Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
“7. De rechtbank stelt vast dat beoordeeld dient te worden hoe het PhD-traject gekwalificeerd dient te worden. Verweerder stelt dat er sprake is van ‘werkzaamheden, al dan niet in loondienst verricht’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit standpunt echter onvoldoende gemotiveerd. Op grond van het hierboven onder 6 aangehaalde artikel 1, aanhef en onderdeel a en b van de Verordening dient de beoordeling of sprake is van ‘werkzaamheden al dan niet in loondienst’, immers plaats te vinden op basis van de omschrijving in de nationale socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waarin de werkzaamheden worden verricht. Dat is in eisers geval het Verenigd Koninkrijk zodat de beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de aldaar geldende socialeverzekeringswetgeving. Verweerder is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. De uitkomst hiervan is vervolgens bepalend zowel voor de beoordeling van het door verweerder primair ingenomen standpunt als het subsidiaire standpunt. Wat dit laatste betreft geldt ten aanzien van verweerders subsidiaire standpunt dat de aangehaalde bepaling van artikel 11, derde lid, aanhef en onder e van de Verordening alleen geldt voor eenieder op wie de bepalingen a) tot en met d) niet van toepassing zijn.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.