Uitspraak
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
Rechtbank Rotterdam
Op 9 januari 2026 vond in Rotterdam een diefstal plaats waarbij elektronische goederen, waaronder DJI-drones, uit een vrachtwagen werden gestolen. Camerabeelden toonden meerdere voertuigen en personen die de oplegger benaderden en goederen laadden, maar de betrokkenen waren niet herkenbaar. De verdachte werd op de avond van de diefstal in een van de betrokken auto's gecontroleerd en een telefoon in zijn woning maakte contact met zendmasten bij de plaats delict en de vermoedelijke overlaadlocatie.
De verdachte stelde dat hij verward werd met zijn eeneiige tweelingbroer, die mogelijk betrokken was bij de diefstal. Hij toonde een foto waaruit bleek dat zij niet van elkaar te onderscheiden zijn en overhandigde bewijs dat zijn broer zich in het verleden met zijn rijbewijs identificeerde. Ook de telefoon die in beslag werd genomen kon niet eenduidig aan de verdachte worden toegeschreven omdat hij en zijn broer een kamer delen.
De rechtbank oordeelde dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet zonder meer ongeloofwaardig is en dat het bewijs onvoldoende is om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij. Tevens wees de rechtbank de vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke gevangenisstraffen af en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar schadevordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.