ECLI:NL:RBROT:2026:904

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
11861645 VZ VERZ 25-5862
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:15 lid 1 sub b BWArt. 5:139 BWArt. 5:140 BWArt. 288 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten VvE-vergadering wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

De zaak betreft een geschil tussen twee leden van een Vereniging van Eigenaars (VvE) over besluiten genomen tijdens een vergadering op 3 augustus 2025. De bestuurder van de VvE had de vergadering verplaatst naar een datum waarop de andere eigenaar vanwege een verblijf in het buitenland niet aanwezig kon zijn. De kantonrechter oordeelt dat dit handelen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 BW Pro, omdat de bestuurder geen rekening hield met de verhindering van de mede-eigenaar, terwijl dit eenvoudig mogelijk was gezien het kleine aantal leden.

Het aanvullende verzoek van de mede-eigenaar om de splitsingsakte te wijzigen en het bestuur te ontbinden wordt niet toegelaten. Dit verzoek kwam kort voor de zitting en betrof een zelfstandige eis met een andere juridische grondslag, waardoor het indienen ervan in strijd was met de goede procesorde. Bovendien ontbrak een opgave van beperkt gerechtigden die volgens artikel 5:139 BW Pro betrokken moeten worden bij een dergelijke procedure.

De kantonrechter veroordeelt de VvE tot betaling van de proceskosten, die hoger worden vastgesteld dan het standaardtarief vanwege de voorgeschiedenis en het handelen van de bestuurder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en vernietigt de besluiten van de vergadering van 3 augustus 2025, wijst het aanvullende verzoek af en veroordeelt de VvE in de kosten.

Uitkomst: De kantonrechter vernietigt de besluiten van de VvE-vergadering van 3 augustus 2025 wegens strijd met redelijkheid en billijkheid en wijst het aanvullende verzoek tot splitsingsaktewijziging af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11861645 VZ VERZ 25-5862
datum uitspraak: 13 januari 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. D.A. Evertsz,
tegen
Vereniging van Eigenaars [naam VvE] te [plaats],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster,
vertegenwoordigd door: mevrouw [persoon A]
De partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘de VvE’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift (ontvangen op 2 september 2025), met bijlagen;
  • het verweerschrift van de VvE, met bijlagen;
  • de akte vermeerdering van eis (ontvangen op 5 december 2025), met bijlagen;
1.2.
Op 16 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [verzoeker] en zijn gemachtigde aanwezig. De bestuurder van de VvE ( [persoon A] ) heeft die dag om 13.36 uur per e-mail laten weten dat zij niet bij de zitting van 14.30 uur aanwezig zou kunnen zijn vanwege een verblijf in het buitenland en dat zij ervan uitging dat de zitting niet zou doorgaan. De kantonrechter heeft besloten om de zitting wel te laten doorgaan, omdat het uitstelverzoek door [persoon A] pas één uur vóór de zitting is gedaan en zij niet heeft uitgelegd waarom zij niet eerder om uitstel kon vragen.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
De onroerende zaak [naam object] in Rotterdam is gesplitst in twee appartementsrechten. [verzoeker] is eigenaar van een appartementsrecht aan de [adres 1] in Rotterdam (de bovenverdieping). [persoon A] is eigenaar van het appartementsrecht aan de [adres 2] in Rotterdam (de begane grond). Zij zijn samen van rechtswege (verplicht) lid van de VvE. [persoon A] is bestuurder van de VvE.
2.2.
Tussen partijen zijn al talloze procedures gevoerd over onder meer besluiten die door de VvE zijn genomen, de jaarstukken en de manier waarop [persoon A] zich als bestuurder van de VvE gedraagt. Deze procedure gaat over besluiten die op de vergadering van 3 augustus 2025 zijn genomen. [verzoeker] vindt dat deze besluiten vernietigd moeten worden en heeft de kantonrechter gevraagd dat te doen. De VvE vindt dat de besluiten in stand moeten blijven.
2.3.
[verzoeker] heeft op 5 december 2025 een aanvullend verzoek gedaan en vraagt een machtiging van de kantonrechter om de splitsingsakte te wijzigen (artikel 5:140 BW Pro). Onderdeel van de voorgestelde wijziging is dat geen van de leden van de VvE nog als bestuurder kan optreden. De VvE heeft in de e-mail van 16 december 2025 (waarin om uitstel voor de zitting werd gevraagd) bezwaar gemaakt tegen dit aanvullende verzoek en ook (kort) inhoudelijk daarop gereageerd.
De kantonrechter vernietigt de besluiten van 3 augustus 2025
2.4.
De kantonrechter vernietigt de besluiten die in de vergadering van 3 augustus 2025 zijn genomen, omdat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW Pro zijn genomen. Artikel 2:15 lid 1 sub b BW Pro bepaalt dat een besluit in zo’n geval vernietigbaar is. De besluiten van 3 augustus 2025 zijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat [persoon A] [verzoeker] niet de gelegenheid heeft geboden om bij de vergadering aanwezig te zijn en daarin zijn stem uit te brengen, terwijl dat wel van haar mocht worden verwacht. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.5.
[persoon A] heeft, in haar hoedanigheid van bestuurder van de VvE, op 12 juli 2025 een uitnodiging aan [verzoeker] gestuurd voor de vergadering van eigenaars op 27 juli 2025. [verzoeker] heeft op 20 juli 2025 per e-mail aan [persoon A] gevraagd om de vergadering te verplaatsen, omdat hij van 26 juli tot en met 18 augustus 2025 in het buitenland zou verblijven. Hij heeft gevraagd om de vergadering te verplaatsen naar een moment na zijn terugkomst. [persoon A] heeft nog diezelfde dag aan de gemachtigde van [verzoeker] laten weten dat [verzoeker] een nieuwe oproep zal ontvangen voor de vergadering. Na terugkomst van zijn verblijf in het buitenland constateerde [verzoeker] dat [persoon A] de verplaatste vergadering al had gehouden en wel op 3 augustus 2025. Alleen al het houden van de verplaatste vergadering op deze datum, ongeacht het feit dat [verzoeker] hiervoor een nieuwe uitnodiging zou hebben ontvangen, is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die voortvloeit uit artikel 2:8 BW Pro. De redelijkheid en billijkheid brengen dan met zich dat [persoon A] rekening had moeten houden met de verhinderingen die door [verzoeker] waren opgegeven. Dit geldt temeer nu de VvE maar uit twee leden bestaat, zodat het ook eenvoudig is om rekening te houden met elkaars verhinderingen. Uit niets blijkt dat het ging om besluiten die op korte termijn moesten worden genomen en dat niet kon worden gewacht op de terugkomst van [verzoeker] .
2.6.
Omdat de besluiten alleen al om deze reden vernietigd worden, hoeven de inhoudelijke bezwaren van [verzoeker] tegen de besluiten niet besproken te worden.
De kantonrechter staat het aanvullende verzoek niet toe
2.7.
De kantonrechter staat het aanvullende verzoek dat [verzoeker] op 5 december 2025 heeft gedaan niet toe, omdat deze vermeerdering van eis in strijd is met een goede procesorde. Hoewel de eisvermeerdering elf dagen vóór de geplande zitting is toegestuurd aan de kantonrechter en aan de VvE, en daarmee binnen de termijn voor het indienen van nadere stukken, betekent dit niet automatisch dat de eisvermeerdering daarmee toelaatbaar is. Het gaat hier niet om een ‘standaardvermeerdering’, waarbij bijvoorbeeld een vordering tot het betalen van een bepaald bedrag wordt verhoogd omdat er nieuwe termijnen opeisbaar zijn geworden, of een extra eis die direct voortvloeit uit de al ingestelde eisen. Het gaat om een zelfstandig verzoek, met een andere juridische grondslag en een ander beoordelingskader dan een verzoek tot vernietiging van besluiten. Het kan zo zijn dat de feiten die aan het aanvullende verzoek ten grondslag liggen grotendeels hetzelfde zijn (dat geldt dan met name voor de achtergrond), maar dit maakt het nog geen verzoek dat logisch voortvloeit uit de oorspronkelijke verzoeken.
2.8.
Daarbij komt dat artikel 5:139 BW Pro voorschrijft dat voor een wijziging van de splitsingsakte toestemming nodig is van degenen die een beperkt recht hebben op een appartementsrecht of daarop beslag hebben gelegd. Deze beperkt gerechtigden en/of beslagleggers zijn belanghebbenden bij het verzoek en moeten in een procedure als bedoeld in artikel 5:140 BW Pro door de rechtbank worden opgeroepen. [verzoeker] heeft in zijn verzoek niets vermeld over eventuele belanghebbenden, laat staan dat de rechtbank gelegenheid heeft gehad om hierover tijdig navraag te doen en eventuele belanghebbenden op te roepen. De kantonrechter oordeelt dat verzoeken als deze, die bij de rechtbank een uitgebreide voorbereiding vergen, niet kunnen worden gedaan op een moment kort voor een al geplande zitting zonder dat dit strijd met de goede procesorde oplevert. Van een proceseconomisch voordeel, zoals [verzoeker] heeft gesteld, is dus ook geen sprake.
De VvE moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van de VvE, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter ziet aanleiding om een hogere vergoeding dan het standaard liquidatietarief aan [verzoeker] toe te kennen en eveneens te bepalen dat de VvE de proceskostenveroordeling niet over [verzoeker] mag omslaan. Dit betekent in praktische zin dus dat [persoon A] als enig ander lid de kosten volledig zelf zal moeten dragen.
2.10.
De reden voor een hogere proceskostenveroordeling en de daaraan gestelde voorwaarde is – wederom – de gang van zaken die tot deze procedure heeft geleid. Zeker gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen, waarin (bijna) elke vergadering aanleiding geeft tot een nieuwe procedure, had [persoon A] zich moeten realiseren dat zij geen vergadering kon houden op een moment dat [verzoeker] in het buitenland was, terwijl hij uitdrukkelijk had gevraagd om de vergadering te verplaatsen naar een moment na zijn terugkomst in Nederland. Door desondanks toch een vergadering te houden op 3 augustus 2025, heeft [persoon A] deze procedure zelf uitgelokt. Daarbij past niet dat de kosten die [verzoeker] heeft moeten maken voor zijn gemachtigde slechts ‘gedekt’ worden door het standaard liquidatietarief. De kantonrechter acht een vergoeding gelijk aan het dubbele van dit tarief in de gegeven omstandigheden redelijk.
2.11.
Gelet op het voorgaande begroot de kantonrechter de kosten die de VvE aan moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 1. 356,- aan salaris voor de gemachtigde (2× 2 punten × € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.491,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
vernietigt de besluiten die zijn genomen op de VvE-vergadering van 3 augustus 2025;
3.2.
veroordeelt de VvE in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] worden begroot op € 1.491,-, en bepaalt dat de VvE deze kosten niet mag omslaan over [verzoeker] ;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
51909