ECLI:NL:RBROT:2026:918

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/10/710673 / KG ZA 25-1176
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 6:119 BWArt. 10:13 AwbArt. 10:17 AwbArt. 49 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in vorderingen tegen aanbestedingsbeslissing wegens niet-naleving vervaltermijn

Smienk Trapliften B.V. heeft een procedure gestart tegen zeven gemeenten en de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (GRS) naar aanleiding van een voorgenomen gunningsbeslissing in een aanbestedingsprocedure voor trapliften. Smienk betwistte de gunningsbeslissing ten gunste van Otolift Trapliften B.V. en vorderde onder meer intrekking van de gunningsbeslissing en het ongeldig verklaren van de inschrijving van Otolift.

De rechtbank oordeelde dat de gemeenten niet de aanbestedende dienst zijn en dat Smienk daarom geen belang heeft bij vorderingen tegen hen. Daarnaast was GRS, de aanbestedende dienst, pas na het verstrijken van de contractuele vervaltermijn gedagvaard, waardoor Smienk niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tegen GRS. Het beroep op de vervaltermijn werd niet buiten werking gesteld, ook niet op grond van redelijkheid en billijkheid.

Otolift werd toegelaten als partij aan de zijde van GRS en de gemeenten. Smienk werd veroordeeld in de proceskosten van GRS, de gemeenten en Otolift. De rechtbank verklaarde de vorderingen van Smienk niet-ontvankelijk en wees de procedurekosten toe aan de wederpartijen.

Uitkomst: Smienk is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig aanhangig maken van de procedure binnen de vervaltermijn en het dagvaarden van verkeerde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710673 / KG ZA 25-1176
Uitspraak mondeling vonnis: 12 januari 2026
Afgifte uitgewerkt vonnis: 26 januari 2026
in de zaak van
SMIENK TRAPLIFTEN B.V.,
gevestigd in Nunspeet,
eiseres, hierna: Smienk,
advocaten: mr. J.M.M. van de Hel te Amsterdam en mr. C.R.V. Lagendijk te Rotterdam,
tegen

1.GEMEENTE ALBLASSERDAM,

zetelend in Alblasserdam,
2.
GEMEENTE DORDRECHT,
zetelend in Dordrecht,
3.
GEMEENTE HARDINXVELD-GIESSENDAM,
zetelend in Hardinxveld-Giessendam,
4.
GEMEENTE HENDRIK-IDO-AMBACHT,
zetelend in Hendrik-Ido-Ambacht,
5.
GEMEENTE PAPENDRECHT,
zetelend in Papendrecht,
6.
GEMEENTE SLIEDRECHT,
zetelend in Sliedrecht,
7.
GEMEENTE ZWIJNDRECHT,
zetelend in Zwijndrecht,
gedaagden 1. t/m 7., hierna: de Gemeenten,
8.
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL,
zetelend in Dordrecht,
gedaagde 8., hierna: GRS,
advocaten: mr. A.J. van de Watering en mr. S. Buter te Rotterdam,
met als gevoegde partij aan de zijde van GRS en de Gemeenten
OTOLIFT TRAPLIFTEN B.V.,
gevestigd in Bergambacht,
hierna: Otolift,
advocaten: mr. S.C. Brackmann en mr. P.M. Smid te Rotterdam.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 november 2025 gericht aan de Gemeenten, met producties 1 t/m 9;
- de e-mail van Smienk van 17 december 2025 met het verzoek om GRS te mogen oproepen
op de voet van artikel 118 Rv Pro;
- het betekeningsexploot van 18 december 2025 gericht aan GRS;
- de akte houdende aanvullende producties van Smienk, met producties 10 t/m 14;
- de incidentele conclusie houdende een verzoek tot tussenkomst, subsidiair houdende een verzoek tot voeging van Otolift, met een productie;
- de akte houdende eiswijziging van 22 december 2025 van Smienk;
- de akte houdende eiswijziging van 6 januari 2026 van Smienk;
- de akte houdende aanvullende producties van Smienk, met productie 15;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling op 12 januari 2026;
- de pleitnota van Smienk;
- de pleitnota van GRS en de Gemeenten;
- de pleitnota van Otolift.

2.De feiten

2.1.
GRS is een openbaar lichaam op basis van een gemeenschappelijke regeling van de Gemeenten. De Gemeenten hebben de bevoegdheden voor de uitvoering van verschillende wetten, waaronder de Wmo 2015, gedelegeerd aan GRS.
2.2.
Op 5 september 2025 heeft GRS een aanbestedingsprocedure voor de levering en het onderhoud van trapliften ten behoeve van Wmo-cliënten aangekondigd via TenderNed. De aanbesteding ziet op een raamovereenkomst voor de initiële periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027 met tweemaal een eenzijdige verlengingsoptie van één jaar.
2.3.
De Aanbestedingsleidraad vermeldt in paragraaf 1.1 dat GRS de aanbestedende dienst is en in paragraaf 2.1 dat als ‘bezwaartermijn gunningsbeslissing’ 20 kalenderdagen worden gehanteerd. Verder staat in paragraaf 7 van de Deelnamevoorwaarden (bijlage A van de Aanbestedingsleidraad):
“Iedere belanghebbende die het, ondanks een eventuele nadere (mondelinge) toelichting door Aanbestedende dienst, niet met de mededeling van de gunningsbeslissing eens is, kan hierover een voorlopige voorziening vragen bij de bevoegde civiele rechter te Rotterdam.
Belanghebbende dient hiertoe over te gaan binnen de daartoe in de Aanbestedingsleidraad aangegeven termijn na elektronische verzending van de mededeling van de gunningsbeslissing. Deze termijn is een vervaltermijn. Een partij die een procedure start na afloop van voornoemde termijn, is niet ontvankelijk.”
In de definities, opgenomen in de Deelnamevoorwaarden (Bijlage A bij de Aanbestedingsleidraad), is ‘Bezwaartermijn’ gedefinieerd als:
“ Een standstill termijn en vervaltermijn waarbinnen Inschrijvers gelegenheid hebben bezwaar te maken tegen het voornemen tot gunning van Opdrachtgever door betekening van een dagvaarding aan de Opdrachtgever.”
2.4.
Smienk en Otolift hebben ingeschreven op de aanbesteding.
2.5.
Op 6 november 2025 heeft GRS via TenderNed aan Smienk kenbaar gemaakt dat zij niet voornemens is de aanbesteding aan Smienk te gunnen, maar aan Otolift. In een bijlage bij de brief staan de door Smienk en Otolift met hun inschrijvingen behaalde scores. De inschrijving van Smienk is als tweede geëindigd. Verder staat in de brief:
“Indien u zich niet kunt verenigen met bovengenoemde beslissing tot uitsluiting, dient u binnen 20 kalenderdagen na dagtekening van deze brief een kort geding aanhangig te hebben gemaakt bij de rechtbank te Rotterdam en ons daarvan op de hoogte te hebben gesteld door toezending van een kopie van de dagvaarding. Deze termijn is een vervaltermijn. Na deze periode is het bezwaar tegen de uitslag niet-ontvankelijk en zal het recht ter zake zijn vervallen.”
2.6.
Op 14 november 2025 heeft Smienk aan GRS meegedeeld dat zij betwist dat Otolift aan de technische eisen uit het Programma van Eisen (PvE) kan voldoen. Op 18 november 2025 heeft GRS geantwoord dat zij heeft geverifieerd dat de winnende partij aan de eis kan voldoen en dat een opschorting van de bezwaartermijn niet aan de orde is.

3.Het incident tot tussenkomst subsidiair voeging

3.1.
Otolift heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Smienk en de Gemeenten en subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van de Gemeenten, met compensatie van de proceskosten. In het petitum van haar incidentele conclusie ontbreekt een zelfstandige vordering tegen Smienk en/of de Gemeenten in de hoofdzaak en het hele betoog/primaire verweer van Otolift is gericht op de niet-ontvankelijkverklaring van Smienk althans op afwijzing van de vorderingen wegens nietigheid van de oproeping. Daarom gaat de voorzieningenrechter uit van een vordering tot voeging.
3.2.
De vordering tot voeging wordt toegewezen, aangezien duidelijk is dat Otolift nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitkomst van de procedure. Ten tijde van de indiening van de incidentele conclusie wist Otolift nog niet dat Smienk ook GRS had gedagvaard, reden waarom zij GRS niet had opgenomen als partij in die conclusie. Gelet daarop en het feit dat Otolift voor een belangrijk deel de (procesrechtelijke) standpunten van GRS en de Gemeenten deelt en ondersteunt, wordt Otolift geacht zich te voegen aan de zijde van GRS en de Gemeenten. Deze voeging is reeds in de aanhef van dit vonnis tot uitdrukking gebracht.
3.3.
De proceskosten in het incident worden, zoals gevorderd, gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.Het geschil in de hoofdzaak

4.1.
Smienk vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
GRS en de Gemeenten te verbieden de raamovereenkomst op basis van de gunningsbeslissing van 6 november 2025 te gunnen;
GRS en de Gemeenten te gebieden de gunningsbeslissing van 6 november 2025 in te trekken;
GRS en de Gemeenten te gebieden de inschrijving van Otolift in het kader van de aanbestedingsprocedure als ongeldig terzijde te schuiven;
indien en voor zover GRS en de Gemeenten de raamovereenkomst nog wensen te gunnen een nieuwe adequaat gemotiveerde gunningsbeslissing te uiten waarbij een effectieve termijn voor rechtsbescherming wordt geboden;
de Gemeenten te verbieden om via de, op basis van de gunningsbeslissing van 6 november 2025 met Otolift te sluiten, raamovereenkomst vorm te geven aan de verplichting die uit hoofde van de WMO op de Gemeenten rust om woonvoorzieningen aan te bieden aan burgers met de noodzakelijke indicatie als compensatie voor beperkingen die zij ondervinden in het dagelijkse leven;
waarbij elk gebod en verbod van dit petitum aan GRS en de Gemeenten wordt opgelegd op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 10.000,00;
GRS en de Gemeenten en, indien de interventie namens Otolift wordt toegestaan, ook Otolift, te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.
4.2.
GRS en de Gemeenten concluderen primair tot niet-ontvankelijkheid van Smienk en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van Smienk, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Smienk in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Otolift concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van Smienk en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van Smienk, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Smienk in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.De beoordeling in de hoofdzaak

Vorderingen 1. t/m 4.
5.1.
Deze vorderingen zijn gericht aan zowel GRS als de Gemeenten en hebben tot doel te bewerkstelligen dat GRS en de Gemeenten overgaan tot intrekking van de gunningsbeslissing van 6 november 2025 en tot het geven van een nieuwe, adequaat gemotiveerde gunningsbeslissing.
5.2.
GRS, de Gemeenten en Otolift stellen zich op het standpunt dat Smienk niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De eerste dagvaarding van 26 november 2025 was gericht aan de Gemeenten, maar werd uitgebracht op het adres van GRS. De Gemeenten zijn dus niet correct opgeroepen. Bovendien heeft Smienk de verkeerde partijen gedagvaard, aangezien niet de Gemeenten maar GRS de aanbestedende dienst is. GRS is pas met het exploot van 18 december 2025 als partij opgeroepen. Niet alleen is dit exploot gebrekkig en daarmee nietig, Smienk heeft GRS pas na het verstrijken van de contractuele vervaltermijn gedagvaard zodat zij haar recht om tegen de gunningsbeslissing op te komen, heeft verwerkt. Aldus GRS, de Gemeenten en Otolift.
5.3.
Smienk erkent dat de dagvaarding van 26 november 2025 niet is betekend aan GRS terwijl dat wel had gemoeten, maar bestrijdt dat dat leidt tot niet-ontvankelijkheid. Zij wijst erop dat zij, na toestemming daartoe van de voorzieningenrechter, GRS alsnog in rechte heeft betrokken op de voet van artikel 118 Rv Pro. Verder betoogt Smienk dat het beroep op de vervaltermijn in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat GRS niet onevenredig in haar belangen is geschaad. Direct na het verschijnen van de gunningsbeslissing heeft Smienk GRS in kennis gesteld van haar bezwaar tegen de uitkomst van de aanbestedingsprocedure. Smienk en GRS hebben ook via TenderNed over het bezwaar en het kort geding gecorrespondeerd en de dagvaarding van 26 november 2025 is uitgebracht op het adres van GRS. GRS heeft dus van meet af aan begrepen dat zij in rechte zou worden betrokken, aldus Smienk.
5.4.
In geschil is de vraag of Smienk kan worden ontvangen in haar vorderingen.
5.5.
De voorzieningenrechter volgt GRS, de Gemeenten en Otolift niet in hun standpunt dat zowel de dagvaarding van 26 november 2025 als het oproepingsexploot van 18 december 2025 nietig zijn. Hoewel juist is dat de oproeping van de Gemeenten en GRS niet voldoet aan de vereisten van artikel 49 Rv Pro respectievelijk 111 lid 2 Rv, kan een beroep op nietigheid alleen slagen als de Gemeenten en GRS door de gebreken in de oproeping onredelijk in hun belangen zijn geschaad (artikel 66 lid 1 en Pro 122 lid 1 Rv). Daarvan is geen sprake. De Gemeenten en GRS zijn verschenen in de procedure en hebben voldoende verweer kunnen voeren.
5.6.
Het betoog van GRS, de Gemeenten en Otolift dat Smienk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij niet binnen de contractuele vervaltermijn op juiste wijze een kort geding aanhangig heeft gemaakt, treft wel doel.
5.7.
De bezwaartermijn van 20 kalenderdagen die is opgenomen in paragraaf 2.1 van de Aanbestedingsleidraad is een contractuele vervaltermijn. Die termijn houdt in dat een inschrijver die het niet eens is met de gunningsbeslissing binnen de vervaltermijn daarover een procedure start bij de civiele rechter in Rotterdam, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Uit de definitie van de term ‘bezwaartermijn’ in de Deelnamevoorwaarden volgt dat de inschrijver bezwaar maakt door betekening van een dagvaarding aan de opdrachtgever (zie 2.3.).
5.8.
GRS is de aanbestedende dienst en opdrachtgever met wie de winnende inschrijver de raamovereenkomst voor de levering en onderhoud van trapliften ten behoeve van Wmo-cliënten aan zal gaan. Dat volgt duidelijk uit de aankondiging van de aanbesteding op TenderNed en uit de Aanbestedingsleidraad. De stelling van Smienk dat zij ook de Gemeenten mocht dagvaarden omdat de Gemeenten eindverantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Wmo en zich daartoe hebben verenigd in GRS, is niet juist. GRS en de Gemeenten hebben gemotiveerd en onweersproken toegelicht dat de Gemeenten de bevoegdheden voor de uitvoering van de Wmo hebben gedelegeerd aan GRS, een zelfstandige entiteit met rechtspersoonlijkheid. Dat betekent dat GRS de gedelegeerde bevoegdheden uitoefent onder eigen verantwoordelijkheid en dat de Gemeenten die bevoegdheden niet meer zelf kunnen uitoefenen (artikel 10:13 en Pro 10:17 Awb). Dat betekent dat Smienk met de oproeping van de Gemeenten de verkeerde partijen heeft gedagvaard. Zij heeft geen belang bij een toewijzende vordering jegens de Gemeenten. Dat leidt op grond van artikel 3:303 BW Pro tot niet-ontvankelijkheid van Smienk bij vorderingen 1. t/m 4. tegen de Gemeenten.
5.9.
Ten aanzien van GRS is Smienk ook niet-ontvankelijk. GRS is pas bij exploot van 18 december 2025 opgeroepen om in dit geding te verschijnen. Dat is ruim na het verstrijken van de overeengekomen vervaltermijn waarbinnen Smienk kon opkomen tegen de voorgenomen gunningsbeslissing, en dus te laat.
5.10.
Dat Smienk GRS op grond van artikel 118 Rv Pro in rechte heeft betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Dat verandert niet de van doorslaggevende omstandigheid dat GRS pas na de vervaltermijn is gedagvaard. Voor zover Smienk meent dat de datum van de dagvaarding van de Gemeenten (waarmee dit kort geding is ingeleid) bepalend is, wordt die redenering niet gevolgd. Dat volgt niet uit de bewoordingen en de strekking van de Aanbestedingsleidraad. Bovendien is hier geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. De Gemeenten zijn immers geen partij bij de aanbestedingsprocedure en ook niet in de uitvoering van de gunningsbeslissing (zie 5.8.). Smienk kan met een oproeping op de voet van artikel 118 Rv Pro niet herstellen dat zij in eerste instantie de verkeerde partijen heeft gedagvaard.
5.11.
Het standpunt van Smienk dat het beroep op de vervaltermijn in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, slaagt niet. De omstandigheid dat GRS van begin af aan had begrepen dat zij in rechte zou worden betrokken, is onvoldoende om de vervaltermijn buiten werking te stellen. Of GRS onevenredig in haar belangen wordt geschaad als aan de vervaltermijn voorbij wordt gegaan, is niet relevant. De vervaltermijn geldt voor alle partijen die betrokken zijn bij de aanbesteding en verschaft zekerheid over de regels van het traject. Het dient niet alleen het belang van de afgewezen inschrijver(s) en de aanbestedende dienst, maar ook het belang van de winnaar van de aanbesteding. Iedere betrokkene moet ervan uit kunnen gaan dat de partij die bezwaar maakt dat binnen de overeengekomen termijn doet én op de juiste wijze. Smienk heeft – evenals andere inschrijvers – 20 dagen de tijd gehad om op correcte wijze een dagvaardingsexploot aan GRS te laten betekenen. Dat heeft zij niet gedaan.
5.12.
Nu Smienk niet binnen de vereiste termijn van 20 kalenderdagen door rechtsgeldige betekening van een dagvaarding aan GRS een kort geding jegens GRS aanhangig heeft gemaakt, kan Smienk niet worden ontvangen in de vorderingen die beogen de gunningsbeslissing aan te tasten. Dat betekent dat Smienk niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vorderingen 1. t/m 4.
Vordering 5.
5.13.
Deze vordering is alleen gericht aan de Gemeenten. Smienk heeft daarbij toegelicht dat zij, als zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vorderingen tegen GRS, met deze vordering wenst te bewerkstelligen dat er geen uitvoering wordt gegeven aan de gunningsbeslissing. Volgens Smienk moet en kan het de Gemeenten worden verboden om via de raamovereenkomst vorm te geven aan de verplichtingen die uit hoofde van de Wmo op de Gemeenten rusten.
5.14.
Die redenering klopt niet. Zoals al overwogen in 5.8. is GRS de aanbestedende dienst en de partij die de beoogde raamovereenkomst gaat sluiten met de winnende inschrijver. GRS handelt daarin zelfstandig op basis van een aan haar gedelegeerde bevoegdheid. De Gemeenten zijn niet betrokken bij de aanbestedingsprocedure en ook niet bevoegd om daar uitvoering aan te geven. Een toewijzende vordering jegens de Gemeenten baat Smienk dan ook niet. Bij gebrek aan belang kan Smienk niet worden ontvangen in vordering 5.
Conclusie
5.15.
De conclusie is dat Smienk in geen van haar vorderingen ontvankelijk is.
Proceskosten
5.16.
Smienk is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van GRS en de Gemeenten en die van Otolift betalen.
De proceskosten van GRS en de Gemeenten worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.999,00
De proceskosten van Otolift worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.999,00
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in het incident
6.1.
laat Otolift toe zich te voegen aan de zijde van GRS en de Gemeenten;
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
6.3.
verklaart Smienk niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
6.4.
veroordeelt Smienk in de proceskosten van GRS en de Gemeenten die tot op heden worden begroot op € 1.999,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Smienk niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.5.
veroordeelt Smienk in de proceskosten van Otolift die tot op heden worden begroot op € 1.999,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Smienk niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.6.
veroordeelt Smienk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
2091 / 2009