ECLI:NL:RBROT:2026:9155

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
HO RK 26/308
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 370 lid 1 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 371 lid 3 FwArt. 373 lid 1 FwArt. 376 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afkondiging afkoelingsperiode en aanstelling observator in WHOA-procedure verzoekster

Verzoekster, een kennis- en innovatiecentrum te Rotterdam, heeft een verzoek ingediend tot afkondiging van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet Pro in het kader van een besloten akkoordprocedure (WHOA). De afkoelingsperiode is bedoeld om de onderneming tijdens de voorbereiding en onderhandelingen over een akkoord te kunnen voortzetten en zo een faillissement te voorkomen.

De rechtbank heeft het verzoek summierlijk getoetst aan de drie vereisten: noodzaak van de afkoelingsperiode, belangen van gezamenlijke schuldeisers en belangen van derden. Hoewel onzekerheden bestaan over de haalbaarheid van de liquiditeitsprognose en het akkoord, is vastgesteld dat zonder afkoelingsperiode het faillissement onafwendbaar is en dat voortzetting meerwaarde biedt voor schuldeisers en maatschappelijke belangen.

De belangen van de faillissementsaanvrager en andere schuldeisers worden niet wezenlijk geschaad, mede doordat een observator wordt aangesteld. De rechtbank wijst het verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige af, maar benoemt mr. J.O. Bijloo als observator met een voorlopig budget van €7.500 exclusief BTW. De observator krijgt opdracht onderzoek te doen naar de haalbaarheid van het akkoord en toezicht te houden op het proces.

De afkoelingsperiode wordt vastgesteld op twee maanden ingaande 2 juli 2026, met de mogelijkheid tot verlenging bij aantoonbare voortgang. De rechtbank legt beperkingen op aan derden voor verhaal op goederen van verzoekster en schorst de behandeling van faillissementsverzoeken zolang de afkoelingsperiode loopt.

Uitkomst: De rechtbank kondigt een afkoelingsperiode van twee maanden af en stelt een observator aan ter waarborging van de belangen van schuldeisers.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Insolventies – meervoudige kamer
afkondigen afkoelingsperiode
zaak/rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 2 juli 2026
beschikking op het ingekomen verzoekschrift tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet Pro (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] ,
statutair gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. M. Kooiman, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 4 juni 2026 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw Pro ter griffie gedeponeerd.
1.2.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
Verzoekster heeft op 5 juni 2026 ter griffie een verzoekschrift, met acht bijlagen, ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro voor een periode van vier maanden.
1.4.
Verzoekster heeft in het verzoekschrift als belanghebbenden aangeduid:
- [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] );
- ING Bank N.V.
1.5.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 10 juni 2026 bij wijze van tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode afgekondigd voor de periode totdat bij eindbeslissing op het verzoek is beslist en een datum voor de (online) mondelinge behandeling van het verzoekschrift bepaald. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking eveneens bepaald dat verzoekster onverwijld aan [belanghebbende] een kopie van de beschikking zal toezenden en haar wijst op de mogelijkheid om via een bij de griffier van de rechtbank Rotterdam op te vragen link deel te nemen aan de zitting en een zienswijze te geven.
1.6.
De advocaat van [belanghebbende] heeft bij brief van 10 juni 2026 verzocht om een afschrift van de tussenbeschikking van 10 juni 2026, om te worden gehoord op het verzoekschrift en om een zienswijze te mogen indienen.
1.7.
Verzoekster heeft op 15 en 17 juni 2026 (mede op verzoek van de rechtbank d.d. 12 juni 2026) nadere stukken overgelegd en producties 10 tot en met 17 in het geding gebracht.
1.8.
De advocaat van [belanghebbende] heeft op 16 juni 2026 een zienswijze ingediend, met daarin mede het voorwaardelijke verzoek strekkende tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige ex artikel 371 Fw Pro en producties 1 tot en met 6 in het geding gebracht.
1.9.
De verzoeken zijn op 18 juni 2026 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:
namens verzoekster:
- mr. M. Kooiman, advocaat,
- mr. R.T. Mets, advocaat,
- mr. B.R. Kleij, advocaat,
- [naam 1] , bestuurder van verzoekster,
- [naam 2] , accountant van verzoekster,
- [naam 3] , CFO van verzoekster,
namens [belanghebbende] :
- mr. M.D. Schuilwerve, advocaat,
- mr. S.C. de Bakker, advocaat,
- [naam 4] , Vice President and Associate General Counsel bij [belanghebbende] ,
- [naam 5] , Process Engineering Manager bij [belanghebbende] .
1.10.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben mr. Kooiman en mr. De Bakker namens respectievelijk verzoekster en [belanghebbende] spreekaantekeningen voorgedragen die zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben overgelegd.
1.11.
Op suggestie van de rechtbank hebben partijen naar aanleiding van de mondelinge behandeling een mediationtraject beproefd. De rechtbank heeft op 24 juni 2026 van beide partijen bericht ontvangen dat het mediationtraject niet tot afspraken tussen partijen heeft geleid. De advocaat van [belanghebbende] heeft daarbij de rechtbank verzocht om op korte termijn een kopstaart-beschikking te wijzen.
1.12.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
Verzoekster exploiteert een kennis- en innovatiecentrum op het terrein aan de [adres 1] Rotterdam, dat zij onderhuurt van [belanghebbende] . In dat kader verleent [belanghebbende] verschillende aanverwante diensten aan verzoekster, zoals de beveiliging van het terrein en de levering van grondstoffen, zogenoemde
utilities, aan verzoekster. Het centrum biedt ondernemers en onderzoeksinstituten de mogelijkheid om ideeën op het gebied van duurzame technologie op commerciële schaal te testen.
2.2.
Enig bestuurder en enig aandeelhouder van verzoekster is [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), waarvan [naam 1] op zijn beurt enig bestuurder en aandeelhouder is. Verzoekster maakt deel uit van een groep, te weten het [naam groep] . Tot het [naam groep] behoort onder meer ook Pyro One B.V. (hierna: Pyro One).
2.3.
Verzoekster doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro voor de duur van vier maanden.
2.4.
Verzoekster is voornemens een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw Pro aan haar schuldeisers aan te bieden. Zij doet de toezegging om binnen een termijn van twee maanden een dergelijk akkoord aan te bieden.
2.5.
Verzoekster heeft aan haar verzoek de navolgende stellingen ten grondslag gelegd.
2.6.
Door diverse omstandigheden is verzoekster in een toestand komen te verkeren waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. Verzoekster is om die reden voornemens een reorganisatieakkoord aan haar schuldeisers aan te bieden dat is gericht op voortzetting van de onderneming na herstructurering van de schuldenlast. Kernmaatregelen van de herstructurering betreffen: gedeeltelijke kwijtschelding van (concurrente) schulden, herstructurering van de relatie met [belanghebbende] , het treffen van een regeling met de Belastingdienst, het aantrekken van nieuwe huurders, het in kaart brengen van de intercompany-posities en de positie van ING Bank en het doorvoeren van kostenbesparende maatregelen.
2.7.
De afkoelingsperiode is noodzakelijk om de onderneming van verzoekster tijdens de voorbereiding van het akkoord te kunnen blijven voortzetten. Op 19 mei 2026 is door [belanghebbende] het faillissement van verzoekster aangevraagd. Zonder afkoelingsperiode zal dit verzoek naar alle waarschijnlijkheid tot gevolg hebben dat verzoekster, onder de huidige omstandigheden, failliet wordt verklaard.
2.8.
Verzoekster is in de kern levensvatbaar en de exploitatie van verzoekster is structureel gezond. Dit blijkt uit de actuele cijfers. Over de eerste maanden van 2026 is een positief exploitatieresultaat behaald. De problematiek is primair gelegen in het uitblijven van betaling van grote debiteuren en te hoge exploitatiekosten. Verzoekster beschikt over een substantiële debiteurenportefeuille, een unieke marktpositie als innovatiecentrum in de Botlek en een gediversifieerd klantenbestand. Er zijn gesprekken gaande met verschillende partijen die een innovatie op het terrein van verzoekster willen testen.
2.9.
De debiteurenportefeuille van verzoekster bedraagt per 20 mei 2026 in totaal € 3.264.281,00. Een van de grootste posten hierin betreft de vordering op CCT Circulair CleanTech B.V. (hierna: CCT) van circa € 960.000,00. CCT is gesommeerd om per omgaande tot integrale betaling van de niet betwiste facturen van totaal € 437.133,59 over te gaan. Over de resterende facturen vinden gesprekken plaats tussen verzoekster en CCT. Het betreft volgens verzoekster een vordering die naar verwachting, al dan niet na het treffen van rechtsmaatregelen, (grotendeels) inbaar is en waarbij verrekening van de tegenvordering van CCT uitgesloten is.
2.10.
Verzoekster heeft daarnaast een vordering op Pyro One van circa € 2.000.000,00. Pyro One beschikt over een industriële installatie op het terrein van verzoekster. Deze installatie is verkocht aan een derde partij, die haar financiering dient te ontvangen vanuit Dubai. Uit de verkoopopbrengst van deze installatie zal een bedrag van circa € 1.400.000,00 beschikbaar komen voor aflossing van de schuld aan verzoekster. Door het conflict in het Midden-Oosten heeft de financiering vanuit Dubai vertraging opgelopen. Tot op heden zijn deelbetalingen ontvangen van ongeveer € 560.000,00. Er wordt getracht een escrow-overeenkomst te sluiten op grond waarvan de koper uiterlijk 7 juli 2026 de resterende koopsom in escrow dient te storten. Betalingen aan Pyro One vinden steeds plaats op het moment dat een deel van de installatie op transport gaat naar de koper. Uit deze betalingen zal vervolgens betalingen aan verzoekster volgen, tot het totaalbedrag van € 1.400.000,00. Het bedrag dat beschikbaar komt uit de transactie en de daaruit volgende aflossing aan verzoekster, zal worden aangewend om de lopende kosten gedurende de afkoelingsperiode te dekken.
2.11.
De resterende debiteuren van verzoekster zijn bovendien solvabele partijen waarmee doorlopend contact bestaat over betaling van de openstaande facturen en zij hanteren vaak een lange betalingstermijn van 60 dagen.
2.12.
De contouren van het akkoord zijn als volgt. De voor het akkoord benodigde middelen kunnen worden gegenereerd uit de lopende kasstromen van de onderneming, de inning van de openstaande debiteuren en, indien nodig, additionele financiering die binnen het [naam groep] kan worden aangetrokken. [bedrijf] is eigenaar van verschillende onroerende zaken, waaronder een bedrijfspand aan de [adres 2] . Dit bedrijfspand zal door [bedrijf] worden verkocht. De verwachting bestaat dat de overwaarde de hypotheekschuld aan de ING Bank dekt. De opbrengst die resteert nadat de hypothecaire geldlening van de ING Bank is afgelost, kan worden aangewend voor het akkoord. Het banksaldo en de overwaarde samen zijn voldoende om de bevoorschotting vanuit de debiteuren weer op te vangen. De totale overwaarde van de vastgoedportefeuille wordt geschat op ruim € 10.000.000,00.
2.13.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat haar gezamenlijke schuldeisers gediend zijn bij het afkondigen van de afkoelingsperiode. Zij zijn gediend met behoud van de continuïteit van de onderneming en het slagen van de herstructurering. In het geval van een faillissement zal naar verwachting significante waarde worden vernietigd. De bedrijfsspecifieke activa van verzoekster hebben bij gedwongen liquidatie een aanzienlijk lagere waarde dan bij
going concernexploitatie. De lopende huurcontracten zullen door een curator worden beëindigd waardoor de huurinkomstenstroom wegvalt. De faillissementskosten zullen de beschikbare middelen voor de schuldeisers verder verminderen. Bij een faillissement zullen naar verwachting alleen de separatist, de ING Bank, en de Belastingdienst een (gedeeltelijke) uitkering ontvangen en
in the moneyzijn. De concurrente crediteuren zullen vermoedelijk niets ontvangen.
2.14.
In het WHOA-akkoord wordt de
going concernwaarde van de onderneming behouden. De debiteurenportefeuille kan worden geïnd, de huurinkomsten blijven doorlopen en in het akkoord zal naar verwachting een hoger percentage aan de concurrente crediteuren kunnen worden uitgekeerd. Gedurende de afkoelingsperiode zal de verhaalspositie van de gezamenlijke schuldeisers niet verslechteren omdat verzoekster positieve operationele kasstromen genereert. De onderneming kan daarnaast aan haar lopende verplichtingen voldoen uit de lopende exploitatieopbrengsten. Bij het opstellen van de liquiditeitsprognose is 1 juni 2026 als fixatiedatum genomen. Lopende verplichtingen zijn vanaf 1 juni 2026 in de liquiditeitsprognose meegenomen.
2.15.
Verzoekster stelt voorts dat derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad. Zo wordt [belanghebbende] als faillissementsaanvrager niet wezenlijk in haar belangen geschaad door toewijzing van de afkoelingsperiode. In het kader van het akkoord zal [belanghebbende] als crediteur naar verwachting een hogere uitkering ontvangen dan in een faillissementsscenario. Bovendien heeft [belanghebbende] als verhuurder belang bij de continuïteit van verzoekster, nu beëindiging van de exploitatie ook voor [belanghebbende] leegstand van het terrein zou betekenen. Daarnaast kan aan [belanghebbende] vanuit [bedrijf] zekerheid worden geboden voor haar vordering. Ook de hypotheekhouder, ING Bank, wordt niet wezenlijk geschaad, nu haar zekerheidspositie (hypotheekrecht en pandrecht) door de afkoelingsperiode niet wijzigt. Bij voortzetting van de exploitatie zal de waarde van het onderpand beter worden geborgd dan bij liquidatie, aldus steeds verzoekster.

3.Het standpunt van [belanghebbende]

3.1.
heeft haar zienswijze op het verzoek van verzoekster op 16 juni 2026 kenbaar gemaakt. Hunstman is van oordeel dat het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode dient te worden afgewezen en legt daaraan het volgende ten grondslag.
3.2.
Verzoekster verkeert niet in de ‘WHOA-toestand’ als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw Pro, omdat niet aannemelijk is dat zij in staat is om aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Sinds 2023 schiet verzoekster stelselmatig tekort in de nakoming van haar betalingsverplichtingen jegens [belanghebbende] . Een door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst werd meteen al niet nagekomen door verzoekster en zij laat de aan [belanghebbende] verschuldigde huur en
utilitiesal ruim drie maanden onbetaald. Daarnaast kon verzoekster tussen oktober 2025 en januari 2026 de opgelegde loonheffingsaanslagen niet voldoen en laat zij sinds in ieder geval december 2025 de maandelijkse onbetwiste facturen van minimaal elf handelsschuldeisers onbetaald. Verzoekster laat ook de facturen van de accountant sinds oktober 2025, alsmede de facturen van de verzekeringspremies sinds februari 2026 onbetaald. Dit zou kunnen leiden tot schorsing of opschorting van de verzekeringsdekking, wat zou kunnen betekenen dat de bedrijfsrisico’s van verzoekster niet of onvoldoende zijn gedekt. De schuld aan de accountant doet gerede twijfel rijzen over de kwaliteit van de administratie van verzoekster. Daarnaast blijkt uit de (concept) jaarrekeningen dat het werkkapitaal van verzoekster sinds eind 2023 negatief is. Dit wijst erop dat de liquiditeitsproblemen structureel zijn. Ook is sprake van aanzienlijke omzetkrimp. Van een levensvatbare onderneming is geen sprake meer.
3.3.
Dat verzoekster haar lopende verplichtingen gedurende de afkoelingsperiode zou kunnen financieren uit de nog te incasseren debiteurenvorderingen acht [belanghebbende] uiterst onzeker. Van de debiteurenportefeuille van verzoekster bestaat 96% uit vorderingen waarvan onzeker is of zij (tijdig) zullen worden geïncasseerd. De gedeeltelijke incasso van de rekening-courantvordering op Pyro One is volledig afhankelijk van de incasso van een debiteurenvordering van Pyro One op haar afnemer in Dubai. Daarvoor moeten nog leveringen plaatsvinden. Dat deze zullen plaatsvinden en dat het geld dan wordt aangewend voor betaling van verzoekster is onzeker. Ten aanzien van de vordering op CCT, die voor meer dan de helft wordt betwist, geldt dat CCT stelt over een aanzienlijke tegenvordering te beschikken en dat mogelijk rechtsmaatregelen zullen moeten worden getroffen om tot incasso te komen. Ten aanzien van de door verzoekster als solvabel aangeduide debiteuren geldt dat zij niet tijdig betalen, nu facturen ten belope van in totaal € 160.512,65 reeds geruime tijd zijn vervallen. Dat er met een aantal nieuwe partijen afspraken zijn gemaakt over onder de meer de verhuur van locaties en levering van nutvoorzieningen, zoals door verzoekster gesteld, is niet met stukken onderbouwd. Evenmin is inzicht gegeven in de omvang van de daarmee samenhangende inkomsten, terwijl deze wel zijn opgenomen in de liquiditeitsprognose.
3.4.
[belanghebbende] stelt daarnaast dat een afkoelingsperiode de belangen van de schuldeisers van verzoekster niet dient en [belanghebbende] , als faillissementsaanvrager, door de afkoelingsperiode wezenlijk wordt benadeeld. Dat verzoekster haar lopende verplichtingen niet nakomt leidt tot verslechtering van de positie van schuldeisers die de bedrijfsactiviteiten financieren. Daarnaast kunnen de baten die met het voorgenomen akkoord worden gerealiseerd mogelijk lager zijn dan in een faillissement omdat bij continuering van het WHOA-traject de gezamenlijke schuldeisers niet kunnen profiteren van baten die voortvloeien uit door de curator in te stellen rechtmatigheidsacties.
3.5.
Het door verzoekster beoogde akkoord heeft daarnaast geen reële kans van slagen nu de financiële administratie van verzoekster onvoldoende op orde is, aldus [belanghebbende] . Zo zijn de jaarrekeningen over de boekjaren 2024 en 2025 gebaseerd op conceptcijfers nu de samenstellingsovereenkomsten niet zijn afgerond en wijken de cijfers in de conceptjaarrekeningen 2024 en 2025 significant af van de cijfers zoals door verzoekster genoemd in het verzoekschrift. Ook zijn de intra-groep posities nog niet definitief vastgesteld en ontbreken in het debiteurenoverzicht in ieder geval vijf facturen van de Gemeente Rotterdam. Daarnaast geldt ten aanzien van de kans van slagen van het beoogde akkoord dat verzoekster lijkt te miskennen dat artikel 373 lid 1 Fw Pro voor iedere wijziging van lopende overeenkomsten de uitdrukkelijke instemming van de wederpartij vereist. [belanghebbende] zal een aanbod tot wijziging van de Overeenkomsten niet (kunnen) aanvaarden.
3.6.
[belanghebbende] zal bovendien bij afkondiging van een afkoelingsperiode wezenlijk in haar belangen worden geschaad. De diverse overeenkomsten met verzoekster bevatten zogenoemde ipso facto-clausules die [belanghebbende] bij faillissement het recht geven om de betreffende overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. In faillissement kan [belanghebbende] de onderhuurovereenkomst direct opzeggen en de verschuldigde huurtermijnen tijdens de opzegtermijn kwalificeren als boedelvordering. [belanghebbende] kan in dat geval ook een nieuwe huurder aantrekken en haar schade beperken.
3.7.
Voor zover de rechtbank oordeelt dat het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode wel moet worden toegewezen, kan dit naar het oordeel van [belanghebbende] slechts met aanwijzing van een herstructureringsdeskundige. Verzoekster lijkt zelf niet in staat een akkoord voor te bereiden en aan te bieden. Een herstructureringsdeskundige kan op korte termijn onderzoeken of voortzetting van de WHOA-procedure en opschorting van verhaalsrechten van schuldeisers in het kader van een afkoelingsperiode gerechtvaardigd is. [belanghebbende] verzoekt daarom voorwaardelijk om een van de twee door haar aangedragen personen als herstructureringsdeskundige te benomen. Het verzoek moet als vervallen worden beschouwd indien het verzoek om een afkoelingsperiode af te kondigen wordt afgewezen of indien de kosten van de herstructureringsdeskundige niet door verzoekster worden gedragen.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
De rechtbank heeft in de genoemde tussenbeschikking van 10 juni 2026 de beslotenheid van de akkoordprocedure en haar bevoegdheid tot behandeling van het verzoek vastgesteld.
Afkoelingsperiode
4.2.
Op grond van artikel 376 Fw Pro kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw Pro is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.
4.3.
Verzoekster heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden zodat verzoekster kan worden ontvangen in haar verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode.
4.4.
Op grond van artikel 376 lid 4 Fw Pro wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn, en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad. Dat verzoekster verkeert in de toestand ex artikel 370 lid 1 Fw Pro betreft geen expliciete wettelijke voorwaarde voor het afkondigen van een afkoelingsperiode maar kan een rol spelen bij de belangenafwegingen zoals omschreven onder (2) en (3). De rechtbank zal in dit kader dus niet separaat toetsen of verzoekster verkeert in de toestand ex artikel 370 lid 1 Fw Pro.
(1)
Noodzaak
4.5.
Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door de verzoekster gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. [belanghebbende] heeft reeds het faillissement van verzoekster aangevraagd. Summierlijk is gebleken dat zonder afkoelingsperiode het faillissement van verzoekster onafwendbaar zal zijn. Aannemelijk is daarnaast dat een afkoelingsperiode ook noodzakelijk is om te voorkomen dat individuele verhaals- of beëindigingshandelingen het akkoordproces doorkruisen.
(2)
Belangen van de gezamenlijke schuldeisers
4.6.
Ten aanzien van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, geldt de volgende maatstaf. De verzoeker zal inzichtelijk moeten maken wat het gevolg is van een voortzetting van de onderneming tijdens de afkoelingsperiode ten opzichte van het alternatieve scenario (in de regel een faillissement). Als uitgangspunt geldt dat lopende een afkoelingsperiode de verhaalspositie van de gezamenlijke schuldeisers niet mag verslechteren. Om deze reden zal de onderneming in de regel op basis van een liquiditeitsbegroting moeten laten zien wat de gevolgen zijn van voortzetting gedurende de afkoelingsperiode. Indien sprake is van een negatieve exploitatie, kan het desondanks in het belang zijn van de gezamenlijke schuldeisers om een afkoelingsperiode te verlenen. Dat zal het geval kunnen zijn indien het akkoord een duidelijke meerwaarde heeft boven een afwikkeling in faillissement.
4.7.
In dit geval volgt uit de overgelegde liquiditeitsprognose dat de lopende verplichtingen de aankomende maanden voor een groot deel uit de inning van (reeds langere tijd) openstaande debiteuren dienen te worden voldaan. Dit betreft geen debiteuren die zichzelf vernieuwen. Gebleken is, dat de gezamenlijke schuldeisers als gevolg hiervan gedurende de afkoelingsperiode voor enkele duizenden euro’s tot circa € 135.000,00 per maand interen op het vermogen dat voor verhaal vatbaar is (waarbij de aflossing op de vordering van ING Bank buiten beschouwing wordt gelaten, aangezien deze ook resulteert in reductie van een door zekerheden gedekte schuld). Bovendien is het de vraag of de liquiditeitsprognose wordt gehaald. Zowel de debiteurenincasso als de overige inkomsten en uitgaven zijn met verschillende onzekerheden omgeven (zoals mede door [belanghebbende] geschetst). Dit zou aanleiding kunnen zijn om de afkoelingsperiode af te wijzen.
4.8.
Tegelijkertijd is summierlijk gebleken dat binnen het [naam groep] sprake is van een vastgoedportefeuille met significante overwaarde die zal kunnen worden ingezet voor het akkoord. [bedrijf] is eigenaar van verschillende onroerende zaken, waaronder een bedrijfspand aan de [adres 2] . Dit bedrijfspand zal door [bedrijf] worden verkocht. De verwachting bestaat dat de opbrengst de hypotheekschuld aan de ING Bank (ruimschoots) dekt. De overwaarde die resteert nadat de hypothecaire geldlening van de ING Bank is afgelost, kan worden aangewend voor het akkoord. Aannemelijk is dat in geval van een reorganisatieakkoord een groter deel van de in [bedrijf] beschikbare (overwaarde)waarde kan worden ingezet ten behoeve van de (concurrente) schuldeisers van verzoekster dan in een faillissementsscenario. De totale overwaarde van de vastgoedportefeuille wordt door verzoekster geschat op ruim € 10.000.000,00. In dat geval is de overwaarde uit de vastgoedportefeuille (indien deze ten behoeve van het akkoord van verzoekster wordt ingezet) dus ruimschoots voldoende om de negatieve effecten op te vangen die ontstaan door de voldoening van lopende verplichtingen vanuit de debiteurenincasso. Deze negatieve effecten blijven (op basis van de liquiditeitsbegroting) immers beperkt tot een bedrag van enkele duizenden tot maximaal € 135.000,00 per maand. De rest van het debiteurensaldo blijft beschikbaar voor de gezamenlijke crediteuren. Daar komt bij dat de ondernemingsactiviteiten bij een succesvolle herstructurering van de schulden kunnen worden voortgezet. Met voortzetting van de onderneming zijn ook maatschappelijke belangen gediend, nu verzoekster met haar werkzaamheden onder andere initiatieven in de energietransitie faciliteert. Dit alles maakt dat er meerwaarde lijkt te zijn voor de gezamenlijke schuldeisers indien een akkoord tot stand komt. Uit de stellingen van verzoekster volgt summierlijk dat – indien het beoogde akkoord wordt bereikt – er een hogere uitkering aan schuldeisers zal volgen dan ingeval van een faillissement.
4.9.
Daar staat dan weer tegenover dat verzoekster haar stellingen over de contouren van het akkoord slechts summier heeft onderbouwd. De rechtbank constateert dat er in dit stadium nog veel onduidelijkheid bestaat over de invulling en mogelijkheden van een akkoord. In het verzoekschrift wordt geen informatie verstrekt over de exacte positie van [bedrijf] . Hoewel voorshands wel kan worden aangenomen dat het vastgoed van [bedrijf] buiten faillissement meer oplevert, is die stelling nog weinig onderbouwd. Verzoekster heeft geen taxatie- en waarderingsrapporten en geen financieringsdocumenten in het geding gebracht en de stellingen over de zekerhedenpositie van ING binnen het [naam groep] en op het niveau van verzoekster zijn niet of slechts zeer summier onderbouwd.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van de gezamenlijke schuldeisers om snel meer duidelijkheid te krijgen over de haalbaarheid van de liquiditeitsbegroting en het voorgenomen akkoord. De rechtbank ziet in één en ander aanleiding om een afkoelingsperiode te gelasten voor een kortere periode dan verzocht en met aanstelling van een observator ter waarborging van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers (zie nader uitgewerkt onder paragraaf 4.14. tot en met 4.16. hieronder).
(3)
Individuele belangen van door de afkoelingsperiode getroffen derden
4.11.
Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat [belanghebbende] vooralsnog niet wezenlijk in haar belangen wordt geschaad als gevolg van de afkoelingsperiode. In het geval van een faillissement van verzoekster is niet summierlijk gebleken dat er daadwerkelijk een uitkering zal volgen aan [belanghebbende] en de andere gezamenlijke (concurrente) schuldeisers. Hoewel een faillissement zal kunnen leiden tot een beperkte mate van schadebeperking aan de zijde van [belanghebbende] (indien en voor zover zij inderdaad op korte termijn nieuwe huurders zou kunnen aantrekken, hetgeen niet is onderbouwd), is de rechtbank van oordeel dat op dit moment dat belang niet zwaarder dient te wegen dan de belangen van verzoekster en de gezamenlijke schuldeisers bij een reorganisatieakkoord waarbij naar verwachting wel een uitkering kan worden gedaan aan de concurrente schuldeisers. Daar komt bij dat deze belangen van [belanghebbende] worden beschermd doordat bij de afkoeling een observator wordt benoemd en de duur van de afkoelingsperiode in eerste instantie beperkt zal zijn. Dat er andere individuele schuldeisers zijn die als gevolg van de afkoelingsperiode in hun belangen worden geschaad, is evenmin gebleken.
Herstructureringsdeskundige
4.12.
[belanghebbende] heeft de rechtbank verzocht om bij toewijzing van het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode een herstructureringsdeskundige aan te wijzen en heeft (in overeenstemming met het Procesreglement) twee offertes overgelegd van mogelijk te benoemen herstructureringsdeskundigen, namelijk van mr. R.R.M. van den Heuvel en
mr. J.O. Bijloo.
4.13.
Een verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige wordt op grond van artikel 371 lid 3 Fw Pro in ieder geval toegewezen als het is ingediend door de schuldenaar zelf. Dit geldt in beginsel ook als het verzoek wordt gesteund door de meerderheid van de schuldeisers. Aan deze vereisten is niet voldaan, nu verzoekster zich vooralsnog heeft verzet tegen de aanwijzing van een herstructureringsdeskundige omdat de benoeming van een observator volstaat. Dat het verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige wordt gesteund door de meerderheid van de schuldeisers, is voorts niet gebleken. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank (gelet op de in paragraaf 4.7 en 4.9 genoemde onzekerheden) nog niet summierlijk gebleken dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers in deze fase gediend zijn met de aanwijzing van een herstructureringsdeskundige. Het verzoek van [belanghebbende] tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige wordt dan ook afgewezen. De rechtbank betrekt daarbij dat, indien later meer gefundeerd blijkt dat de voorbereiding van het akkoord door een herstructureringsdeskundige in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers, de aanstelling van de hierna te noemen observator (welke persoon is aangedragen door [belanghebbende] ) nog kan worden omgezet naar een aanstelling als observator.
Observator
4.14.
De rechtbank ziet in het licht van voornoemde onzekerheden (paragraaf 4.7. en 4.9.) wel aanleiding om in het belang van de gezamenlijke schuldeisers op de voet van artikel 376 lid 9 Fw Pro een observator aan te stellen. Meer specifiek draagt de rechtbank daarbij aan de observator op om onderzoek te verrichten naar: (i) de haalbaarheid van de liquiditeitsbegroting, (ii) de mate waarin de verhaalspositie van de crediteuren verslechtert als gevolg van het voldoen van lopende verplichtingen uit de debiteurenincasso, (iii) de zekerhedenpositie van ING Bank, en (iv) de beschikbare overwaarde binnen het [naam groep] die als akkoordfinanciering ter beschikking zou kunnen worden gesteld aan de schuldeisers van verzoekster. Daarnaast dient de observator toezicht te houden op de totstandkoming van het akkoord, de nakoming van de lopende verplichtingen door verzoekster, de informatieverstrekking richting de crediteuren en de transparantie van het proces.
4.15.
Om de mogelijkheid open te houden de aanstelling van de observator in een later stadium om te zetten naar die van herstructureringsdeskundige heeft de rechtbank de door [belanghebbende] overgelegde offertes beoordeeld in het kader van een aan te stellen observator. De rechtbank acht beide voorgestelde personen geschikt als observator. Nu mr. J.O. Bijloo gelet op het door hem voorgestelde uurtarief een gunstigere offerte heeft uitgebracht, acht de rechtbank hem in dit geval de aangewezen persoon om als observator te fungeren. Niet is gebleken van uitdrukkelijke bezwaren tegen zijn benoeming. Uit zijn offerte blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat hij over de competenties beschikt die voor deze specifieke casus van belang lijken.
4.16.
De rechtbank wenst uiterlijk op 30 juli 2026 van verzoekster en de observator een bericht omtrent de stand van zaken te ontvangen, met daarin aandacht voor de hiervoor in paragraaf 4.14. genoemde punten.
Conclusie
4.17.
De rechtbank zal een afkoelingsperiode van twee maanden gelasten, ingaande op 2 juli 2026. Indien verzoekster daarna een verlenging van de afkoelingsperiode wenst, dient zij aannemelijk te maken dat er belangrijke vooruitgang is geboekt bij de totstandkoming van het akkoord, en haar stellingen over de waarde die gerealiseerd kan worden voor de schuldeisers, nader te onderbouwen. In het belang van de gezamenlijke schuldeisers wordt daarnaast een observator benoemd.

5.De beslissing

De rechtbank:
- kondigt een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw Pro voor een periode van twee maanden, ingaande op 2 juli 2026
,die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoekster behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoekster bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden, en
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens de verzoekster ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst dan wel geschorst blijft;
- stelt aan als observator mr. J.O. Bijloo, gevestigd te Blaak 555, 3011 GB Rotterdam;
- draagt de observator op om binnen een week na heden een begroting van de kosten van zijn werkzaamheden en die van eventuele derden die door hem worden geraadpleegd te maken en deze aan de rechtbank toe te zenden en houdt de vaststelling van het bedrag dat de werkzaamheden van de observator en van de derden die door hem worden geraadpleegd ten hoogte mogen kosten aan;
- stelt vooruitlopend op de begroting van de observator een voorlopig budget vast van € 7.500,00 exclusief BTW;
- bepaalt dat de kosten van de observator ten laste van verzoekster komen en dat verzoekster voor de betaling daarvan zekerheid moet stellen;
- draagt de observator op om met het oog op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers onderzoek te verrichten naar (i) de haalbaarheid van de liquiditeitsbegroting, (ii) de mate waarin de verhaalspositie van de crediteuren verslechtert als gevolg van het voldoen van lopende verplichtingen uit de debiteurenincasso, (iii) de zekerhedenpositie van ING Bank, en (iv) de beschikbare overwaarde binnen het [naam groep] die als akkoordfinanciering ter beschikking zou kunnen worden gesteld aan de schuldeisers van verzoekster en toezicht te houden op de totstandkoming van het akkoord, de informatieverstrekking daarover richting de crediteuren en de transparantie van het proces;
- draagt de observator voorts op de rechtbank uiterlijk gelijktijdig aan een eventueel verzoek tot verlenging dan wel een week voorafgaand aan het verstrijken van de afkoelingsperiode of zoveel vaker als hij dat nodig acht op hoofdlijnen te informeren over de voortgang van en belangrijke ontwikkelingen in het WHOA-traject;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G.E. Prenger, voorzitter, mr. J.C.A.T. Frima en
mr. P.J. Neijt, rechters, en in aanwezigheid van mr. S. Verberne-van Ree, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.