ECLI:NL:RBROT:2026:9177

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
10-247305-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v SrArt. 77c SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77we Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling openlijke geweldpleging in buurtcentrum

Op 19 september 2025 vond een ernstig incident plaats in buurtcentrum Xiejezo te Zwijndrecht waarbij een 17-jarige jongen (het slachtoffer) werd neergestoken en later geschopt en geslagen. De rechtbank stelde vast dat het slachtoffer de confrontatie zocht en een vuurwapen trok, waarna een worsteling ontstond in de keuken. De verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag omdat niet kon worden vastgesteld dat hij het slachtoffer had gestoken.

Wel werd de verdachte veroordeeld voor openlijke geweldpleging omdat hij samen met een medeverdachte het gewonde slachtoffer schoppend en slaand heeft toegetakeld terwijl het slachtoffer geen bedreiging meer vormde. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat het geweld na de worsteling niet meer noodzakelijk was en de verdachte niet handelde onder een hevige gemoedsbeweging.

De verdachte, toen 18 jaar, werd veroordeeld tot 30 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en kreeg een contactverbod van 3 jaar opgelegd met een sanctie van vervangende jeugddetentie bij overtreding. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevordering wegens eigen schuld en complexiteit van de schadeverdeling.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag en veroordeeld tot 30 dagen jeugddetentie voor openlijke geweldpleging met contactverbod van 3 jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10-247305-25
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] [postcode] [plaatsnaam],
raadsman: mr. B. Çiçek, advocaat te Breda.

1.De zaak in het kort

Op 19 september 2025 is een jongen van 17 jaar neergestoken in het buurtcentrum Xiejezo in Zwijndrecht. Hij is daarbij zeer ernstig gewond geraakt. Zonder het snelle en adequate ingrijpen van de politie, en vervolgens de behandeling in de ambulance en in het ziekenhuis, had hij het vrijwel zeker niet overleefd.
De officier van justitie heeft vier jongens voor deze gebeurtenis vervolgd. Dit vonnis ziet op één van hen. De rechtbank heeft mede op basis van camerabeelden vastgesteld dat het slachtoffer op 19 september 2025 de confrontatie heeft gezocht met de vier verdachten: hij liep op hen af buiten het buurtcentrum, trok toen een vuurwapen en toen de verdachten wegrenden, is het slachtoffer achter twee van hen aangerend, het buurtcentrum in. Daar heeft een vechtpartij in de keuken plaatsgevonden en in die vechtpartij is het slachtoffer meermaals gestoken met een mes. De [medeverdachte 1] is de enige van wie vastgesteld kan worden dat hij met een mes gestoken heeft. Dit gebeurde tijdens een chaotische situatie in een kleine ruimte. Er kan niet vastgesteld worden dat de verdachte er rekening mee moest houden dat een medeverdachte met een mes zou gaan steken. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot doodslag.
Nadat in de keuken is gevochten heeft er openlijk geweld plaatsgevonden bij de bar van het buurtcentrum. De verdachte is samen met de [medeverdachte 2] – nadat zij waren vertrokken – teruggekomen en toen hebben zij het op de grond liggende slachtoffer geschopt en geslagen. De verdachte komt daarbij geen beroep op noodweer(exces) toe: het slachtoffer vormde geen bedreiging meer en het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging als direct gevolg van de eerdere bedreiging. De verdachte wordt daarom veroordeeld voor openlijke geweldpleging.

2.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 en 14 juli 2026.

3.Tenlastelegging

De verdachte staat terecht op de beschuldiging van een poging doodslag (feit 1) en openlijk geweld en mishandeling (feit 2). De precieze tekst van de beschuldiging is neergelegd in
bijlage Ibij dit vonnis.

4.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L. Goudzwaard heeft gevorderd:
  • vrijspraak van feit 1;
  • bewezenverklaring van feit 2;
  • toepassing van het jeugdstrafrecht;
  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 40 dagen met aftrek van het voorarrest;
  • oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van 5 jaar, waarbij per overtreding één week hechtenis wordt toegepast (met een maximum van 6 maanden).
5.
Wat is er gebeurd? [1]
De rechtbank stelt op basis van het dossier, de camerabeelden en hetgeen op de zitting is besproken het volgende vast over de feitelijke gang van zaken op 19 september 2025.
Achtervolging eerder op de dag
[medeverdachte 1] is op 19 september 2025 omstreeks 13:39 uur achtervolgd in Zwijndrecht. Als [medeverdachte 1] wil oversteken komt plots een in het donker geklede jongen in zijn richting rennen. [medeverdachte 1] rent weg en de jongen rent tot aan het winkelcentrum achter hem aan. [medeverdachte 1] zoekt na de achtervolging contact met de medeverdachten en vertelt dat hij is achtervolgd door het latere [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De vier verdachten, die in de wijk Noord wonen, kennen het slachtoffer, die uit de wijk Nederhoven komt, door eerdere spanningen en confrontaties tussen de groepen jongeren uit die wijken. De in het donker geklede jongen is door een getuige, die zowel in het winkelcentrum als in het buurtcentrum ter plaatse is geweest, herkend als het latere slachtoffer. De rechtbank gaat er op basis hiervan vanuit dat het het slachtoffer is geweest die [medeverdachte 1] die middag heeft achtervolgd door Zwijndrecht.
Confrontatie voorzijde buurtcentrum Xiejezo
Omstreeks 14:50 uur staan de vier verdachten ([medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [verdachte]) met een groep andere jongeren voor het buurtcentrum Xiejezo. Het slachtoffer komt om 14:57:51 uur op een fatbike aanrijden. Hierop loopt een deel van de groep, waaronder [medeverdachte 1], het buurtcentrum in. Het slachtoffer stapt van zijn fatbike af, loopt in de richting van de andere drie verdachten en houdt zijn handen in zijn jaszakken. In zijn rechterzak zit volgens de later door de politie vergroot uitgekeken camerabeelden een op een vuurwapen lijkend voorwerp. [verdachte] slaat het slachtoffer met een wapenstok, terwijl die het op een vuurwapen lijkend voorwerp uit zijn zak haalt en deze richt op [medeverdachte 3] en daarna op [verdachte]. De groep jongeren stuift dan uit elkaar en vlucht weg. Op dat moment rent [medeverdachte 2] via de nooduitgang, waarvan de deur open stond, het buurtcentrum binnen. [verdachte] rent achter [medeverdachte 2] aan en zij worden op de voet gevolgd door het slachtoffer. [medeverdachte 3] rent als laatste via de hoofdingang het buurtcentrum binnen. In het buurtcentrum is op dat moment een groep vrijwilligers aanwezig.
Worsteling in de keuken en steekincident
[verdachte] en [medeverdachte 2] rennen om 14:58:07 uur achter elkaar aan de keuken van het buurtcentrum in, direct gevolgd door het slachtoffer. In de keuken hangt geen camera. Wat daar gebeurt, is het enige deel van de confrontatie bij en in het buurtcentrum waar geen camerabeelden van zijn.
[verdachte] en [medeverdachte 2] verklaren dat het slachtoffer in de keuken een vuurwapen op hen richt en daarbij meermaals de trekker overhaalt. Het vuurwapen gaat niet af. Er ontstaat – nog steeds volgens de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] – een worsteling om het vuurwapen waarbij over en weer wordt geduwd, geslagen en getrokken. Uit forensisch onderzoek van het letsel van [verdachte] en [medeverdachte 2] blijkt dat zij letsel hebben opgelopen dat passend is bij hun verklaringen over de worsteling.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zien vanuit de gang van het buurtcentrum een deel van de worsteling. Zij rennen om 14:58:30 uur samen de keuken in nadat zij een hard geluid horen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben hier beiden over verklaard dat zij dachten dat er door het slachtoffer was geschoten. Als zij aankomen bij de keuken zien zij [verdachte] staan met zijn hand tegen zijn buik. Daardoor dachten zij dat hij was beschoten. [medeverdachte 1] raakt dan betrokken bij de worsteling. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het slachtoffer hem vastpakte en dat hij dacht dat het slachtoffer een vuurwapen vasthield en daarmee richtte. Hij heeft toen een mes uit de keuken gepakt en het slachtoffer daarmee één keer in zijn been gestoken, aldus [medeverdachte 1].
[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] rennen om 14:58:56 uur weg en verlaten het buurtcentrum.
[medeverdachte 2] komt om 14:59:01 uur uit de keuken en klimt over de bar. Tegelijkertijd is op de camerabeelden te zien dat het slachtoffer bij de bar op de grond ligt, waarbij er op de grond bloed bij het slachtoffer te zien is. Te zien is dat [verdachte] de verdachte een schop geeft. [verdachte] loopt dan om 14:59:15 met een vuurwapen in zijn hand het buurtcentrum uit, gevolgd door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] mist een schoen. [verdachte] en [medeverdachte 2] stappen samen in de auto en rijden weg.
Feit 1, de poging doodslag, betreft het steken van het slachtoffer in de keuken. Uit de medische verklaring blijkt dat er vijf keer is gestoken, dus meer dan de één keer steken die door [medeverdachte 1] is bekend.
Geweld buiten de keuken en in de buurt van de bar
Het slachtoffer staat omstreeks 14:59:23 uur op en zakt in de buurt van de bar in elkaar. Er ontstaat, zo is op de beelden te zien, wederom een plas bloed. Omstreeks 15:01:04 gaan [verdachte] en [medeverdachte 2] opnieuw het buurtcentrum Xiejezo binnen. Zij lopen samen naar het slachtoffer dat nog in de buurt van de bar op de grond ligt. [medeverdachte 2] schopt met kracht tegen het lichaam van het slachtoffer, waarna hij samen met [verdachte] achter de bar uit beeld verdwijnt. De getuigen in het buurtcentrum zien het slachtoffer en schrikken. Vervolgens loopt [medeverdachte 2] opnieuw naar het slachtoffer. Hij heeft een bebloed mes in zijn linkerhand en slaat met zijn rechterhand het slachtoffer. [verdachte] duwt [medeverdachte 2] weg en schopt het slachtoffer. Vervolgens slaat [medeverdachte 2] het slachtoffer opnieuw. Om 15:01:45 verlaten [verdachte] en [medeverdachte 2] met het bebloede mes en de schoen van [medeverdachte 2] het buurtcentrum, terwijl het slachtoffer nog altijd op de grond ligt en hulp nodig heeft. Dit incident in de buurt van de bar is ten laste gelegd onder feit 2.
Letsel
Het slachtoffer had twee steekverwondingen in de bovenarm, twee steekverwondingen in het bovenbeen en één schampsteek op zijn linker voorhoofd. Hij heeft veel bloed verloren en is in het ziekenhuis geopereerd. Er was volgens de verklaring van de forensisch artsen sprake van acuut levensgevaar. Zonder de operatie was hij zeker overleden aan de steekwond in het bovenbeen, waarbij de slagader is geraakt. Ook met de behandeling in het ziekenhuis was er sprake van een levensbedreigende situatie. Dit letsel is ontstaan tijdens de confrontatie in de keuken (op de beelden is te zien dat er buiten de keuken niet is gestoken).
Vuurwapen
Op het later via de raadsman van [verdachte] ingeleverde vuurwapen is onder andere het DNA van het slachtoffer en [verdachte] aangetroffen. Het DNA van het slachtoffer is niet alleen op de loop van het vuurwapen, maar ook op andere onderdelen van het vuurwapen aangetroffen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit het vuurwapen is dat het slachtoffer bij zich heeft gehad op 19 september 2025. Uit onderzoek aan het vuurwapen blijkt dat het ging om een omgebouwd alarmpistool waarmee het mogelijk was om kogels te verschieten, waarbij er één kogel in het magazijn is aangetroffen. Er is onderzoek gedaan naar of het mogelijk is dat de trekker van het wapen tijdens het incident in het buurtcentrum is overgehaald en heeft geweigerd, maar dit heeft het NFI niet kunnen vaststellen of ontkrachten.

6.Bewezenverklaring

6.1.
Wat betekent het voorgaande voor de verdachte?
Op basis van het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat het [medeverdachte 1] is geweest die het slachtoffer in elk geval één keer met een mes heeft gestoken. Onduidelijk is gebleven hoe het slachtoffer aan de andere steekverwondingen is gekomen. Het slachtoffer zelf heeft hier niet over verklaard, er zijn geen camerabeelden en ook uit de verklaringen van getuigen of medeverdachten volgt hierover geen eenduidige informatie. De verdachte ontkent te hebben gestoken en geeft aan niet te hebben gezien door wie het slachtoffer – naast die ene keer door [medeverdachte 1] - nog meer is gestoken. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de betrokkenheid van de verdachte bij het steekincident in deze chaotische situatie. De rechtbank concludeert verder dat zij niet kan vaststellen dat de verdachte nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad met [medeverdachte 1] bij het steken in het been. De verdachte wordt daarom van feit 1 vrijgesproken.
Feit 2 is wel bewezen. De verdachte heeft dit bekend en het blijkt ook uit de camerabeelden.
Op de verklaring van de verdachte over de omstandigheden rondom de geweldshandelingen, zal hierna onder 8 worden ingegaan bij het daar te bespreken beroep op noodweer(exces).
6.2.
Bewezenverklaring
De verdachte heeft feit 2 primair begaan op die wijze dat:
hij op
een of meer tijdstippen op of omstreeks19 september 2025 te Zwijndrecht, in
buurtcentrum Xiejezo, buiten de keuken en in de buurt van de bar,
in elk gevalopenlijk in
vereniging geweld heeft gepleegd
tegen
een of meer personen, te weten[slachtoffer], welk in vereniging gepleegde
geweld bestond uit het meermalen
, althans eenmaal,tegen het lichaam van die
[slachtoffer] slaan en
/ofschoppen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

7.Kwalificatie

Het bewezen feit levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

8.Strafbaarheid van het feit en de verdachte

8.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van de openlijke geweldpleging dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer(exces) toekomt. Daartoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door het slachtoffer omdat de verdachte en diens vrienden zijn belaagd door het slachtoffer, waarbij het slachtoffer ook een vuurwapen op de verdachte heeft gericht en drie keer de trekker heeft overgehaald. Deze aanranding heeft zich voortgezet bij de bar en in de buurt van de keuken. Het krijgen van een vuurwapen tegen het hoofd waarbij de trekker wordt overgehaald, het tonen van een kapmes en het niet kunnen onttrekken uit de kleine keuken heeft paniek veroorzaakt bij de verdachte. Dat heeft een doodsangst en dus een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt. De verdediging voert daarbij aan dat de verdachte de situatie niet zelf heeft opgezocht: hij kwam niet terug voor wraak. De verdachte heeft enkel gereageerd op wat hem is overkomen.
8.2.
Beoordeling
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit nodig was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lichaam, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of (onder omstandigheden) een dreiging daarvan.
Onder verwijzing naar de hiervoor onder 5 gedane vaststellingen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de gedragingen van het slachtoffer buiten het buurtcentrum en in de keuken kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zowel de verdachte als van de medeverdachten, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
Die bedreiging was echter afgelopen toen de verdachte, zoals op de camerabeelden te zien is, rustig met het vuurwapen van het slachtoffer in zijn hand en samen met de [medeverdachte 2], wegliep, in de auto is gestapt en is weggereden. Deze twee verdachten zijn even later samen het buurtcentrum opnieuw binnengegaan. Het slachtoffer lag toen gewond op de grond in een plas bloed. De verdachte en de medeverdachte hebben het slachtoffer toen hard geschopt en geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank was op dat moment geen sprake meer van een noodweersituatie en was het handelen van de verdachte op dat moment niet noodzakelijk. Er was immers geen sprake meer van fysiek geweld vanuit het slachtoffer of van een acute dreiging daarmee tegen de verdachte. Het slachtoffer was aan het vechten voor zijn leven en had duidelijk hulp nodig. Ook is niet aannemelijk dat het slachtoffer op dat moment over een wapen beschikte. De verdachte had immers het vuurwapen van het slachtoffer kort daarvoor zelf mee genomen naar de auto. De verklaring van de verdachte dat het slachtoffer over een kapmes beschikte, vindt geen steun in de bewijsmiddelen.
Het beroep op noodweer wordt verworpen. Daarmee komt de rechtbank bij het beroep op noodweerexces.
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat vast komt te staan dat er een noodweersituatie is of is geweest. In het geval dat de noodweersituatie op het moment van de verweten gedragingen al is geëindigd en de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, moet vast komen te staan dat die gedragingen toch het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft geconcludeerd, was ten tijde van de geweldshandelingen buiten de keuken en in de buurt van de bar door de verdachte geen sprake meer van een noodweersituatie, maar wel ten tijde van de daaraan voorafgaande worsteling tussen de verdachte en het slachtoffer in de keuken. De rechtbank zal daarom de vraag bespreken of de verdachte op basis van die
eerderenoodweersituatie mogelijk heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging, waarmee hem eventueel een geslaagd beroep zou kunnen toekomen op een schulduitsluitingsgrond in de vorm van noodweerexces.
Hoewel de rechtbank in het licht van de belaging door het slachtoffer en de langer lopende conflicten tussen de groepen jongeren uit de wijk Noord en Nederhoven, wil aannemen dat de verdachte bang was, ziet zij onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hij het slachtoffer heeft geschopt onder invloed van een hevige gemoedsbeweging. De rechtbank overweegt daarbij dat de verdachte na het incident in de keuken in plaats van weg te blijven van het slachtoffer er bewust voor heeft gekozen om (opnieuw) naar het buurtcentrum toe te komen, naar eigen zeggen om zijn telefoon en de schoen van [medeverdachte 2] op te halen. Hij heeft tijdens het weglopen en het moment van terugkomen de tijd gehad en de rationele beslissing genomen om zijn telefoon en de schoen van [medeverdachte 2] op te halen. Op de camerabeelden is bovendien te zien dat de verdachte rustig oogt. Hij loopt op een normaal tempo op het slachtoffer af, verdwijnt even achter de bar, is bezig met de [medeverdachte 2] en zoekt daarna alsnog de fysieke confrontatie met het op dat moment doodbloedende slachtoffer op. Dat het slachtoffer toen heeft gescholden en bedreigd acht de rechtbank gelet op de hierboven geschetste gesteldheid van het slachtoffer niet aannemelijk. Die verklaring van de verdachte vindt ook geen steun in de getuigenverklaringen. Naast de al genoemde factoren in de tijd voor het geweldsincident in de buurt van de bar, spreekt daarmee ook uit het handelen van de verdachte na het geweld niet van een hevige gemoedsbeweging. De verdachte en de medeverdachte lopen na het geweld samen en met de verzamelde spullen op een rustig tempo naar de auto en rijden weg.
Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
8.3.
Conclusie
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluit. Het feit en de verdachte zijn dus strafbaar.

9.Motivering straf en maatregel

9.1.
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
9.2.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op achttienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijk geweld. Terwijl het slachtoffer gewond op de grond lag te vechten voor zijn leven, veel bloed verloor en duidelijk hulp nodig had is de verdachte teruggekomen en heeft hij samen met een ander geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Het geweld dat de verdachte heeft gebruikt bestond uit het schoppen van het slachtoffer. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien zijn ook anderen getuige geweest van het geweld dat heeft plaatsgevonden. Ook voor hen geldt dat het openlijk geweld bij het slachtoffer dat op de grond lag onrust en gevoelens van onveiligheid heeft opgeroepen. De verdachte heeft onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
9.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
9.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
9.3.2.
Rapportage en verklaring van deskundige op de terechtzitting
Reclassering Nederland(hierna: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 juli 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De reclassering adviseert allereerst het jeugdstrafrecht toe te passen. Hoewel de verdachte als een volwassene aangesproken wil worden en als zodanig gezien wil worden, is hij niet geheel in staat is om zelfstandig als volwassene te functioneren. Daarbij woont hij op dit moment bij zijn ouders en gaat hij naar school.
De reclassering kan de kans op herhaling van delictgedrag niet inschatten nu een duidelijk beeld over de verdachte ontbreekt. Dit komt doordat de verdachte onvoldoende inzicht wilde geven over de (thuis)situatie. De verdachte is wel bekend bij de politie vanwege eerdere mutaties gerelateerd aan groepsrivaliteit en daar zijn zorgen over. Hij lijkt zich verantwoordelijk te voelen voor de jongeren uit Noord en in die hoedanigheid meermaals betrokken te zijn geraakt bij de spanningen tussen de jongeren in Noord en Nederhoven. Sinds zijn schorsing in december 2025 zijn er geen signalen dat de terugkeer van de verdachte naar de wijk Noord voor problemen heeft gezorgd. Mochten de spanningen tussen de jongeren uit Noord en Nederhoven weer toenemen, dan is het de vraag of hij zich hiervan afzijdig weet te houden.
Het advies is daarom om een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel onder artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) met onderhavig slachtoffer op te leggen. De reclassering kan door het beperkte zicht op de verdachte onvoldoende beoordelen of een toezicht met specifiek bepaalde bijzondere voorwaarden ook noodzakelijk is. Verder is het advies om de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen nu dat zijn schoolgang zal doorkruisen.
9.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Jeugdstrafrecht
Volgens artikel 77c Sr, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Sr, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Gelet op de genoemde rapportage van de reclassering en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen.
Straf
In jeugdzaken wordt voor openlijk geweld in veel gevallen een werkstraf opgelegd, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel. In dit geval volstaat dat niet. De verdachte heeft op het moment dat het slachtoffer duidelijk (medische) hulp nodig had – hij lag dood te bloeden – hem extra leed toegebracht door hem te schoppen. Dit heeft een impact gehad op het slachtoffer en de getuigen en schokt de maatschappij. Onder die omstandigheden is jeugddetentie aangewezen, ook als rekening gehouden wordt met de aanleiding van het openlijk geweld en de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte. De rechtbank acht de rol van de verdachte in het openlijk geweld wel anders dan die van de [medeverdachte 2]. De verdachte heeft zelf één schop gegeven, waarbij de medeverdachte meermaals en harder geweld heeft gebruikt. Verder heeft de verdachte geprobeerd om de medeverdachte van het slachtoffer af te halen. De rechtbank legt de verdachte daarom een iets lagere straf op dan de [medeverdachte 2] en dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 30 dagen passend. Het voorarrest van de verdachte heeft langer geduurd dan de op te leggen straf, daarom hoeft de verdachte niet terug naar de (jeugd)gevangenis. De rechtbank ziet net als de reclassering, de officier van justitie en de verdediging geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr)
De rechtbank zal aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v Sr. De verdachte dient zich te onthouden van ieder contact met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2007. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten in de toekomst. De rechtbank verwijst voor de motivering hiervan naar de inhoud van het rapport van de reclassering van 7 juli 2026.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank gelet op de persoon en de jonge leeftijd van de verdachte van oordeel dat iedere keer dat de verdachte zich niet aan deze maatregel houdt vervangende detentie moet worden toegepast voor de duur van 3 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. De duur van de maatregel wordt bepaald op 3 jaar, ook gelet op de jonge leeftijd van de verdachte.

10.Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft [benadeelde partij] zich in het geding gevoegd, bijgestaan door mr. M. Veldman. Hij vordert een bedrag van € 27.075,00 aan materiële schade en een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze schade niet het gevolg is van het handelen van de verdachte. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag fors gematigd dient te worden, omdat het grootste deel van de immateriële schade is veroorzaakt door het feit waarvoor de verdachte is vrijgesproken.
10.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering te kort voor de zitting is ingediend. Subsidiair wordt verzocht om de benadeelde partij in zijn materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging aansluiting gezocht bij het standpunt van de officier van justitie.
10.3.
Beoordeling
Het verweer dat de vordering te laat is ingediend, slaagt niet. De vordering is kort voor de zitting ingediend. De rechtbank stelt echter vast dat de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging is geschaad, waarbij de rechtbank ook in aanmerking neemt dat een dergelijke vordering tot aan het requisitoir van de officier van justitie kan worden ingediend.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank als volgt.
De benadeelde partij heeft met zijn hiervoor beschreven gedrag een belangrijke rol gespeeld bij de gebeurtenissen van 19 september 2025. Er is dus sprake van eigen schuld. De vraag of en in hoeverre die eigen schuld van de benadeelde partij op basis van artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek moet leiden tot vermindering van een op de verdachte rustende schadevergoedingsplicht is niet eenvoudig te beantwoorden. Hetzelfde geldt voor de vraag welk gedeelte van de schade het gevolg is van het steekincident waarvan de verdachte is vrijgesproken en welk gedeelte van de schade het gevolg is van het openlijk geweld. Een goede beoordeling naar de gegrondheid van de vordering en de omvang van de schade door het handelen van de verdachte vraagt daarmee een uitgebreide nadere behandeling. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zullen de benadeelde partij en de verdachte ieder zelf de kosten dragen die ter verdediging van de vordering tot nu toe zijn gemaakt.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38v, 77c, 77g, 77i, 77we en 141 Sr.

12.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13.Beslissing

De rechtbank:
a. verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte feit 2 primair, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 30 (dertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de veroordeelde op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2007), na het onherroepelijk worden van dit vonnis;
i. beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van
3 (drie) dagen, met een totale duur van maximaal
6 (zes) maanden; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
gelast dat deze jeugddetentie ten uitvoer zal worden gelegd als hechtenis, nu de veroordeelde inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en R. van den Wildenberg, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.
Bijlage I
tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt, na wijziging van de tenlastelegging op de zitting, ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 19 september 2025 te Zwijndrecht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans
eenmaal, met een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in het
been en/of de arm, althans het lichaam heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 19 september 2025 te Zwijndrecht, in
buurtcentrum Xiejezo, buiten de keuken en in de buurt van de bar, in elk geval openlijk in
vereniging geweld heeft gepleegd
tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer], welk in vereniging gepleegde
geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die
[slachtoffer] slaan en/of schoppen;
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 19 september 2025 te Zwijndrecht, buiten de
keuken en in de buurt van de bar in buurtcentrum Xiejezo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen.

Voetnoten

1.Voor de leesbaarheid van § 5 van dit vonnis wordt iedere verdachte, ook de verdachte, hier steeds aangeduid met zijn achternaam.