ECLI:NL:RBROT:2026:921

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
24/2157
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. SSC.1 Protocol coördinatie sociale zekerheidArt. SSC.10 Protocol coördinatie sociale zekerheidArt. 11 Verordening (EU) 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzekering Wlz voor PhD-onderzoeker onder Engelse socialezekerheidswetgeving

Eiser, een PhD-onderzoeker aan de universiteit van Cambridge sinds 1 oktober 2021, betwistte het besluit van de Sociale Verzekeringsbank dat hij niet langer verzekerd is voor de Wet langdurige zorg (Wlz). De rechtbank beoordeelde of het PhD-traject kwalificeert als werkzaamheden in loondienst volgens de Britse socialezekerheidswetgeving, zoals vereist op grond van het Protocol betreffende de coördinatie van sociale zekerheid.

De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser niet verzekerd zou zijn, omdat de kwalificatie van het PhD-traject aan de hand van de Britse wetgeving moest worden beoordeeld. Na aanvullende informatie van het HM Revenue and Customs (HMRC) bleek dat eiser als werknemer wordt beschouwd en zijn engagement letter als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt.

Hierdoor concludeerde de rechtbank dat eiser terecht onder de Engelse socialezekerheidswetgeving valt en vanaf 1 oktober 2021 niet verzekerd is voor de Wlz. Het beroep werd gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar de rechtsgevolgen van dat besluit bleven in stand. Verweerder werd verplicht het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Eiser is terecht niet verzekerd voor de Wlz vanaf 1 oktober 2021 omdat hij onder de Engelse socialezekerheidswetgeving valt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2157

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over eisers verzekering op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het niet eens met het besluit van verweerder dat eiser vanaf 1 oktober 2021 niet langer verzekerd is voor de Wlz. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van verweerder.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat eiser toch vanaf 1 oktober 2021 niet verzekerd is voor de Wlz. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Met het besluit van 16 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij vanaf 1 oktober 2021 niet verzekerd is voor de Wlz. Met het besluit van 22 april 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
2.2.
Het tegen het laatstgenoemd besluit door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 31 augustus 2023 [1] gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 22 april 2022 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw moet beslissen op het bezwaar. In die uitspraak staat in r.o. 7 en 8:
“7. De rechtbank stelt vast dat beoordeeld dient te worden hoe het PhD-traject gekwalificeerd dient te worden. Verweerder stelt dat er sprake is van ‘werkzaamheden, al dan niet in loondienst verricht’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit standpunt echter onvoldoende gemotiveerd. Op grond van het hierboven onder 6 aangehaalde artikel 1, aanhef en onderdeel a en b van de Verordening dient de beoordeling of sprake is van ‘werkzaamheden al dan niet in loondienst’, immers plaats te vinden op basis van de omschrijving in de nationale socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waarin de werkzaamheden worden verricht. Dat is in eisers geval het Verenigd Koninkrijk zodat de beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de aldaar geldende socialeverzekeringswetgeving. Verweerder is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. De uitkomst hiervan is vervolgens bepalend zowel voor de beoordeling van het door verweerder primair ingenomen standpunt als het subsidiaire standpunt. Wat dit laatste betreft geldt ten aanzien van verweerders subsidiaire standpunt dat de aangehaalde bepaling van artikel 11, derde lid, aanhef en onder e van de Verordening alleen geldt voor eenieder op wie de bepalingen a) tot en met d) niet van toepassing zijn.
8. Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat de bestreden beslissing onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.”
2.3.
Met het besluit van 18 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiser en is eisers bezwaar ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een nader stuk ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via videobellen) en de gemachtigde van verweerder.
2.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te bieden aanvullende informatie bij het Engelse zusterorgaan HM Revenue and Customs (HMRC) op te vragen over PhD-studenten en hun eventuele status als werknemer in het Verenigd Koninkrijk.
2.7.
Verweerder heeft de desbetreffende informatie bij brief van 27 november 2025, met bijlagen, overgelegd.
2.8.
De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 november 2025 gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser doet sinds 1 oktober 2021 een PhD-onderzoeksplaats aan de universiteit Cambridge voor de duur van 4 jaar. Op 10 november 2021 heeft eiser verweerder verzocht zijn verzekering op grond van de Wlz te onderzoeken.
4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het HMRC aan verweerder heeft bevestigd dat eiser in het Verenigd Koninkrijk als werknemer wordt beschouwd. Volgens verweerder is eiser daarom vanaf 1 oktober 2021 onderworpen aan de Engelse wetgeving en vanaf die datum niet langer verzekerd voor de Wlz.

Beoordeling door de rechtbank

5.
5.1.
Op grond van artikel SSC.1, aanhef en onder a, van het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid van het Handels- en samenwerkingsovereenkomst (het Protocol) wordt onder "werkzaamheden in loondienst" verstaan: werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de staat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen.
5.2.
Op grond van artikel SSC.1, aanhef en onder b, wordt onder "werkzaamheden anders dan in loondienst" verstaan: werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de staat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen.
5.3.
Op grond van artikel SSC.10, eerste lid, van het Protocol zijn personen op wie het Protocol van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één staat onderworpen.
5.4.
Op grond van artikel SSC.10, derde lid onder a, van het Protocol geldt voor personen die werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verrichten in een staat, de wetgeving van die staat.
6. In geschil is of eiser vanaf 1 oktober 2021 al dan niet verzekerd is voor de Wlz.
7. Eiser voert in beroep aan dat de beslissing van de HMRC niet gemotiveerd is op basis van de Britse nationale socialezekerheidswetgeving, zoals gevraagd is door de rechtbank in haar uitspraak van 31 augustus 2023. Verder stelt eiser, onder verwijzing naar de uitspraak "Oxford University Innovation Ltd v Oxford Nanoimaging Ltd ([2022] EWHC 3200 (Pat)", dat de positie van PhD studenten volgens de Britse rechtspraak niet significant anders is dan de positie van bachelor studenten, die geen werknemer van de universiteit zijn. Volgens eiser zijn PhD studenten dan ook geen werknemers.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat beoordeeld dient te worden hoe het PhD-traject gekwalificeerd dient te worden.
8.2.
Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 31 augustus 2023 heeft verweerder het HMRC op 20 september 2023 om nadere informatie gevraagd. Verweerder heeft het HMRC daarbij verzocht om aan te geven hoe de PhD-werkzaamheden van eiser in het Verenigd Koninkrijk worden gekwalificeerd, en of er sprake is van verzekering in het Verenigd Koninkrijk op grond van deze werkzaamheden. Het HMRC heeft daarop op 2 januari 2024 geantwoord dat eiser op basis van de gegevens van het HMRC als werknemer wordt beschouwd. Verweerder heeft deze verklaring aan zijn bestreden besluit ten grondslag gelegd. Zoals eiser terecht echter heeft gesteld blijkt uit deze motivering niet dat er een beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de in het Verenigd Koninkrijk geldende socialezekerheidswetgeving. Het bestreden besluit bevat daarmee een motiveringsgebrek ten aanzien van de kwalificatie van het PhD-traject.
8.3.
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij nogmaals bij het HMRC om verduidelijking kan vragen. De zaak is daarop aangehouden zodat een verklaring kon worden overgelegd van het HMRC over PhD-studenten en hun eventuele status als werknemer in het Verenigd Koninkrijk. Uit de door verweerder overgelegde nadere informatie van het HMRC blijkt dat eiser is onderworpen aan de Engelse socialezekerheidswetgeving op grond van zijn werkzaamheden bij de universiteit Cambridge. Hierbij is aangegeven dat eisers engagement letter van de universiteit in het Verenigd Koninkrijk wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht op grond van artikel SSC.10, derde lid onder a, van het Protocol heeft bepaald dat eiser vanaf 1 oktober 2021 niet langer verzekerd is voor de Wlz. De rechtbank ziet in wat eiser verder heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Verweerder heeft dit gebrek in beroep hersteld met de aanvullende motivering van 27 november 2025 waardoor de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.
10. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van
mr.T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer ROT 22/2587.