 25/5879, C/10/703589/ JE RK 25/1494, C/10/697589/ JE RK 25/713 en C/10/693118/ FA RK 25/523 en C/10/691399 FA RK 24-9427 ingetrokken. Als gevolg hiervan kunnen de gronden van deze verzoeken niet meer onderzocht worden. De rechtbank wijst deze verzoeken daarom af.

6.De beslissing

De rechtbank:
C/10/702700 / FA RK 25-5113
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[naam vader], geboren op [geboortedatum 2] 1986 in [geboorteplaats 2], over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ([geboorteland]), waardoor voortaan alleen de moeder het ouderlijk gezag over deze minderjarige uitoefent;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
C/10/712497 JE RK 25-2698
6.3.
wijst af het verzoek van de Raad tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige];
zelfstandige verzoeken met betrekking tot de omgang (C/10/702700 / FA RK 25-5113 en C/10/691399 FA RK 24-9427)
6.5.
wijst af de zelfstandige verzoeken van de vader en de moeder af met betrekking tot de omgang;
6.6.
bepaalt dat er thans geen omgangsregeling geldt tussen de vader en [minderjarige], onder verwijzing naar de stappen die de vader in dit verband eerst moet zetten zoals overwogen onder r.o. 5.17.;
overige zelfstandige verzoeken (C/10/702700 / FA RK 25-5113 en C/10/691399 FA RK 24-9427)
6.7.
wijst het overig verzochte af, voorzover daar nog niet eerder is op beslist;
ingetrokken verzoeken;
6.8.
wijst af de ingetrokken verzoeken ingeschreven onder zaaknummers C/10/704341/ FA RK 25/5879, C/10/703589/ JE RK 25/1494, C/10/697589/ JE RK 25/713, C/10/693118/ FA RK 25/523 en C/10/691399 FA RK 24-9427.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.I. Hendriks-van Wel, voorzitter, tevens kinderrechter mr. A.C. Siemons en mr. K.T.F. Chocolaad-De Bos, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026, in aanwezigheid van mr. V.A. Versloot als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.