ECLI:NL:RBROT:2026:9073

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
10/142241-24 & 10/081381-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en mishandeling met voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte schuldig bevonden aan poging tot doodslag op 24 april 2024 te Hoogvliet Rotterdam en mishandeling van zijn levensgezel op 9 maart 2024. De verdachte maakte met een zelfgemaakt steekwapen (shank) zwaaiende bewegingen richting het hoofd van het slachtoffer, wat de rechtbank kwalificeert als poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet. Daarnaast mishandelde hij zijn levensgezel door onder meer slaan, vastpakken bij de nek en het trekken van een vlecht.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers, politieprocessen-verbaal, camerabeelden en het verhoor van de verdachte. De verdachte erkende het zwaaien met het steekwapen, maar ontkende opzet op doodslag. De rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.

De verdachte heeft een strafblad met soortgelijke feiten en een Pro Justitia rapport concludeerde dat hij een matige verstandelijke beperking en diverse stoornissen heeft die zijn gedrag beïnvloedden. De reclassering adviseerde bijzondere voorwaarden en toezicht. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 270 dagen op, waarvan 160 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen en middelencontrole.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €1.159,44 werd toegewezen met wettelijke rente vanaf 24 april 2024. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de verdachte de schade aan de staat betaalt, die het bedrag aan de benadeelde uitkeert. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 160 dagen voorwaardelijk, en toegewezen schadevergoeding van €1.159,44.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers 10/142241-24 & 10/081381-24
Datum uitspraak: 29 april 2026
Datum zitting: 15 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] )
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode] [woonplaats 1] ,
Advocaat van de verdachte: mr. G.A.J. Purperhart
Officier van justitie: mr. I. Barendregt
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en mishandeling. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 160 dagen voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren en enkele bijzondere voorwaarden. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

1.Tenlasteleggingen

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling (parketnummer 10/142241-24) en mishandeling van zijn levensgezel (parketnummer 10/081381-24)
De volledige tenlasteleggingen houden in dat
10/142241-24
hij
op of omstreeks 24 april 2024
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe
te brengen,
met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (een) zwaaiende
beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het gezicht en/of het hoofd, althans
in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
10/081381-24
hij op of omstreeks 9 maart 2024 te [plaats] , gemeente Rotterdam
zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen,
althans eenmaal
- in het gezicht te slaan,
- bij de nek vast te pakken,
- tegen het lichaam te duwen en/of
- bij de haren vast te pakken en/of een vlecht van het hoofd te trekken;

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder parketnummer 10/142241-24 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Hij moet worden veroordeeld voor de onder parketnummer 10/142241-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder parketnummer 10/081381-24 ten laste gelegde mishandeling.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder parketnummer 10/142241-24 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag en partieel vrijspraak bepleit voor de onder parketnummer 10/081381-24 ten laste gelegde mishandeling. De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder parketnummer 10/142241-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (10/142241-24) en mishandeling (10/142241-24). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
10/142241-24
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Het klopt dat ik een zwaaiende beweging in de richting van het hoofd van de aangever heb gemaakt, met een scherp voorwerp. Dit deed ik met een “shank”.
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever] [3]
Op 24 april 2024 was ik aan het werk in mijn winkel in Hoogvliet Rotterdam. Ik voelde mij op dat moment goed. Ik had geen hoofdpijn en geen letsel aan mijn lip en kaak. Omstreeks 11.30 uur kwam [verdachte] mijn winkel binnen. Ik herkende [verdachte] van een eerdere telefoonreparatie. Hij was een klant van mij. Ik hoorde dat [verdachte] vroeg om zijn telefoon. Ik pakte zijn telefoon en legde aan hem uit dat zijn telefoon niet gemaakt kon worden. Ik zei dat hij niks hoefde te betalen en dat hij zijn telefoon mee mocht nemen. Ik hoorde toen dat [verdachte] zei dat hij heel boos was en dat hij heet was. Ik hoorde vervolgens dat hij vroeg waarom ik met zijn telefoon online was gekomen. Ik zei toen dat ik zijn telefoon niet eens aan kon krijgen, dus ik kon ook niet online gaan. Ik zag dat hij met zijn vuisten gebaarde en ik zag dat hij heel gespannen was. Hij stond ook voorovergebogen naar mij toe en hij sprak met verheven stem. Zijn gezicht zag er ook heel boos uit. Ik vond hem heel intimiderend.
Ik vroeg of hij naar buiten wilde gaan en ik zag dat hij naar buiten liep. Ik liep met hem mee naar buiten. Ik hoorde hem toen iets zeggen dat klonk als: ''Weet je zeker dat je dit zo wilt doen?''. Ik zag toen dat hij de zwarte rugzak van zijn rug pakte, de rugzak opende en dat hij uit de rugzak een mes pakte. Ik zag dat het een mes was door het glinsteren op het lemmet. Ik schat dat het mes ongeveer 20 tot 25 centimeter lang was. Ik dacht dat hij het mes in zijn rechterhand had. Het ging verder zo snel dat ik het niet goed kon zien.
Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'Hij gaat zien’ en ik zag hem zwaaien met dat mes. Hij pakte mij met zijn linkerhand beet en ik zag dat hij met het mes meerdere keren richting mijn gezicht en lichaam stak. Ik weet niet meer wanneer, maar ik voelde pijn in mijn linker kaak en lippen. Ik dacht dat ik in mijn gezicht gestoken was of gesneden was. Ik hoorde [verdachte] nog steeds roepen: ''Laat me los'. Ik hoorde hem ook roepen: ''lk maak je dood''.
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Op de camerabeelden [bestandnummer] , zag ik dat twee mannen met elkaar in gevecht waren op het trottoir voor een bedrijfspand. Ik zag dat het slachtoffer geheel in het zwart gekleed was en een pet droeg. Ik zag dat het slachtoffer met zijn linkerhand zichzelf aan het verdedigen was. Ik zag dat hij zijn linkerhand enkele malen omhoog hield, terwijl hij werd vastgehouden door de verdachte. De verdachte had een oranje capuchon op en droeg een grijs/groene sweatbroek met daar boven een grijs/groene jas. Ik zag dat de verdachte zwarte Crocs sandalen droeg.
Ik zag dat de verdachte een op een mes gelijkend voorwerp in zijn rechterhand vast hield en daarmee stekende bewegingen maakte naar het slachtoffer. Of de verdachte het slachtoffer geraakt heeft is niet te zien. Ik zag dat de verdachte gerichte stekende bewegingen met dat voorwerp in zijn handen maakte in de richting van het hoofd van het slachtoffer.
10/142241-24
4.
Proces-verbaal van de politie, aanvullend verhoor aangeefster [aangeefster] [5]
Op 9 maart rond 05:00 uur was ik aan het slapen. Ik sliep samen met mijn vriend genaamd [verdachte] in mijn kamer aan [adres 2] te [woonplaats 2] .
Op 9 maart 2024 omstreeks 05:00 uur werd ik aangetikt door mijn vriend waardoor ik wakker werd. Hij zei tegen mij "wat is dit?" op dit moment liet hij een bericht van een vriend van hem op mijn telefoon zien. Mijn vriend zei dat ik met andere jongens zou praten, maar dit is niet zo. Ik heb hem toen ook beide telefoons gegeven, want ik heb er twee. Deze heb ik toen aan hem gegeven zodat hij kon zien dat ik niet met andere jongens had geappt.
Op dat moment ontplofte hij, pakte hij mij bij mijn nek en sloeg hij mijn in mijn gezicht. Hierdoor kwamen wij in een gevecht. Mijn zusje kwam op dat moment in mijn kamer en zei dat ik moest stoppen. Zij was wakker geworden door ons. Hij sloeg mij daarna weer in mijn gezicht en zei dat ik vies was en met andere jongens zou appen.
Ik heb het volgende letsel opgelopen, een kras op mijn linkerarm, blauwe plek op mijn linkerbeen boven mijn enkel, op mijn rechterhand een kras, een kras achter mijn oor in mijn nek en een vlecht van mijn haar is eraf.
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
Ter plaatse aangekomen zagen wij, verbalisanten de meldster
[slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum 2] 2002 [geboorteplaats 2]
Wij liepen vervolgens naar de woning en zagen een persoon achter de voordeur staan. Na aankloppen werd de deur opengedaan door deze persoon die later opgaf te zijn genaamd;
[verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteland] .
Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat Eenig tijdens dit gevecht een vlecht uit het hoofd getrokken had van [slachtoffer 2] . Ik, verbalisant Scheffers, zag dat er een vlecht miste op het hoofd van [slachtoffer 2] . Ik, verbalisant [naam verbalisant] , zag naast de missende vlecht een kras op de arm van [slachtoffer 2] , bloed op [slachtoffer 2] haar rechter hand en een rode kras in de nek van [slachtoffer 2] . Ik, verbalisant Scheffers hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat Eenig haar veel pijn had gedaan tijdens het gevecht. Ik zag dat [slachtoffer 2] erg geëmotioneerd was omdat [slachtoffer 2] herhaaldelijk aan het snikken was.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat er op 24 april 2024 een schermutseling heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever. De verdachte heeft bekend dat hij met een scherp voorwerp een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het hoofd van de aangever. De verdachte noemt het scherpe voorwerp zelf een ‘shank’. De verdachte heeft uitgelegd dat dit een zelf vervaardigd steekwapen betreft, wat overeenkomt met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is.
Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte vol opzet op de dood van de aangever heeft gehad. Anders dan de officier van justitie en de verdediging kwalificeert de rechtbank het handelen van de verdachte wel als een poging tot doodslag.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (dus op de koop toe heeft genomen).
De verdachte heeft aangever met een scherp voorwerp aangevallen en daarmee een zwaaiende beweging gemaakt richting het hoofd van de aangever. Zijn hand met het scherpe voorwerp kwam dichtbij het gezicht van aangever uit. Het hoofd, zeker in combinatie met de nabijgelegen hals, is een kwetsbaar lichaamsdeel waarin zich vitale organen en slagaders bevinden. Wanneer in een schermutseling dichtbij – en in de richting van – het hoofd wordt gezwaaid met een scherp voorwerp, bestaat naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat letsel wordt toegebracht dat kan leiden tot de dood. Uit de aard van het handelen van de verdachte volgt voorts, naar uiterlijke verschijningsvorm, dat hij deze aanmerkelijke kans op de dood van de aangever bewust heeft aanvaard. Dat de aangever in dit geval niet is komen te overlijden, doet niet af aan de genoemde algemene ervaringsregels en staat los van het handelen van de verdachte.
Hiernaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling op 9 maart 2024.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat het letsel niet passend zou zijn, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen. Het is daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
10/142241-24
hij
op 24 april 2024
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een scherp voorwerp een zwaaiende
beweging heeft gemaakt in de richting van het hoofd
van die [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
10/081381-24
hij op 9 maart 2024 te [plaats] , gemeente Rotterdam
zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen,
- in het gezicht te slaan,
- bij de nek vast te pakken,
- tegen het lichaam te duwen en/of
- bij de haren vast te pakken en een vlecht van het hoofd te trekken.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
poging tot doodslag(10/142241-24);
mishandeling (10/081381-24).
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen
met aftrek van voorarrest, waarvan 71 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het over de verdachte opgemaakte advies van 13 april 2026.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zodoende te komen tot oplegging van een (gevangenis)straf gelijk aan het voorarrest, al dan niet gecombineerd met een (groot) voorwaardelijk strafdeel.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en mishandeling. Hij heeft [slachtoffer 1] na een conflict over zijn telefoon aangevallen met een shank. Enkele weken daarvoor heeft hij zijn levensgezel aangevallen. De verdachte laat zien dat hij zonder noemenswaardige aanleiding overgaat tot excessief geweld. Dit moet voor de betreffende slachtoffers zeer beangstigend zijn geweest. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hij mag van geluk spreken dat zij geen ernstiger letsel aan zijn handelen hebben overgehouden.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Het strafblad van de verdachte werkt daarom strafverhogend
NIFP Rapport
Op 22 juli 2024 hebben deskundigen A.M.T. Spies (gz-psycholoog) en N.A. Sam-Sin (psychiater) een Pro Justitia rapport uitgebracht. De deskundigen komen in dat rapport tot de conclusie dat er bij de verdachte sprake is van een matige verstandelijke beperking, een posttraumatische stressstoornis, van een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis en van een stoornis in cannabisgebruik. De deskundigen concluderen dat deze stoornissen ook aanwezig waren tijdens het plegen van het delict en komen tot de conclusie dat deze het gedrag van de verdachte ten tijde van het plegen van het delict beïnvloedden. De deskundigen adviseren het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Zij adviseren een behandelverplichting in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
Reclasseringsadvies
In het advies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 13 april 2026 staat het volgende. De reclassering heeft meerdere risicofactoren gesignaleerd zowel ten tijde van als na het delict. Allereerst waren er zorgen over de huisvesting van de verdachte. Hij voelde zich zo onveilig in de wijk waar hij destijds verbleef, dat hij een mes bij zich droeg ter bescherming. Om deze reden is de verdachte geplaatst in een andere begeleide woonvorm in Oud-Beijerland, wat tot op heden goed verloopt. Er waren tevens zorgen over de financiële situatie en het middelengebruik van de verdachte. Derhalve is hij momenteel in behandeling bij Fivoor FACT en ontvangt hij financiële begeleiding van MJD (Materieel Juridische Dienstverlening) en praktische begeleiding van Humanitas Homerun. De verdachte toont een meewerkende houding en is afsprakentrouw. Sinds het incident zijn er geen politiemutaties geregistreerd.
De reclassering adviseert het toezicht in de huidige vorm voort te zetten om zo de verschillende leefgebieden te kunnen stabiliseren. Een contact- en locatieverbod is niet meer noodzakelijk, aangezien de verdachte de verboden in het schorsingstraject niet heeft overtreden. Daarnaast heeft de verdachte geen intentie of reden om in de toekomst nog contact op te nemen met de winkeleigenaar. Wel adviseert de reclassering de nagenoemde bijzondere voorwaarden:
• Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
• Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
• Begeleid wonen of maatschappelijk opvang
• Ambulante begeleiding
• Meewerken aan middelencontrole
4.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 24 april 2024, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 2 jaar en 6 dagen verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Die overschrijding is zeer beperkt. Daarom volstaat de rechtbank met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
4.3.4.
Oplegging straf
De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport. De rechtbank neemt de conclusies over van de deskundigen ten aanzien van de stoornis en het feit dat daarvan ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake was. De rechtbank zal de verdachte het tenlastegelegde dan ook in verminderde mate toerekenen
De ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, nu zowel de deskundigen als de reclassering oplegging van bijzondere voorwaarden adviseert en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte hier aanleiding toe geven, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank verbindt hieraan de voorwaarden die hierna worden genoemd, die ertoe dienen de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank neemt verder (in strafmatigende zin) de schuldbewuste houding van de verdachte mee en het feit dat de verdachte zijn leven inmiddels goed op orde heeft. De voorlopige hechtenis van de verdachte is in augustus 2024 geschorst. Sindsdien is hij niet meer met justitie in aanraking geweest. Inmiddels woont hij begeleid in [woonplaats 1] , heeft 4 dagen per week dagbesteding, het contact met zijn familie en partner [slachtoffer 2] is goed, hij is stabiel ingesteld op medicatie en is volgens de reclassering afsprakentrouw en gemotiveerd iets van zijn leven te maken. Dit positieve pad zou negatief worden beïnvloed als de verdachte terug zou moeten naar de gevangenis. De rechtbank acht dit onwenselijk.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij](10/142241-24)
[benadeelde partij] heeft als benadeelde partij € 1.159,44 als materiële- en immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan volledig worden toegewezen.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank
5.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële- en immateriële schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 1.159,44 als vergoeding van materiële- en immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 april 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummer 10/142241-24 impliciet primair en onder parketnummer 10/081381-24, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 270 (tweehonderdzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
160 dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1.
Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
De verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
2.
Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
De verdachte laat zich behandelen door Fivoor FACT of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
3.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer de reclassering dit nodig acht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
4.
Ambulante begeleiding
De verdachte laat zich begeleiden op sociaal- maatschappelijk gebied door Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de hulpverlenende instantie geeft voor de begeleiding.
5.
Meewerken aan middelencontrole
De verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van verdovende middelen om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden genoemd onder 1-5 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van
€ 1.159,44als vergoeding van materiële- en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 24 april 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat
€ 1.159,44te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 24 april 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
11dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 april 2026.
Mrs. D.F. Smulders en E.P. de Jong zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit de processen-verbaal met nummers [proces-verbaalnummer 1] & [proces-verbaalnummer 2] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 15 april 2026.
3.Pagina’s 6-13.
4.Pagina’s 20-29.
5.Pagina’s 11-13.
6.Pagina’s 20-29.