ECLI:NL:RBROT:2026:9097

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
10/025559-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor ladingdiefstal door meerdere personen uit geparkeerde oplegger

De rechtbank Rotterdam heeft op 10 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van ladingdiefstal uit een geparkeerde oplegger, gepleegd door twee of meer verenigde personen op 9 januari 2026 te Rotterdam en/of Barendrecht.

De tenlastelegging betrof het gezamenlijk wegnemen van drones, televisies en andere goederen die geheel of gedeeltelijk toebehoorden aan een rechtspersoon als benadeelde partij. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte samen met anderen de goederen heeft weggenomen door middel van inklimming, met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hierbij is rekening gehouden met de ernst van het feit, de georganiseerde aard van de diefstal, de waarde van de lading, de jonge leeftijd van de verdachte en zijn verantwoordelijkheid die hij ter zitting heeft genomen.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van ruim €269.000,- werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende duidelijkheid over de aansprakelijkheid en het risico van de goederen ten tijde van de diefstal, waardoor de beoordeling een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De benadeelde partij wordt verwezen naar de burgerlijke rechter.

De rechtbank heeft tevens bepaald dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de onvoorwaardelijke straf en heeft het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaar; vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/025559-26
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Datum zitting: 27 mei 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in Detentiecentrum [locatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. C.Y. Kekik
Officier van justitie: mr. M. Groot
Benadeelde partij: [benadeelde partij] (rechtspersoon)
Advocaat van de benadeelde partij: mr. D. Herbrink
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ladingdiefstal uit een geparkeerde opleggerdoor twee of meer verenigde personen . De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door twee of meer verenigde personen door middel van braak en/of inklimming.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op 9 januari 2026 te Rotterdam en/of te Barendrecht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
één of meer drones, televisies en/of diverse kleine goederen, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn
mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft
en/of dat/die weg te nemen voornoemde goederen onder zijn/haar/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde, met partiële vrijspraak voor de onderdelen diverse kleine goederen en braak, verbreking en of inklimming.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door twee of meer verenigde personen.
De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de opsomming dan wel de inhoud van de bewijsmiddelen.
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 9 januari 2026 te Rotterdam en/of te Barendrecht,
in vereniging met anderen
drones
entelevisies die geheel of ten dele aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden, heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn
mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft
en die weg te nemen voornoemde goederen onder hun bereik
hebben gebracht door middel van inklimming;

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Diefstal door twee of meer verenigde personen

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de op te leggen gevangenisstraf sterk te matigen ten opzichte van de eis van de officier van justitie en zo nodig een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ladingdiefstal door twee of meer verenigde personen. De verdachte heeft ’s nachts onder andere een grote hoeveelheid drones uit een geparkeerde oplegger gestolen. Hierbij waren meerdere auto’s en personen betrokken. De drones hebben een aanzienlijke waarde. Diefstal is een ernstig strafbaar feit. Voor de transportsector zijn (lading)diefstallen een grote bron van schade, niet alleen in de vorm van directe materiële schade, maar ook in de vorm van verhoogde verzekeringspremies. De verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden en heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin. Bij dit handelen heeft hij bovendien geen blijk gegeven van respect voor de eigendommen van anderen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 22 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten, waarin voor een ladingdiefstal als uitgangspunt 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgenomen. In het nadeel van verdachte weegt mee dat het hier gaat om een lading van aanzienlijke waarde en om diefstal in een georganiseerd verband. In het voordeel van de verdachte weegt mee dat de verdachte ter zitting zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook weegt de rechtbank de jonge leeftijd van de verdachte mee. De rechtbank ziet om deze redenen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 180 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke deel van de straf dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij] (rechtspersoon)
De rechtspersoon [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij als vergoeding voor materiële schade € 266.898,- en als proceskostenvergoeding € 3.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 266.898,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard voor het overige.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering. De verdediging betwist dat de benadeelde partij aansprakelijk is voor de geleden schade omdat op de overgelegde factuur staat ‘FCA’. De afkorting FCA staat in de logistiek voor een regeling waarbij het risico voor de goederen na het overdragen aan de door de koper gekozen vervoerder overgaat op de koper. Het kan zijn dat dat in dit geval ook zo is geweest, dit valt nu niet vast te stellen. De beoordeling van de vordering vraagt daardoor een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist en ter zitting heeft de gemachtigde van de benadeelde partij onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering, onder andere over de vraag of het risico ten tijde van de diefstal van de lading bij [benadeelde partij] was gelegen of dat dit conform de factuur was overgegaan op de kopende partij, waardoor [benadeelde partij] niet de schade heeft geleden die zij stelt te hebben geleden. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder 2.3.2. is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
60 (zestig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 juni 2026.
Mrs. D.F. Smulders en J.L. Luiten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.