ECLI:NL:RBROT:2026:9120

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
10/322400-24 en 01/303648-24 en 10/073115-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag, zware mishandeling en bedreiging met mes

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag op 7 oktober 2024, zware mishandeling en bedreiging met een mes van twee slachtoffers, en mishandeling van een medewerker van een penitentiaire inrichting op 10 april 2024.

De bewezenverklaring is gebaseerd op getuigenverklaringen, medische rapporten, camerabeelden en een video-opname van de verdachte zelf. De rechtbank oordeelde dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde en dat de mishandeling ernstige gevolgen had, waaronder blijvend letsel aan de hand van een slachtoffer.

De verdachte heeft een psychiatrische stoornis (schizofrenie) en een intellectuele beperking, wat leidde tot verminderd toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, met aftrek van voorarrest, en TBS met voorwaarden vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling.

Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. De vordering van de benadeelde partij werd toegewezen voor materiële schade (€162) en gedeeltelijk voor immateriële schade (€9.000). De gevorderde tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke jeugddetentie werd afgewezen vanwege de opgelegde straf en maatregelen.

De voorlopige hechtenis wordt geschorst zodra de verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling voor behandeling, met voorwaarden die aansluiten bij de TBS-maatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, TBS met voorwaarden, gedragsbeïnvloedende maatregel en gedeeltelijke schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10/322400-24 en 01/303648-24
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10/073115-23
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Data zitting: 17 september 2025, 27 november 2025, 13 februari 2026 en 6 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
gedetineerd in [naam PI].
Advocaat van de verdachte: mr. J.M. van Dam
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. S. Kara
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1], een zware mishandeling van [slachtoffer 2], het bedreigen van [slachtoffer 3] met zware mishandeling en het mishandelen van [slachtoffer 4]. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden en legt hem een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op. De vordering van [benadeelde partij], wordt ten aanzien van de materiële schade volledig en ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk toegewezen. De gevorderde tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie wordt afgewezen.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 7 oktober 2024 [slachtoffer 1] heeft gepoogd van het leven te beroven (feit 1), [slachtoffer 2] zwaar heeft mishandeld (feit 2), [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een mes (feit 3) en op 10 april 2024 [slachtoffer 4] heeft mishandeld. Voor de leesbaarheid zijn de feiten van de twee dagvaardingen doorgenummerd. De volledige tenlastelegging houdt in dat:

1.primair (10/322400-24)

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1]
opzettelijk
van het leven te beroven,
die [slachtoffer 1] meermaals met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in
het hoofd en/of het gezicht althans het lichaam heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.subsidiair (10/322400-24)

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rotterdam,
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere snij- en/of steekwonden in het hoofd
en/of het gezicht, althans het lichaam, heeft toegebracht door
die [slachtoffer 1] meermaals met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in
het hoofd en/of het gezicht althans het lichaam te steken;

1.meer subsidiair (10/322400-24)

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] meermaals met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in
het hoofd en/of het gezicht althans het lichaam heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.primair (10/322400-24)

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rotterdam,
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steek- en/of snijverwondingen aan
pezen en/of spieren aan de vingers en/of hand, heeft toegebracht door
die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermaals in de
hand te steken en/of te snijden;

2.subsidiair (10/322400-24)

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermaals in de
hand heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.(10/322400-24)

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- op korte afstand van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een mes, althans een scherp en/of
puntig voorwerp, aan hen te tonen en/of voor te houden,
- met voornoemd mes stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van die
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te maken;

4.(01/303648-24)

hij op of omstreeks 10 april 2024 te Vught
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] meermalen, althans éénmaal te
slaan.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de (primair) ten laste gelegde feiten, met de kanttekening dat hij het hierna te noemen standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 2 primair kan onderschrijven.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) en partiële vrijspraak voor de onder feit 2 primair tenlastegelegde handeling ‘heeft gestoken’. De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde, de overige handelingen van feit 2 primair, feit 3 en feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich op 7 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (feit 1 primair), een zware mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 2 primair) en laatstgenoemde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling (feit 3). Op 10 april 2024 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van [slachtoffer 4] (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en ten aanzien van feit 1 ook de onderstaande bewijsmotivering.
Feit 1, 2 en 3 (10/322400-24)
1.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 1] [1] Op 7 oktober 2024 was ik samen met [slachtoffer 2]. We stapten in de metro. Mijn fietsband raakte de voet van een jongen. Die jongen zei: ‘doe dat wiel een beetje recht’. Hij vroeg aan [slachtoffer 2] waar wij uit gingen stappen. [slachtoffer 2] antwoordde ‘Coolhaven’. Die jongen zei: ‘oh toevallig, ik ook’.
Bij metrostation Coolhaven stapten wij uit. Toen wij naar buiten liepen, liep die jongen achter ons aan. Ik zag ineens dat die bruine jongen [slachtoffer 2] bij zijn linkerschouder vast had. Ik gaf die jongen een vuist in zijn gezicht en toen ging hij iets naar achteren. Ik gaf hem een voetveeg waardoor hij viel. Ik trapte twee of drie keer tegen die jongen toen hij op de grond lag. Ik zag dat [slachtoffer 2] toen wegrende. Ik draaide mij om en gaf hem een trap naar achteren tegen de buik van die jongen. Ik had mijn fiets gepakt en verdedigde mij zelf tegen hem.
Ik voelde iets bij mijn hoofd aan de rechterkant. Ik wist alleen niet zo goed wat het was. Ik liet mijn fiets vallen en ben weggerend. Ik zag ineens heel veel bloed. Er kwam een mevrouw naar mij toen en toen had ik veel pijn.
Ik hoorde later dat [slachtoffer 2] naar mij had geschreeuwd dat die jongen een mes had maar ik heb dit niet gehoord. Ik heb ook geen mes gezien.
Ik heb aan de rechterzijde van mijn hoofd twee wonden. Ik heb aan mijn linkerkant van mijn hoofd achter mijn oor een wond. Ik heb in mijn gezicht op mijn linker jukbeen een wond. Ik heb ook een wond aan de voorzijde van mijn hoofd ter
hoogte van mijn haargrens. Ook heb ik op mijn linkerhand een wondje die er nog niet zat. Ik weet niet hoe ik daaraan kom. Ook is mijn rechteroog blauw.
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 2] [2] Op 7 oktober 2024 zat ik in de metro met [slachtoffer 1]. Wij zagen een persoon met oordopjes in de metro zitten. [slachtoffer 1] stapte in met zijn fiets. Die persoon vroeg aan mij of [slachtoffer 1] zijn fiets naar achteren kon doen. De fiets kwam een klein beetje tegen die persoon aan. Er ontstond een discussie omdat ik moest lachen. Die persoon werd agressief maar mij. Op dat moment vroeg hij: ‘waar ga je uitstappen?’ Ik zei ‘Coolhaven’ en toen zei hij ‘toevallig, ik ook’.
Bij Coolhaven stapten wij uit. (…) Op dat moment stonden wij bij de poortjes waar je uit kan checken. Hij zei toen: ‘Kanker moeder’. Hij zei dat hij op een gekke manier. Ik zei dat hij dat niet mocht zeggen. Hij pakte mij bij mijn linkerschouder beet met zijn linkerhand. Hij zei: ‘Kijk wat ik heb’. Ik keek naar beneden en zag ineens een mes. Ik zag dat het mes ongeveer 40 à 45 centimeter lang was. Het leek op een slagersmes met een bruin heft en het was echt scherp. Ik was echt bang. Ik zag het mes ter hoogte van mijn onderbuik. Die persoon zei: ‘Jaaa en nu?’ en ik zag dat hij begon te lachen. Ik hoorde dat hij zei: ‘Ik ga je afmaken’. Het mes was ongeveer 20 centimeter van mijn buik af. Ik had het idee dat hij mij echt wilde neersteken en ik was echt bang. Ik pakte het mes met mijn rechterhand beet. Ik maakte een zwaaiende beweging en toen viel die persoon met het mes op de grond. Ik heb het mes beetgepakt, want ik zag geen andere manier om weg te komen. Ik zag dat ik een wond had aan mijn rechterhand.
Ik zag dat de persoon opstond en dat hij het mes weer pakte. Ik zag dat hij met het mes in mijn richting kwam. Ik stond tussen de poortjes vast. Ik zag dat hij op mij af kwam met het mes. Ik zag dat hij heel boos was. Ik zag dat zijn ogen heel wijd open stonden het leek wel een zombie. Ik ben heel dun waardoor ik mij tussen de poortjes door heb gewrongen en toen ben ik weggerend. Ik voelde mijn rechterhand niet meer.
Ik zag dat [slachtoffer 1] bij die persoon stond. Ik zag dat [slachtoffer 1] zijn fiets tussen hem en diezelfde persoon die het mes had, had gezet. Ik zag dat die persoon het mes in zijn handen had en dat hij 3 of 4 keer in de richting van [slachtoffer 1] zijn hoofd zak (de rechtbank leest: stak). Ik hoorde dat [slachtoffer 1] heel hard schreeuwde en dat er heel veel bloed was.
Ik zag mijn rechterhand, ik had een hele diepe snee in mijn vingers. Mijn vingers lagen er bijna af. Van mijn wijsvinger en middelvinger zijn mijn pezen en spieren doorgesneden. Mijn ringvinger is ook gesneden maar niet zo diep. Ik moet geopereerd worden om de spieren en pezen opnieuw te hechten.
3.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [3]
Op maandag 7 oktober 2024 omstreeks 22.50 uur vond een steekincident plaats op het metrostation Coolhaven in Rotterdam. Hierbij werden twee slachtoffers genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] neergestoken door een onbekende man. (…) Ik herkende [verdachte] direct als de NN verdachte die op 7 oktober 2024 omstreeks 22.50 uur twee slachtoffers had neergestoken op het metrostation Coolhaven in Rotterdam.
Identiteit verdachte:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ([geboorteland])
4.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [4]
Op 9 oktober 2024 is een mobiele telefoon in beslag genomen.
Geconfigureerd account: [account]
Naam: [naam telefoon]
Ik zag dat er op 7 oktober 2024 om 23:00 uur een video van 31 seconden, was opgeslagen. Bij het bekijken van de video zag ik dat de filmer zichzelf filmde, in de Nederlandse taak sprak, gewond was aan zijn hand en rode vloeistof (vermoedelijk bloed) op zijn witte schoenen had. Ik zag dat de filmer sterke overeenkomsten toonde met [verdachte].
Bij het beluisteren naar het geluid hoorde ik de filmer het volgende zeggen:
- Shit man.
- Splash die man bij tramhalte man.
- 2 man broer, 2 man broer, splashen broer.
- In zijn oor broer, steken in zijn oor broer.
- Broer hier handvat, door die handvat, ik heb hem zo. Geef die man in zijn oor. (maakt een vuist en heft deze omhoog)
- In zijn oor en gezicht 2 maal. Ey die handvat ging zo van grip. Toen het naar die mes. Heb mijzelf een beetje gesneden. (filmt zijn hand)
- Dit is zijn bloed joh. (filmt zijn schoenen)
- Is een kleine wond. (filmt zijn hand)
- Dit kan niet dat zijn. (wijst met zijn hand naar zijn schoenen)
- Zijn bloed, whalla. (filmt zijn schoenen)
Het valt mij, verbalisant, op dat de filmer uitspraken doet die overeenkomen met de steekpartij aan de Coolhaven.
5.
Deskundigenverslag FARR t.a.v. [slachtoffer 1] [5] Medische informatie betreffende [slachtoffer 1].
Informatie afkomstig van Erasmus MC betreffende bezoek aan SEH Erasmus MC van 7 oktober 2024.
Bij de rechter slaap een wond, door de arts omschreven als snijwond. Ter hoogte van het linker jukbeen een wond, door de arts omschreven als steekwond. Aan de achterzijde van het linker oor een wond, door de arts omschreven als snijwond. De huidverwondingen werden schoongemaakt en gehecht.
Geschatte genezingsduur bij ongecompliceerd beloop 2 weken.
6.
Deskundigenverslag FARR t.a.v. [slachtoffer 2] [6] Medische informatie betreffende [slachtoffer 2].
Informatie ontvangen van chirurg EMC over consult aldaar op 8 oktober 2024.
Wijsvinger, ringvinger en middelvinger links vertoonden elk een wond aan de palmzijde ter hoogte van het midden van elke vinger. Sterk vermoeden peesletsel.
De wondranden werden met hechtingen naar elkaar gebracht. Een antibioticumkuur werd gegeven. Hij kreeg een beschermende gipsspalk. Overplaatsing naar IJsselland ziekenhuis voor verdere diagnostiek en behandeling naar peesletsel.
Geschatte genezingsduur nog niet goed in te schatten.
7.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [7]
Op 8 januari 2025 vroeg ik aan [slachtoffer 2] hoe het met zijn hand ging. Ik zag dat hij zijn rechterhand liet zien. Ik hoorde hem het volgende, in woorden van gelijke strekking verklaren: ‘Het gaat oké, soms heb ik nog pijn. Ik moet binnenkort nog twee keer naar de chirurg en fysiotherapie volgen. Ik kan mijn hand niet volledig strekken en ik kan geen vuist maken’.
Ik zag dat [slachtoffer 2] van zijn rechterhand een vuist probeerde te maken. Ik zag dat dit niet lukte en dat zijn rechterhand half open bleef. Ik zag dat hij zijn vingers strekte. Ik zag dat zijn middelvinger niet volledig strekte en dat deze ging trillen.
Feit 4 (01/303648-24)
1.
Proces-verbaal van de politie, aangifte Penitentiaire Inrichting Vught [8]
Ik doe hierbij aangifte van zware mishandeling waarvan mijn collega die werkzaam is bij de afdeling A unit LA 9 slachtoffer is geworden. Hierna nader te noemen slachtoffer met het personeelsnummer [nummer].
Ik, [naam 1], ben werkzaam als Plaatsvervangend Hoofd Veiligheid bij de afdeling Veiligheid bij de Penitentiaire Inrichting te Vught en in deze hoedanigheid bevoegd tot het doen van aangifte namens bovengenoemde slachtoffer.
Het genoemde incident vond plaats op de luchtplaats van de BPG voor afdeling A/B op
10 april 2024. Mijn collega was samen met een collega belast met het begeleiden van betrokkene [verdachte] cel 05 afdeling BPG afdeling 9 naar de luchtruimte.
Uit het niets sloeg betrokkene tweemaal met gebalde vuist de collega met volle kracht in het gelaat.
[verdachte] heeft de collega 2 keer een vuistslag gegeven waarvan één raak was op de slaap van de collega.
2.
Proces-verbaal van bevindingen van politie [9]
Naar aanleiding van de mishandeling van een bewaarder op de luchtplaats van afdeling
LA9, werden de camerabeelden gevorderd bij de daarvoor in aanmerking komende
verantwoordelijke persoon binnen de PI.
Ik, verbalisant, bekeek de camerabeelden.
10 oktober 2024
(…)
Te zien is dat hij in de richting loopt van [slachtoffer 4]. Te zien is dat hij kort voor [slachtoffer 4] zijn fles laat vallen. Te zien is dat hij een aanloop neemt. Te zien is dat hij met kracht en met gebalde vuist een slaande beweging maakt in de richting van [slachtoffer 4]. Te zien is dat [slachtoffer 4] ter hoogte van zijn hoofd geraakt wordt. Vervolgens is te zien dat [slachtoffer 4] uit reactie zijn arm om de hals van [verdachte] slaat en dat beiden ter aarde storten.
2.3.2.
Bewijsmotivering t.a.v. feit 1 (poging doodslag [slachtoffer 1])
De verdediging heeft vrijspraak voor de poging tot doodslag bepleit, omdat uit het dossier onvoldoende blijkt wat de aard en precieze omvang van het letsel is. De rechtbank onderschrijft dit laatste niet en overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] een snijwond bij zijn rechter slaap had, een steekwond ter hoogte van het linker jukbeen en een snijwond aan de achterzijde van het linker oor. De verdachte heeft meerdere malen met een scherp mes uitgehaald naar het hoofd van [slachtoffer 1]. Het hoofd is een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam. De kans is aanzienlijk dat steek- en snijletsel aan het hoofd, zoals in dezen bij de oren en de slaap, leidt tot de dood. Bovendien had de verdachte door te handelen als hij heeft gedaan de hals (en daarmee de halsslagader) van [slachtoffer 1] kunnen raken. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] daardoor zou kunnen overlijden. Dat uit het dossier niet tot in detail volgt hoe de verdachte zijn mes gehanteerd heeft en de omstandigheid dat het dossier geen letselindicatierapport bevat, kan hieraan niet afdoen.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat hij door zijn handelen [slachtoffer 1] van het leven zou beroven. Dat levert in juridische zin voorwaardelijk opzet op de dood op.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:

1.primair

hij op 7 oktober 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1]
opzettelijk
van het leven te beroven,
die [slachtoffer 1] meermaals met een mes, in
het hoofd en het gezicht heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.primair

hij op 7 oktober 2024 te Rotterdam,
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere snijverwondingen aan
pezen en spieren aan de vingers, heeft toegebracht door
die [slachtoffer 2] met een mes, in de
hand te snijden;
3.
hij op 7 oktober 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
door op korte afstand van die [slachtoffer 2] een mes, te tonen;
4.
hij op 10 april 2024 te Vught
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] meermalen te
slaan.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1.poging tot doodslag;

de voortgezette handeling van:

2.zware mishandeling;

en

3.bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;

4.mishandeling.

3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar. In paragraaf 4.3.2 zal de rechtbank ingaan op de mate van toerekenbaarheid aan de verdachte.

4.Straf en maatregelen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2, 3 en 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot TBS met voorwaarden zoals neergelegd in het rapport van Reclassering Nederland van 14 november 2025 en aangevuld in het rapport van 26 maart 2026. De dadelijke uitvoerbaarheid daarvan wordt gevorderd evenals een GVM.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden in combinatie met TBS met voorwaarden passend is.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging enig misdrijf tegen het leven gericht en met en zware mishandeling van [slachtoffer 2] door hem een mes te tonen en hem dreigende woorden toe te voegen. Laatstgenoemde kon zich niet volledig vrij bewegen in het metrostation waar dit plaatsvond en zag geen andere mogelijkheid om zich hiertegen te beschermen dan door het mes vast te pakken. Daarbij heeft hij zijn vingers dusdanig ernstig verwond dat hij enkele maanden later deze niet volledig kon strekken noch een vuist kon maken.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] door met een mes in zijn hoofd te steken en te snijden. De enige aanleiding voor het contact tussen de verdachte en de latere slachtoffers was dat [slachtoffer 1] bij het betreden van de metro met zijn fiets de voet van de verdachte raakte en de verdachte wat de slachtoffers vervolgens deden en zeiden verkeerd heeft opgevat.
De verdachte heeft buitensporig gereageerd op een onschuldige aanraking door even later op het metrostation Coolhaven [slachtoffer 2] met een mes te bedreigen en beiden daarmee daadwerkelijk aan te vallen.
De verdachte heeft toen hij gedetineerd zat opnieuw agressief gedrag vertoond door een medewerker van de penitentiaire inrichting waar hij verbleef te mishandelen. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Rapporten van deskundigen, de reclassering en verklaringen op de zittingen
In de Pro Justitia-rapportage, opgesteld door psychiater [naam 2] en psycholoog [naam 3] van het NIFP van 4 augustus 2025, staat het volgende.
De verdachte weigerde, hetgeen weloverwogen overkwam, mee te werken aan het onderzoek. Desalniettemin hebben de psychiater en psycholoog voldoende zicht gekregen op de verdachte en zijn functioneren om daar enkele diagnostische conclusies aan te verbinden. Bij de verdachte is sprake van een drietal probleemgebieden, te weten psychotische problematiek, middelengebruik en antisociaal gedrag.
De psychotische problematiek is partieel in remissie door instelling op antipsychotische dwangmedicatie. Vanaf eind 2023 werden psychotische symptomen bij de verdachte zichtbaar, bestaande uit paranoïde wanen, akoestische en visuele hallucinaties, (seksueel) ontremd gedrag, agressieve uitbarstingen die ontstaan vanuit het niets en onvoorspelbaar gedrag. Na de start van de dwangbehandeling in april 2025 nam het agressieve en ontregelend gedrag af. De deskundigen stellen vast dat sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Ook is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, hetgeen een versterkende werking kan hebben op de psychotische problematiek, en is zwakbegaafdheid vastgesteld.
De stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Het advies is daarom het ten laste gelegde (bij bewezenverklaring) in ieder geval verminderd toe te rekenen, waarbij de deskundigen de mate van vermindering niet nader kunnen preciseren. De deskundigen zien geen aanknopingspunten om een volledige doorwerking te onderbouwen. Aan de andere kant ontbreekt het hen ook aan onderbouwing om het ten laste gelegde in het geheel toe te rekenen.
Het risico op recidive van gewelddadig gedrag zonder interventie of ingrijpen wordt door de deskundigen als hoog ingeschat.
De deskundigen menen dat toepassing van het jeugdstrafrecht geen meerwaarde heeft.
Vanuit gedragskundig perspectief zien de deskundigen dat er grondige aanpak nodig is om het tij te keren en zodoende het recidive risico te verminderen. Ten eerste achten de deskundigen het noodzakelijk dat de verdachte zijn antipsychotische medicatie blijft innemen. Ten tweede zal de focus moeten liggen op procesdiagnostiek alsook intelligentieonderzoek om te onderzoeken hoe de psychotische stoornis interacteert met de persoonlijkheidsdynamiek en/of -pathologie, het intellectueel functioneren en het middelengebruik. Voorts is psycho-educatie noodzakelijk. Ook zal er aandacht moeten
zijn voor zijn verslavingsgevoeligheid. Daarna aansluitend training en/of therapie worden geïndiceerd, zoals copingvaardigheden, emotieregulatie bij conflicten, hanteren van stress en agressie-regulatie. Bovenal zal gezocht moeten worden naar een toekomstperspectief, dagbesteding en/of een opleiding. Dit zal klinisch moeten plaatsvinden, waarna kan worden uitgestroomd naar (langdurige) ambulante behandeling. Vanuit gedragskundig oogpunt adviseren de deskundigen de behandeling in een TBS-kader te laten plaatsvinden. Of een TBS met voorwaarden toereikend zou kunnen zijn, is onvoldoende duidelijk geworden in onderhavig onderzoek gezien zijn beperkte medewerking.
Op 3 maart 2026 is de Pro Justitia-rapportage – op verzoek van de rechtbank – door voornoemde deskundigen aangevuld. De verdachte heeft aan dit onderzoek zijn medewerking verleend. In dit rapport staat het volgende.
Alles overziend kan samennemend gesproken worden van vier probleemgebieden, te weten een psychotische stoornis, een intellectuele beperking, antisociale gedragingen en problemen met middelengebruik. Benadrukt kan worden dat sprake is van schizofrenie. De psychotische klachten werden eerder sterk ingekleurd door achterdocht en wantrouwen. Thans ervaart de verdachte geen psychische klachten op dit spectrum. Vooralsnog worden de psychotische klachten voldoende gecoupeerd met anti-psychotische medicatie en blijven stemmingsklachten en meer katatone symptomen weg. Na de start van dwangmedicatie in de penitentiaire inrichting hebben zich geen incidenten meer voorgedaan. Duidelijk is dat de verdachte kwetsbaar is voor (weer) ontwikkelen van psychoses, waarbij oplopende stress en spanning, de onrijpe persoonlijkheid en intellectuele beperking risicofactoren zijn.
De deskundigen zijn niet tot een ander inzicht gekomen ten aanzien van de meerwaarde van het jeugdstrafrecht en ten aanzien van hun advies over de mate van toerekenbaarheid.
Het belang van behandeling om het (hoge) recidiverisico in te perken is opnieuw onderstreept evenals de omstandigheid dat die behandeling in een TBS-kader dient plaats te vinden. Gelet op de groei in contact en wederkerigheid binnen de beperkte looptijd van het onderzoek, het feit dat de problematiek goed in zicht is en de omstandigheid dat het risicomanagement duidelijk kan worden vormgegeven, wordt TBS met voorwaarden thans toereikend geacht.
In het rapport van 11 september 2025 adviseert Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) negatief over TBS met voorwaarden. Gelet op het aanhoudende ernstige delictgedrag, het hoge recidiverisico, de tot kort geleden (ook nog tijdens detentie) voortdurende gedragsproblemen, het ontbreken van informatie door het weigeren van medewerking aan het onderzoek, het dwangkader voor de antipsychotische medicatie, het gebrek aan ziekte-inzicht en de sociaal wenselijke opstelling van de verdachte, is TBS met voorwaarden niet toereikend om het risicomanagement op een verantwoorde wijze vorm te geven.
Ook de reclassering heeft een aanvullend rapport uitgebracht. In het rapport van 26 maart 2026 wordt door de reclassering het recidiverisico nog altijd als hoog ingeschat zolang de verdachte geen passende behandeling volgt en afrondt. De verdachte is kwetsbaar voor psychotische ontregeling bij stress, waarbij medicatie-ontrouw en cannabisgebruik belangrijke risicofactoren vormen. Binnen de huidige gestructureerde setting gebruikt hij zijn antipsychotische medicatie, maar het ziekte-inzicht is nog beperkt. Psycho-educatie en langdurige behandeling en begeleiding worden daarom noodzakelijk geacht. Het risico op letsel wordt als hoog ingeschat, gezien eerdere plotselinge agressieve uitbarstingen bij psychische ontregeling, al hebben zich sinds de start van antipsychotische medicatie geen incidenten meer voorgedaan. Hij heeft aangegeven bereid te zijn om mee te werken aan voorwaarden binnen TBS met voorwaarden, al wordt rekening gehouden met mogelijk sociaal wenselijk gedrag. De mate waarin hij zich op langere termijn aan voorwaarden zal blijven committeren, is nog onzeker. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot een bijstelling van het advies van de reclassering naar “een voorzichtig positief advies” over TBS met voorwaarden.
Toerekenbaarheid
Op grond van de rapporten van de deskundigen van het NIFP stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
4.3.3.
Redelijke termijn
Verdachten dienen binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 10 oktober 2024, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim 19 maanden verstreken. De redelijke termijn in deze zaak is zestien maanden er is dus sprake van een schending van de redelijke termijn.
Omdat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die voor rekening van de verdachte komen – te weten de omstandigheid dat de verdachte aanvankelijk niet heeft mee willen werken aan het psychologisch en het psychiatrisch onderzoek en later wel waardoor aanvullend onderzoek nodig was - zal de rechtbank aan deze overschrijding geen consequenties verbinden.
4.3.4.
Oplegging straf en maatregelen
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte, zijn jeugdige leeftijd en zijn bereidwilligheid om te werken aan zijn toekomst. Het is voorts van belang om snel te kunnen starten met de noodzakelijk geachte behandeling. Alles afwegende wordt daarom een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden opgelegd.
Terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden
De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten 1, 2 en 3 een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk schizofrenie. Daarnaast zijn de feiten 1 en 2 misdrijven waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en is feit 3 een in de wet vermeld misdrijf waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling eveneens mogelijk is.
Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan voorwaarden zoals die door de reclassering op 14 november 2025 en 26 maart 2026 zijn geadviseerd en in het dictum zijn opgenomen. De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven. De rechtbank acht het positief dat de verdachte bereidwillig is hieraan mee te werken, en benadrukt het belang van het blijven innemen van anti-psychotische medicatie.
De rechtbank legt de TBS op, omdat de verdachte met feit 1 en 2 een misdrijf heeft gepleegd dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De eventuele terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op het hoge recidiverisico moet er ernstig rekening worden gehouden met het feit dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Bovendien is het in het belang van de verdachte om snel te beginnen aan zijn behandeling. De rechtbank zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden op de voet van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bevelen.
GVM (op de voet van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht)
Om de algemene veiligheid van personen te beschermen, legt de rechtbank de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op. Het is noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld, omdat uit voornoemde rapporten van de deskundigen van het NIFP en de reclassering blijkt dat de problematiek van de verdachte structureel van aard is en de kans op recidive hoog. Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk ter beschikking gesteld.
Voorwaardelijke invrijheidstelling
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Voorlopige hechtenis
De op te leggen straf brengt mee dat de verdachte, na aftrek van voorarrest, nog ongeveer vijf maanden gedetineerd zal zijn. Voor het geval dat binnen die termijn nog geen geschikte plek is gevonden om de behandeling te starten, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling binnen een zorginstelling zal worden opgenomen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de TBS zijn verbonden.
Die schorsing houdt verband met de tevens op te leggen dadelijk uitvoerbare TBS met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 162,- als vergoeding voor materiële schade en € 15.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 15.162,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De gevorderde immateriële schade moet worden gematigd.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 162,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit). Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard
5.4.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 7 oktober 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Vordering tot tenuitvoerlegging

6.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer te Rotterdam van 28 september 2023 (10-73115-23) voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De in dit vonnis bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan voornoemd vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Gelet op de gevangenisstraf en de maatregelen die bij dit vonnis aan de verdachte worden opgelegd, waarbij het belang van een snelle start van de behandeling nogmaals wordt benadrukt, acht de rechtbank het niet opportuun om voornoemde voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen. De vordering wordt dus afgewezen.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregelen is gebaseerd op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 45, 56, 57, 285, 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
TBS-maatregel met voorwaarden
beveelt dat de verdachte voor de feiten 1, 2 en 3
ter beschikking wordt gestelden stelt daarbij de volgende voorwaarden:
de verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
de verdachte verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van één of meer vingerafdrukken en biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;
de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per kalenderjaar;
de verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zonder toestemming van de reclassering;
de verdachte laat zich opnemen in een forensisch kliniek met een voldoende hoog plaatsingsniveau, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start direct aansluitend aan de detentie. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen en de controle daarop onderdeel zijn van de behandeling, als de zorginstelling dat nodig vindt;
als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
aansluitend aan zijn klinische opname zal de verdachte, indien geïndiceerd, verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
de verdachte laat zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverleners, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest), de alcoholmeter en urineonderzoek;
de verdachte zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding;
de verdachte geeft openheid over zijn financiële situatie, door (desgevraagd) inzage in zijn financiën te geven. De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening/bewindvoering in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;
de verdachte geeft de reclassering openheid over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale) netwerk;
geeft aan Reclassering Nederland opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
GVM (op de voet van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht)
legt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
Voorlopige hechtenis
beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de terbeschikkinggestelde zich heeft laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Aan de schorsing worden de voorwaarden verbonden, zoals deze onder 1 tot en met 22 zijn vermeld bij de voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10/073115-23)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 28 september 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij] (feit 1),
te betalen een bedrag van € 9.162,- (negenduizendhonderdtweeënzestig),bestaande uit € 162,- als vergoeding van materiële schade en € 9.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 7 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor feit 1
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat
€ 9.162,- (negenduizendhonderdtweeënzestig)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
70 (zeventig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.
mr. D. van der Sluis en mr. C.M. Turfboer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij], [proces-verbaalnummer 1], p. 32-38 van het procesdossier inzake parketnummer 10/322400-24.
2.Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], [proces-verbaalnummer 2], p. 39-46 van het procesdossier inzake parketnummer 10/322400-24.
3.Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van [verbalisant 1], p. 71-72 van het procesdossier inzake parketnummer 10/322400-24.
4.Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van [verbalisant 2], p. 101-108 van het procesdossier inzake parketnummer 10/322400-24.
5.Medische informatie van FARR, gedateerd 17 december 2024, p. 125 van het procesdossier inzake parketnummer 10/322400-24.
6.Medische informatie van FARR, gedateerd 10 januari 2025, p. 126 van het procesdossier inzake parketnummer 10/322400-24.
7.Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van [verbalisant 1], p. 120 van het procesdossier inzake parketnummer 10/322400-24.
8.Proces-verbaal van aangifte door [naam 4], [proces-verbaalnummer 3], p. 6-7 van het procesdossier inzake parketnummer 01-303648-24.
9.Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van [verbalisant 3], [proces-verbaalnummer 4], p. 12-14 van het procesdossier inzake parketnummer 01-303648-24.