ECLI:NL:RBROT:2026:9105

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
10/286771-25, TUL: 10/026159-25, 10/381622-24 10-/200190-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 38e SrArt. 300 SrArt. 304 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling mishandeling levensgezel met tbs-maatregel

De rechtbank Rotterdam heeft op 24 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling en mishandeling van zijn levensgezel op 27 oktober 2025 in Rotterdam.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het eerste feit, omdat de bewijslast onvoldoende was om te concluderen dat hij de keel van het slachtoffer had dichtgeknepen. De verklaringen van getuigen en camerabeelden waren niet overtuigend genoeg, en er was geen concreet letsel vastgesteld. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zijn levensgezel mishandelde door haar te duwen, te slaan, een kopstoot te geven en aan haar haren te trekken.

De rechtbank legde verdachte een gevangenisstraf van 8 weken op en de maatregel tbs met dwangverpleging. Dit laatste op advies van deskundigen die een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornis in alcoholgebruik bij verdachte vaststelden, met een hoog recidiverisico en gebrek aan behandelmotivatie. De rechtbank achtte een tbs met voorwaarden onvoldoende vanwege het gedrag van verdachte en het gevaar voor herhaling.

Daarnaast werden vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen toegewezen, omdat verdachte tijdens de proeftijd opnieuw strafbare feiten had gepleegd. De totale straf en maatregel zijn gericht op bescherming van de samenleving en behandeling van verdachte.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging zware mishandeling, veroordeeld tot 8 weken gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor mishandeling van zijn levensgezel.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/286771-25
Parketnummers TUL: 10/026159-25, 10/381622-24 10-/200190-25
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Datum zitting: 10 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode 1] [woonplaats]
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI]
Advocaat van de verdachte: mr. S.C. van Paridon
Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot zware mishandeling (het vastpakken bij en dichtknijpen van de keel, feit 1). De verdachte wordt wel veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel (feit 2). De rechtbank legt hiervoor aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken op. De rechtbank legt aan de verdachte tevens de maatregel van tbs met dwangverpleging op.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (feit 1) en mishandeling van zijn levensgezel (feit 2).
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1
hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar keel heeft vastgepakt en/of
vastgehouden en/of dichtgeknepen en/of haar vervolgens op de grond
gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Rotterdam,
[slachtoffer] ,
heeft mishandeld, door die [slachtoffer] :
- tegen haar lichaam te duwen en/of
- (meermaals) te slaan tegen/in haar gezicht en/of buik, althans het lichaam en/of
- een kopstoot te geven en/of
- aan haar haren te trekken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

2.Bewijs / Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor feit 2.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Ik heb [slachtoffer] geslagen in haar gezicht, ik heb haar geslagen met een vlakke hand. [slachtoffer] is mijn vriendin.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Ik, verbalisant, keek naar camerabeelden van " [café] " gelegen aan de
[adres 2] , [postcode 2] in Rotterdam.
Ik, verbalisant, opende het bestand [bestandnaam] . Ik zag rechtsonder het beeld dat dit camera "Terras rechts" betrof. Ik zag dat er linksboven het beeld een datum- en tijdstempel stond. Ik zag dat de camerabeelden begonnen op 27-10-2025 om 02:09:54 uur.
Ik zag om 02:18:38 uur dat [verdachte] met kracht zijn hoofd in de richting van [slachtoffer] deed, wat leek op een kopstoot. Ik zag om 02:20:45 uur dat [verdachte] krachtig met zijn rechterhand uithaalde naar [slachtoffer] . Ik zag om 02:24:38 uur dat [verdachte] , [slachtoffer] met zijn rechterhand aan de haren trok en haar gezicht naar achteren bracht. Ik zag dat omstanders hen uit elkaar wilden halen. Ik zag om 02:24:55 uur dat [verdachte] , [slachtoffer] wegduwde. Ik zag om 02:31:36 uur dat [verdachte] met kracht een kopstoot gaf aan [slachtoffer] . Ik zag om 02:32:00 uur dat [verdachte] , [slachtoffer] een duw gaf.
2.3.2.
Bewijsmotivering (vrijspraak feit 1, bewezenverklaring feit 2)
Op 27 oktober 2025 heeft er bij [café] een incident met fysiek geweld plaatsgevonden tussen de verdachte en zijn vriendin, mevrouw [slachtoffer] . De verdachte en [slachtoffer] hebben hierover verklaard dat de verdachte [slachtoffer] (slechts) heeft geduwd en haar heeft geslagen met de vlakke hand. De verdachte heeft ontkend dat hij de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dat hij haar op de grond heeft geduwd. In het dossier bevinden zich twee getuigenverhoren. Getuige [getuige 1] verklaart kortgezegd dat hij de verdachte en [slachtoffer] ruzie zag maken, dat de verdachte [slachtoffer] in een hoekje duwde en haar vervolgens een klap in haar gezicht gaf. Getuige [getuige 2] verklaart kortgezegd dat hij zag dat de verdachte [slachtoffer] bij haar keel vastpakte en dat hij het idee had dat de verdachte de keel van [slachtoffer] dichtkneep. De getuige [getuige 3] heeft ook verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] bij de keel greep. In het dossier bevinden zich ook camerabeelden. Deze camerabeelden zijn op de terechtzitting bekeken. Op deze beelden is op enig moment te zien dat de verdachte een beweging maakt naar de keel van [slachtoffer] en dat deze houding ongeveer 10 seconden wordt aangehouden. De verdachte en [slachtoffer] hebben hierover verklaard dat de verdachte [slachtoffer] bij haar kraag heeft gegrepen.
De rechtbank stelt vast dat op de beelden onvoldoende duidelijk te zien is dat de verdachte [slachtoffer] bij haar keel grijpt en dat hij haar keel dichtknijpt. De lezing van de verdachte, dat hij de kraag van [slachtoffer] vastpakt, kan door de beelden onvoldoende worden uitgesloten. Ook ontbreken concrete aanwijzingen van letsel. Er zitten weliswaar beschrijvingen in het dossier van mogelijk letsel aan de nek en hals dat door verbalisanten is waargenomen, maar daar staat tegenover dat de huisarts van [slachtoffer] een dag na het incident heeft verklaard geen letsel te zien. Er is geen letselrapportage van een (FARR)arts beschikbaar. Daar komt bij dat zowel de verdachte als [slachtoffer] stellig ontkennen dat zij bij haar keel is gegrepen. De verklaringen van de getuigen hierover zijn niet met elkaar in overeenstemming en onvoldoende concreet. [slachtoffer] heeft ook niet aangegeven hoe zij zich voelde toen zij bij de hals werd vastgepakt, zodat ook daar geen conclusie uit kan worden getrokken dat dit met ernstig letsel had kunnen aflopen. Gelet op dit alles heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde. De verdachte wordt zodoende van dit feit vrijgesproken.
De verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde grotendeels bekend. Hij heeft ontkend [slachtoffer] een kopstoot te hebben gegeven. De rechtbank is echter van oordeel dat de (beschrijving van de) camerabeelden in dit geval wel voldoende laten zien dat de verdachte [slachtoffer] op enig moment een kopstoot geeft. Dit maakt dat zij het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
2.
hij op 27 oktober 2025 te Rotterdam,
[slachtoffer] ,
heeft mishandeld, door die [slachtoffer] :
- tegen haar lichaam te duwen en
- meermaals te slaan tegen/in haar gezicht en
- een kopstoot te geven en
- aan haar haren te trekken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 2:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf en maatregel

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De officier van justitie vordert tevens oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot dwangverpleging en een 38z-maatregel.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht tbs met voorwaarden aan de verdachte op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan partnermishandeling door het slachtoffer in haar gezicht te slaan, haar te duwen, haar een kopstoot te geven en haar aan haar haren te trekken. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich in het uitgaansleven zonder noemenswaardige aanleiding agressief heeft gedragen tegen zijn vriendin. Dit soort geweld roept gevoelens van onveiligheid en angst op in de samenleving, met name bij de slachtoffers, maar ook bij getuigen van dit geweld. Dat de verdachte onder invloed was van alcohol, is misschien een verklaring voor zijn gedrag, maar absoluut geen excuus.
Daar komt bij dat de verdachte het feit heeft gepleegd slechts enkele dagen nadat hij door de rechter commissaris was geschorst met strikte voorwaarden (waaronder relatietherapie). Hoewel het niet aan de verdachte te wijten was dat er op het moment dat het onderhavige feit plaatsvond nog geen start was gemaakt met de relatietherapie mocht wel van hem verwacht worden dat hij er alles aan zou doen om niet opnieuw geweld te gebruiken tegen zijn partner. De verdachte was een gewaarschuwd man. De verdachte wist dat het in het verleden al vaker uit de hand is gelopen als alcohol in het spel is. Het is dus wel aan de verdachte toe rekenen dat hij deze situatie heeft laten ontstaan.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten ook begaan tegen hetzelfde slachtoffer. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en hun verklaringen op de zitting en advies van de reclassering
Op 13 maart 2026 hebben deskundigen L. de Geus (GZ-psycholoog) en M. Meijer (psychiater) een Pro Justitia rapport over de verdachte uitgebracht. De deskundigen komen in dat rapport tot de conclusie dat er bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in alcoholgebruik. De deskundigen concluderen dat deze stoornissen ook aanwezig waren tijdens het plegen van het delict. Zij komen tot de conclusie dat deze stoornissen het gedrag van de verdachte ten tijde van het plegen van het delict beïnvloedden. De verdachte is prikkelbaar, heeft een kort lontje, raakt boos en reageert agressief. Het alcoholgebruik vermindert sterk de controle over de impulsen waardoor de verdachte nog sneller handelt zonder na te denken. De verdachte vindt dat hij geen problemen met alcohol heeft, hoewel hij weet dat als hij en [slachtoffer] alcohol drinken er een conflict kan ontstaan. Hij bagatelliseert en externaliseert de gevolgen vanuit zijn antisociale persoonlijkheidsproblematiek en gedraagt zich onverantwoordelijk en roekeloos. Het gevolg van de stoornissen is dat de verdachte op dat moment minder mogelijkheden had om andere gedragskeuzes te maken. Gelet op al het voorgaande adviseren de deskundigen de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.
De situatie van verdachte is volgens de deskundigen zeer zorgelijk. Het recidiverisico op partnergeweld en gewelddadig gedrag (in het algemeen) wordt hoog ingeschat, terwijl er vrijwel geen beschermende factoren zijn. Verder wordt door de deskundigen gezien dat er bij de verdachte sprake is van een beperkt inzicht in het risico van gewelddadig gedrag. Een behandelmotivatie is er nauwelijks bij de verdachte en eerdere ambulante behandeling is vanwege onverantwoordelijk gedrag en de grote hoeveelheid psychosociale problemen niet van de grond gekomen. De deskundigen menen dat een langdurige, intensieve, klinische behandeling binnen een forensische setting, met een zeer hoog beveiligingsniveau, noodzakelijk is. De deskundigen zijn hiertoe gekomen op basis van de (chronische) ernst en de doorwerking van de vastgestelde persoonlijkheidspathologie, en de stoornis in het middelengebruik en het als hoog ingeschatte (algemene) geweldsrecidiverisico. Een voorwaardelijk tbs-kader is hiertoe volgens de deskundigen onvoldoende. De verdachte heeft laten zien zich niet te houden aan voorwaarden. Er is een forse interventie nodig om het escalerende gewelddadige gedrag van de verdachte binnen de partnerrelatie te stoppen.
Ter terechtzitting hebben de deskundigen hun rapport nader toegelicht. Zij hebben benadrukt dat zij een voorwaardelijk tbs-kader niet mogelijk achten. Om een tbs-behandeling met voorwaarden te laten slagen is een behandelmotivatie nodig. Deze heeft de verdachte, mede door het ontbreken van probleembesef, niet. Daarnaast heeft de verdachte ook in detentie laten zien dat hij zich niet aan voorwaarden kan houden. Zo is hij positief getest op middelengebruik en heeft hij een kamermaatregel gekregen wegens regelovertredend gedrag. Het zich niet (kunnen) houden aan gestelde kaders is nu juist ook het gevolg van de vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis. De verdachte is daardoor niet in staat om zich te houden aan de voorwaarden die aan hem gesteld zullen worden bij een tbs met voorwaarden, al zou hij hiertoe wel gemotiveerd zijn. Derhalve zien de deskundigen geen andere mogelijkheid dan om oplegging van de tbs met bevel tot dwangverpleging te adviseren.
Ook reclasseringsinstelling Fivoor (hierna: de reclassering) adviseert in haar rapport van 18 mei 2026 negatief over een tbs met voorwaarden. De reclassering schat het recidiverisico eveneens hoog in. Zij ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken. Eerder ingezette interventies en eerder justitieel ingrijpen hebben onvoldoende geleid tot het bewerkstelligen van een duurzame gedragsverandering. Er is nauwelijks sprake van probleembesef. Dit maakt dat de verdachte geen concrete behandeldoelen kan formuleren, de motivatie tot het aangaan van langdurige hulpverlening ontbreekt. De reclassering trekt de wil van de verdachte om zich te committeren aan een tbs met voorwaarden in twijfel aangezien het gedrag van de verdachte in detentie aantoont dat hij zich niet aan regels houdt. Daarnaast heeft de verdachte een ambivalente houding ten opzichte van een klinische behandeling en heeft hij zich in het verleden geregeld onttrokken aan bijzondere voorwaarden.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Verminderde toerekening van het bewezenverklaarde
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het Pro Justitia rapport, op hetgeen ter terechtzitting door de deskundigen daaromtrent naar voren is gebracht en op het advies van de reclassering. De rechtbank stelt vast dat er bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol en dat deze stoornissen al aanwezig waren ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank stelt vast dat de stoornissen invloed hebben gehad op de mogelijkheden van de verdachte om in de ontstane situatie andere gedragskeuzes te maken en zal het feit dan ook in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Oplegging gevangenisstraf van 8 weken
Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de LOVS oriëntatiepunten, de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de verminderde toerekening van het feit aan de verdachte. De rechtbank weegt hierbij in het nadeel van de verdachte mee dat er sprake is van een patroon van (ernstig) huiselijk geweld en dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit zeer kort daarvoor onder strikte voorwaarden geschorst was. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf van 8 weken passend.
Oplegging van tbs met dwangverpleging
Of de rechtbank een tbs-maatregel oplegt en zo ja welke, overweegt zij het volgende. In het Pro Justitia rapport en op de terechtzitting hebben de deskundigen onderbouwd dat het opleggen van tbs met bevel tot dwangverpleging de meest passende maatregel is om de verdachte effectief te behandelen. De rechtbank neemt de onderbouwing en het advies van de deskundigen, zoals in paragraaf 4.3.2. beschreven, over. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen vereisen de tbs met bevel tot dwangverpleging. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezenverklaarde feit en het grote gevaar voor herhaling voor partnergeweld en geweld in algemene zin. In het bijzonder heeft de rechtbank daarbij, naast de deskundigenadviezen, gekeken naar het lange strafblad, waarop meerdere mutaties voorkomen die partnermishandeling betreffen, maar ook agressiedelicten tegen derden. Verder is bij deze beslissing gekeken naar een in het dossier gevoegde tijdlijnbeschrijving, die de periode 2019 tot en met 2025 beslaat. Daarop komen een aantal meldingen van partnermishandeling voor. Dat maakt dat de nu bewezen mishandeling geen op zichzelf staand incident is, maar de laatste in een reeks, en dat eerdere interventies niet afdoende hebben geholpen. Nu ook aan de andere wettelijke eisen voor het opleggen van de tbs-maatregel wordt voldaan, legt de rechtbank deze maatregel aan de verdachte op.
De rechtbank stelt tevens vast dat het strafbare feit ter zake waarvan de tbs met bevel tot dwangverpleging zal worden opgelegd, een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend. De totale duur van tbs met bevel tot dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

5.Vorderingen tot tenuitvoerlegging

5.1.
Vorderingen
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 week (TUL 10/026159-25), tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 8 weken (TUL 10/200190-25) en tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 20 uren (TUL 10/381622-24), omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moet worden toegewezen.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijden gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijden geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom worden de vorderingen toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straffen (respectievelijk een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken en een taakstraf voor de duur van 20 uren).

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 38e, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals onder 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 8 (acht) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beveelt dat de verdachte voor het feit
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat de terbeschikkinggestelde
van overheidswege wordt verpleegd;
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week, zoals opgelegd in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2025;
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 weken, zoals opgelegd in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2025;
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 20 uren, zoals opgelegd in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2025;

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Hameete, voorzitter,
en mrs. F.P.J. Schoonen en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.
Mrs A.P. Hameete, F.P.J. Schoonen en E.P. de Jong zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het]proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 10 juni 2026.
3.Pagina’s 23-25.