ECLI:NL:RBROT:2026:9224

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
10-043736-26 + 10-270996-25 en 02-102417-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 26 WWMArt. 38v SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met gestolen bankpassen, vuurwapenbezit en wederrechtelijk verblijf op haventerrein

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal van geldbedragen door middel van pinnen met gestolen bankpassen, het voorhanden hebben van drie vuurwapens en het wederrechtelijk verblijven op een besloten haventerrein met toegang door inklimming.

De bewezenverklaring is gebaseerd op onder meer camerabeelden, getuigenverklaringen, DNA-onderzoek en verklaringen van betrokkenen. De verdachte werkte nauw samen met een medeverdachte bij het plegen van de diefstallen en het gebruik van de bankpassen. DNA van de verdachte werd aangetroffen op de wapens, wat het bezit ervan bevestigt. Het wederrechtelijk verblijf op het haventerrein werd bewezen door observaties en aanhoudingen.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de beschuldiging van criminele uitbuiting wegens onvoldoende bewijs. De strafmaat is vastgesteld op vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden geadviseerd door de reclassering. Tevens is een gebiedsverbod voor de Rotterdamse haven opgelegd voor drie jaar. De rechtbank besloot tot teruggave van in beslag genomen telefoons en onttrekking aan het verkeer van de wapens en munitie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en een gebiedsverbod voor de Rotterdamse haven van drie jaar.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-043736-26 + 10-270996-25 (gev. ttz)
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 02-102417-25
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Datum zitting: 17 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres:
[adres 1] ( [postcode] ) te [plaatsnaam] ,
gedetineerd in [naam PI] .
Advocaat van de verdachte: mr. I.S. van Leeuwen
Officier van justitie: mr. J. Lindhout
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. R.V. Hamers
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een geldbedrag door middel van het pinnen met gestolen bankpassen. Ook heeft de verdachte drie vuurwapens voorhanden gehad en heeft hij wederrechtelijk verbleven op een haventerrein en zich daarbij de toegang verschaft door middel van inklimming.
De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast wordt de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van drie jaar, inhoudende een gebiedsverbod voor de Rotterdamse haven.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met een ander wegnemen van een geldbedrag door middel van het pinnen met gestolen bankpassen, het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens, een onderdeel van een wapen en een forse hoeveelheid munitie, de criminele uitbuiting van [medeverdachte 1] , het wederrechtelijke verblijf op een haventerrein en zich daarbij de toegang verschaffen tot dat haventerrein door middel van inklimming.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) is van een doorlopende nummering voorzien en houdt in dat:
onder parketnummer 10-043736-26
1.hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 8 februari 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een geldbedrag (in totaal ongeveer 125,19 euro), in elk geval enig geldbedrag,
dat geheel of ten dele aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,
door meermalen, althans eenmaal, gebruik te maken van de bankpas(sen) van [slachtoffer ] , tot welk gebruik hij niet gerechtigd was;

2.hij op of omstreeks de periode van 25 oktober 2025 tot en met 8 februari 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere wapens van categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1° van die wet in de vorm van een pistool en/of revolver, namelijk
- een alarm revolver omgebouwd naar een kogel verschietende revolver, van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22lr,en/of
- een gaspistool, van het merk Umarex, model Walther PPQ, kaliber 9mm P.A.K., en/of
- een gaspistool, van het merk Umarex, model Glock 17 Gen 5, kaliber 9mm P.A.K.,
en/of een wapen van categorie III, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art. 2 lid Pro 1, onder 4° van die wet in de vorm van een alarm- c.q. startpistool, namelijk
- een alarm- c.q. startpistool met patroonmagazijn, van het merk Blow, model TR34, kaliber 9 mm P.A.K.
en/of een essentieel onderdeel en/of een onderdeel van wezenlijke aard van een wapen van categorie III, onder 1° van de wet wapens en munitie, te weten
- een kast-, loop- en trekkergroep bestemd voor een pistool van het merk Zoraki, model 914-P, kaliber 9 mm P.A.K., zijnde een essentieel onderdeel en/of onderdeel van wezenlijke aard van een vuurwapen in de vorm van een alarmpistool,
en/of munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 categorie Pro III van die wet, namelijk
- 8 kogelpatronen, van het merk RWS, van het kaliber .22 LR, welke afkomstig zijn uit en geschikt zijn voor voornoemde revolver, van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22, en/of
- 5 kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, van het kaliber 7.65mm, en/of
- 16 kogelpatronen van het merk S&B, van het kaliber 7.65mm, en/of
- 43 kogelpatronen van het merk CBC van het kaliber 9x19mm, en/of
- 27 kogelpatronen van het merk Dynamit Nobel, van het kaliber .22LR, en/of
- 3 knalpatronen van het merk GECO, van het kaliber 9mm P.A.K., welke geschikt zijn voor voornoemde gas/alarmpistolen met kaliber 9mm P.A.K., en/of
- 1 pepergaspatroon van het merk WADIE, van het kaliber 9mm P.A.K., welke geschikt zijn voor voornoemde gas/alarmpistolen met kaliber 9mm P.A.K.,
voorhanden heeft gehad;

3.hij op of omstreeks de periode van 27 oktober 2025 tot en met 8 februari 2026 te Rotterdam en/of elders in Nederlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [medeverdachte 1] ,
(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door
afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [medeverdachte 1] heeft,
heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)
vermoeden dat die [medeverdachte 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard)(artikel 273f lid 1sub 4), en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [medeverdachte 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- het dwingen althans bewegen van die [medeverdachte 1] om een dan wel meerdere keren te pinnen met (gestolen) pinpas(sen), en/of
- het onder druk zetten van die [medeverdachte 1] , en/of
- het door die [medeverdachte 1] laten bewaren van vuurwapens en/of munitie en/of gestolen goederen in diens woning, en/of
- het afsluiten van een dan wel meerdere abonnement(en) op het adres en/of naam van die [medeverdachte 1] ,
- terwijl die [medeverdachte 1] (zeer) kwetsbaar is
en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:
- het al dan niet zonder toestemming verblijven in de woning van die [medeverdachte 1] , en/of
- het alleen dan wel met anderen telkens (ongenodigd) betreden van de woning van die [medeverdachte 1] ;
onder parketnummer 10-270996-25

4.hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,wederrechtelijkheeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van de ECT Delta Terminal (aan de [adres 2] ) in de Rotterdamse haven;

2.Bewijs en vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het medeplegen van het onder 2 ten laste gelegde en van een aantal ten laste gelegde feitelijkheden van het onder 3 ten laste gelegde. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair vrijspraak bepleit van het medeplegen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de bewezenverklaring dient te worden beperkt tot de pintransactie van € 14,50 bij Shell Zevenkamp.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair aangevoerd dat de pleegperiode dient te worden beperkt.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit en een voorwaardelijk verzoek ingediend tot het horen van de [getuige 1] .
Voorts heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het medeplegen van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen t.a.v. feiten 1, 2, 4 en 5
Bewezen is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
Ten aanzien van feiten 1 en 2
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Mij werd gevraagd om met die pasjes te gaan pinnen en dat heb ik gedaan. Ik heb bij de Shell sigaretten gehaald. Ik denk dat dit op 8 februari 2026 was.
Ik verbleef weleens in de woning bij [medeverdachte 1] en ik heb weleens kleding in de woning gelegd. Ik had de sleutel van die woning.
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring van [aangever] [3]
Op 8 februari 2026 is mijn portemonnee van het merk Secrid Wallet gestolen uit een afgesloten kluisje in de kleedkamer van Optisport.
Toen ik merkte dat mijn portemonnee weg was heb ik vervolgens onmiddellijk mijn bankpassen en creditcards laten blokkeren. Tijdens het blokkeren zag ik in mijn bank- en creditcardoverzichten dat er inmiddels al betalingen waren verricht met mijn passen zonder mijn toestemming.
Het ging onder andere om de volgende transacties:
- een pinbetaling van EUR 20,00 bij [naam tabakwinkel] te Rotterdam rond 09:45 uur;
- een pinbetaling van ongeveer EUR 20,69 bij Jumbo Samuel Esmeijerplein te Rotterdam;
- een betaling van EUR 50,00 met mijn ICS-creditcard bij Shell Capelle aan den IJssel om 09:49 uur;
- meerdere betalingen bij Shell Zevenkamp te Rotterdam.
De eigenaar van de tabakswinkel, genaamd [naam 1] , was zeer behulpzaam en kon aan de hand van camerabeelden direct aangeven om welke persoon het ging. Hij herkende deze persoon. De eigenaar vertelde mij dat het ging om een client van zorgorganisatie Pameijer, genaamd [medeverdachte 1] .
Samen met een medewerker van Pameijer ben ik naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan. Bij de voordeur heeft [medeverdachte 1] tegenover ons bevestigd dat hij met mijn bankpas heeft betaald bij zowel de tabakswinkel als de Jumbo. Hij verklaarde dat hij niet wist dat de passen gestolen waren en dat hij dit naar eigen zeggen had gedaan in opdracht van een persoon genaamd [verdachte] . Later die dag heb ik deze persoon, [verdachte] , beneden voor het complex gezien. Hij ontkende echter dat hij iets met mijn bankpassen te maken had.
Ik herinnerde mij daarna dat ik in mijn Secrid Wallet een GPS-tracker/tag had zitten. Via de bijbehorende app heb ik deze tracker gelokaliseerd. De locatie wees naar de woning van [medeverdachte 1] .
Ik ben opnieuw naar zijn woning gegaan en heb bij de voordeur via mijn telefoon het geluidssignaal van de tracker geactiveerd. Dit signaal was duidelijk hoorbaar vanuit zijn woning. Met zijn toestemming heb ik binnen gezocht. Onder zijn bed heb ik een deel van mijn persoonlijke spullen teruggevonden.
Lijst ingevoerde goederen
Rabobank zakelijke betaalpas
Inscriptie: kaarthouder: [slachtoffer ]
In totaal 34,50 gepind bij Shell Zevenkamp.
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring van [getuige 2] [4]
Een klant kwam bij mijn tabakszaak pinnen op 8 februari rond 09:45 uur. Mijn tabakszaak heet [naam tabakwinkel] aan de [adres 3] . Om 11:20 uur ben ik gebeld door een collega en die vertelde dat er een klant, [slachtoffer ] , in de winkel stond die zei dat zijn pasjes waren gestolen. Ik herkende de persoon op de camerabeelden van de pintransactie om 09:45 uur, zijn naam is [medeverdachte 1] . Ik wist waar hij woonde. Met [slachtoffer ] heb ik direct afgesproken bij de Palladiostraat. Toen heeft de medewerker van Pameijer aangebeld en toen deed [medeverdachte 1] open. De medewerker zei tegen [medeverdachte 1] dat ik van de Primera en [naam tabakwinkel] was, dat [medeverdachte 1] die ochtend bij mij had gepind en dat [medeverdachte 1] te zien was op camerabeelden. Maar dat dit met de pinpas was met [slachtoffer ] , en met de vraag of die portemonnee daar in de woning was. [medeverdachte 1] zei hierop dat hij geen portemonnee had, maar alleen een pinpasje had gekregen. [slachtoffer ] vroeg aan [medeverdachte 1] wat er met dat pinpasje was gebeurd. [medeverdachte 1] zei dat hij die had teruggeven aan degene waar hij de pinpasjes van had gekregen. [medeverdachte 1] zei dat hij dat pasje had gehad van [verdachte] en dat [verdachte] in dat witte busje rijdt met CSU erop.
Toen zijn wij naar de voorkant gelopen en daar stond een wit busje van CSU. Hier zat [verdachte] in. [verdachte] herkende ik niet van naam, maar toen ik hem zag herkende ik hem wel als klant. Ik ben met [slachtoffer ] naar Erol toe gelopen. Erol zat in de auto achter het stuur. De auto stond stil op de stoep, naast de deur van de ingang van de Palladiostraat van de flat. Ik weet niet precies hoe laat dit was, misschien iets na 12 uur.
4.
Proces-verbaal van de politie [5]
Middels een vordering 126nda Wetboek van Strafvordering zijn de camerabeelden gevorderd van [naam tabakwinkel] , de Shell Zevenkamp en van Woonstad Palladiostraat portiek van 8 februari 2026.
Camerabeelden [naam tabakwinkel]
Op 8 februari 2026 om 09:45 uur is er met de pinpas van de aangever gepind bij [naam tabakwinkel] aan het [adres 3] .
Op 8 februari 2026 om 09:41 uur (cameratijd) komt een persoon (verdachte 1) de winkel [naam tabakwinkel] binnen gelopen. Verdachte 1 draagt een zwarte trainingsbroek met witte accenten, een zwartjack met een logo op de borst, een donker kleurige pet met een logo en donkere schoenen.
Verdachte 1 is in gesprek met de medewerker achter de toonbank en legt vervolgens vermoedelijk een betaalpas op het pinapparaat.
Op 8 februari 2026 om 09:42 uur (cameratijd) verlaat verdachte 1 de winkel [naam tabakwinkel] .
Camerabeelden Shell Zevenkamp
Op 8 februari 2026 om 10:03 uur (cameratijd) komt er een wit CSU busje (links in beeld) het terrein op rijden van tankstation Shell aan de [adres 4] .
Het witte CSU busje is voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Achter het stuur zit een man (verdachte 2) met een donkerkleurige pufferjas en capuchon over zijn hoofd. Het witte busje verdwijnt onder uit beeld.
Vervolgens komt een minuut later de verdachte 2 van onder in beeld gelopen, uit de richting waar het witte CSU busje naar toe was gereden en loopt in de richting van de ingang van het Shell tankstation. Hij draagt een donker kleurige pufferjas, donker kleurige trainingsbroek en donker kleurige schoenen.
De verdachte 2 loopt in de richting van de schuifdeur van het Shell tankstation en loopt het tankstation binnen.
De verdachte 2 gaat om 10:05:33 uur in gesprek met de Shell medewerker achter de toonbank.
De Shell medewerker pakt een pakje sigaretten en scant deze op de kassa.
De verdachte 2 legt vervolgens om 10:06:09 uur (cameratijd) een betaalpas op het pinapparaat om de betaling te doen. De Shell medewerker verricht handelingen op de kassa en de verdachte 2 legt om 10:06:24 uur (cameratijd) weer een betaalpas op het pinapparaat. De verdachte 2 pakt vervolgens het pakje sigaretten en de Shell medewerker verricht weer handelingen op de kassa. De verdachte 2 legt om 10:06:37 uur (cameratijd) weer een betaalpas op het pinapparaat.
De verdachte 2 verlaat om 10:06:46 uur het Shell tankstation.
Camerabeelden [adres 5]
De verdachte 1 stapt op 8 februari 2026 om 09:38 uur (cameratijd) in de lift en gaat naar de begane grond.
De verdachte 1 verlaat de lift en kijkt in de brievenbus.
De verdachte 1 verlaat om 09:38 uur het portiek van de [adres 5] .
De verdachte 2 stapt op 8 februari 2026 om 09:40 uur in de lift en gaat naar de begane grond.
De verdachte 2 verlaat om 09:40 uur het portiek van de flat en rent in de richting waar de verdachte 1 naar toe is gelopen.
Op 8 februari 2026 om 09:42 uur komt er een wit CSU busje gereden uit de richting waar de verdachte 1 en 2 naar toe zijn gelopen.
De verdachte 1 stapt op 8 februari 2026 om 09:56 uur op de begane grond weer in de lift en stapt uit op de 6e verdieping.
Uit de camerabeelden van de [adres 5] is op te maken dat de verdachte 1 om 09:38 uur is vertrokken en terug komt om 09:56 uur (18 minuten).
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
De verdachte [medeverdachte 1] is woonachtig op de [adres 1] en heeft in zijn verhoor op 21 februari 2026 verklaard dat hij op 8 februari 2026 heeft gepind bij de Jumbo en bij [naam tabakwinkel] .
Onderstaande vier foto’s zijn van de verdachte die op 8 februari 2026 kort voor het pinnen bij [naam tabakwinkel] de flat [adres 5] verlaat.
Onderstaande foto 5 betreft de verdachte die op 8 februari 2026 in de winkel [naam tabakwinkel] die pint met de gestolen bankpas.
Ik zag dat de verdachte die op 8 februari 2026 de flat [adres 5] verlaat dezelfde persoon is als de verdachte die op 8 februari 2026 pint bij [naam tabakwinkel] .
Ik herken de persoon op de foto’s als [medeverdachte 1] .
lk herken hem vanuit mijn werkzaamheden als rechercheur. Ik heb de camerabeelden bekeken en uitgewerkt in een proces-verbaal van bevindingen. Deze camerabeelden heb ik vergeleken met de SKDB-foto van de verdachte [medeverdachte 1] .
6.
Proces-verbaal van de politie [7]
Middels een vordering 126nda Wetboek van Strafvordering zijn de camerabeelden gevorderd van supermarkt Jumbo Samuel Esmeijerplein van 8 februari 2026.
De pintransactie bij de Jumbo Rotterdam met de gestolen bankpas van de aangever heeft op 8 februari 2026 om 11:10 uur plaatsgevonden. Het tijdstip welke te zien is op de camerabeelden van de supermarkt Jumbo, wijkt af van de daadwerkelijk tijd.
In het proces-verbaal [proces-verbaalnummer 1] herkende ik de verdachte [medeverdachte 1] onder andere op de camerabeelden van de flat [adres 5] .
Op de camerabeelden van de supermarkt Jumbo herken ik ook de verdachte [medeverdachte 1] . Ik herken hem aan zijn huidskleur, aan zijn gelaat en zijn kleding, welke hetzelfde is als op de camerabeelden van de flat [adres 5] en van [naam tabakwinkel] .
Camerabeelden Jumbo supermarkt
De verdachte [medeverdachte 1] staat op 8 februari 2026 11:16:22 uur (systeemtijd) in de rij bij de kassa van de supermarkt Jumbo Samuel Esmeijerplein.
De verdachte [medeverdachte 1] legt op 11:17:02 uur (systeemtijd) een pinpas op het pinapparaat bij de kassa.
7.
Proces-verbaal van de politie [8]
Volgens verklaring van de eerste aangehouden verdachte, [medeverdachte 1] , en bij het bekijken van de camerabeelden aan de Palladiostraat te Rotterdam, bleek dat er een persoon zich in de lift bevond die sterke gelijkenissen toonde met de [verdachte] .
Daarnaast bleek na onderzoek dat er een persoon betalingen verrichtte bij het tankstation Shell gevestigd aan de Zevenkampse Ring te Rotterdam. Ik zag dat de persoon toonde sterke gelijkenissen met [verdachte] .
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als rechercheur. Op 23 maart 2026 was ik met [verdachte] in verhoor. Ik heb ongeveer 2,5 uur met de verdachte in verhoor gezeten. Hierdoor had ik een goed beeld van zijn gezicht. Ik zie kenmerken zoals de snor, baard en langvormig gezicht van de verdachte. Deze kenmerken hebben sterke overeenkomsten met de [verdachte] . Daarnaast herken ik op de foto waarin de verdachte in de auto zit, onder andere zijn wenkbrauwen.
Op de foto's bij de Shell Zevenkamp herken ik de jas en de gymschoenen van de [verdachte] . De jas en gymschoenen droeg [verdachte] tijdens de aanhouding.
Ik herkende hem na nadere bestudering van de foto’s. Ik zag de kenmerken van de [verdachte] overeenkomen met de foto's.
8.
Proces-verbaal van de politie [9]
Op 8 februari 2026 omstreeks 12:59 uur werden wij verzocht ter plaatse te gaan aan de [adres 1] . Aldaar zou een vuurwapen in de woning aangetroffen zijn.
Toen wij ter plaatse kwamen, troffen wij daar een man welke genaamd bleek: [slachtoffer ] . Hij verklaarde het volgende: "Wij zijn naar deze woning gegaan alwaar wij [medeverdachte 1] troffen. Ik trof mijn pasjes onder het bed in de slaapkamer. Toen ik de pasjes onder het bed vandaan pakte, zag ik iets dat op een vuurwapen leek in een wit plastic tasje naast het bed. Hierop hebben wij de politie gebeld”.
Wij hebben hierop met behulp van een politieslotenmaker de deur van de woning geopend en zijn de woning binnengegaan. Wij troffen bij het bed in de slaapkamer van de woning in een wit tasje een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan.
9.
Proces-verbaal van de politie [10]
Op 8 februari 2026 omstreeks 15:05 uur kwamen wij ter plaatse op de [adres 1] .
Ik zag dat de hondengeleider inmiddels ter plaatse was. Ik zag dat hij het vuurwapen welke op het bed lag, oppakte en beoordeelde. Ik hoorde dat hij zei dat het een alarmpistool betrof. Ik hoorde dat hij zei dat er geprobeerd zou zijn om de loop uit te boren zodat het alarmpistool als een werkend vuurwapen zou functioneren. Ik zag dat de loop van het alarmpistool beschadigd was. Ik hoorde dat hij zei dat hij dat vermoeden had dat het alarmpistool was omgebouwd.
Op 8 februari 2026 om 15:30 uur nam ik het alarmpistool in beslag.
10.
Proces-verbaal van de politie [11]
Op 8 februari 2026 omstreeks 15:35 uur vond er een doorzoeking plaats aan de [adres 1] .
In de slaapkamer bevindt zich aan de linkerzijde een kledingkast, in het midden van de slaapkamer een tweepersoonsbed en rechts van het bed een sporttas en een nachtkastje. Links naast het nachtkastje lag een nektasje (ruimte 6.5).
Tijdens de doorzoeking werd in de volgende ruimtes goederen aangetroffen:
Ruimte 6.5: Een nektasje, welke gesitueerd was tussen het bed en het nachtkastje. In
het nektasje zaten verschillende vuurwapens. Op het eerste gezicht waren er drie
vuurwapens zichtbaar.
Op 19:00 uur kwam de Forensische opsporing ter plaatse voor het veiligstellen van de
vuurwapens die gevonden waren in de ruimte 6.5. en het verder doorzoeken van het
nektasje.
De volgende goederen zijn in het nektasje gevonden:
Walther goednummer: 7099053, pistool goednummer: 7099057 [de rechtbank begrijpt: goednummer 7099069].
In ruimte 6 zijn verschillende documentaties gevonden die op naam staan van [verdachte]
Uit de politiesystemen kwam naar voren dat [verdachte] vaker in de woning was aangetroffen.
Om 19:30 uur zijn alle goederen met een goednummer inbeslaggenomen.
In beslag genomen goederen:
  • 7099056 – alarmpistool – onder het bed, in de slaapkamer
  • 7099069 – pistool – nektasje, in de slaapkamer
  • 7099053 – Walther – nektasje, in de slaapkamer
11.
Proces-verbaal van de politie [12]
Op 8 februari 2026 om 18:45 uur kwam ik naar aanleiding van het aantreffen van
(vermoedelijk) vuurwapens, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 1]
.
Sporendragers
Goednummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7099056
SIN: AASY2463NL
Object: vuurwapen (gaspistool)
Merk/type: Umarex Glock 17 Gen 5
Kaliber: 9mm P.A.K.
Bijzonderheden: loop gedeeltelijk uitgeboord
Goednummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7099069
SIN: AASY2462NL
Object: Vuurwapen (Alarmpistool)
Merk/type: Blow TR34
Kaliber: 9mm P.A.K.
Bijzonderheden: met patroonmagazijn
Goednummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7099053
SIN: AASY2465NL
Object: Vuurwapen (Alarmpistool)
Merk/type: Umarex Walther PPQ
Kaliber: 9mm P.A.K.
Bijzonderheden: Loop is afgezaagd (ontbreekt), met patroonmagazijn
12.
Proces-verbaal van de politie [13]
Veiliggestelde sporen
Spoornummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -244439
SIN: AASY3297NL
Relatie met SIN: AASY2462NL
Plaats veiligstellen: trekker en ruwe delen
Spoornummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -244443
SIN: AASY3301NL
Relatie met SIN: AASY2463NL
Plaats veiligstellen: trekker en ruwe delen (zonder de slede)
Spoornummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -244451
SIN: AASY3308NL
Relatie met SIN: AASY2465NL
Plaats veiligstellen: trekker en ruwe delen (zonder de slede)
13.
Deskundigenverslag [14]
Verzocht is biologisch sporenonderzoek en/of vergelijkend DNA-onderzoek te verrichten.
Resultaten:
Bemonstering DNA-profiel Mogelijke donor van DNA
Trekker en ruwe delen DNA-mengprofiel [verdachte]
AASY3297NL afkomstig van minimaal
3 donoren van wie zeker
1 man
Trekker en ruwe delen DNA-mengprofiel [verdachte]
(zonder slede) afkomstig van minimaal
AASY3301NL 3 donoren van wie zeker
1 man
Trekker en ruwe delen DNA-mengprofiel [verdachte]
(zonder slede) afkomstig van minimaal
AASY3308NL 3 donoren van wie zeker
1 man
Berekening bewijskracht:
Ten aanzien van [verdachte]Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van [verdachte] in de bemonstering AASY3297NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en twee onbekende personen.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
14.
Deskundigenverslag [15]
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van [verdachte] in de bemonstering AASY3301 NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en twee onbekende personen
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn ongeveer 76 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van [verdachte] in de bemonstering AASY3308NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en twee onbekende personen.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
15.
Proces-verbaal van de politie [16]
Op 8 februari 2026 te 19:30 uur zijn goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek
van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:
Goednummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7099056
SIN: AASY2463NL
Het gaspistool, van het merk/type Umarex Glock 17 Gen 5, kaliber 9mm P.A.K., betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 gelet op artikel 2 lid Pro 1, categorie III onder 1 gelet op artikel 3 lid 1 van Pro de WWM.
Goednummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7099069
SIN: AASY2462NL
Het alarmpistool met patroonmagazijn, van het merk/type Blow TR34, kaliber 9mm P.A.K., betreft een wapen in de zin van artikel 2 lid Pro 1, categorie III, onder 4 van de WWM.
Goednummer: PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7099053
SIN: AASY2465NL
Het gaspistool, van het merk/type Umarex Walther PPQ, kaliber 9mm P.A.K., betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 gelet op artikel 2 lid Pro 1, categorie III onder 1 gelet op artikel 3 lid 1 van Pro de WWM.
16.
Proces-verbaal van de politie [17]
Na vordering van de officier van justitie voor een machtiging bij de rechter-
commissaris werden de historische gegevens van het telefoon nummer [telefoonnummer] van de [verdachte] gevraagd en verkregen over de periode van 16/10/2025 tot en met 16/03/2026.
Over het algemeen is te constateren dat het telefoonnummer [telefoonnummer] , in de periode van 19 januari 2026 tot en met 8 februari 2026, zeer regelmatig verbinding maakt met de zendmast aan de locatie [locatie] , zowel overdag als in de nachtelijke uren. [locatie] is hemelsbreed gelegen, gemeten op een afstand van ongeveer 328 meter van de Palladiostraat te Rotterdam.
Ten aanzien van feiten 4 en 5
17.
Verklaring van de verdachte [18]
Het klopt dat ik op 17 juli 2025 op ben aangehouden in een container op het haventerrein van de ECT Delta Terminal. Ik ben daar gekomen door over het hek te klimmen. Ik ben de dag ervoor gevraagd om mee te gaan.
18.
Proces-verbaal van de politie [19]
Ik werd op 17 juli 2025 om 02:16 uur door de beveiliging van de ECT Delta terminal
aan de [adres 2] gebeld met de melding dat er drie
personen over het hekwerk waren geklommen aan de zijde van de Missouriweg te
Maasvlakte Rotterdam. Dit hekwerk is de scheiding tussen de openbare weg, de
Missouriweg en het bedrijfsterrein van de ECT Delta terminal.
Ik zag op een van de camera's langs de Missouriweg een personenauto aan komen rijden vanuit de richting van de Yukonweg. Ik zag dat deze personenauto stopte op het midden van de rijstrook en dat er uit deze personenauto 4 personen in de richting van het eerder genoemde hekwerk renden.
19.
Proces-verbaal van de Douane Landelijk Tactisch Centrum [20]
Omstreeks 02:17 uur hoorde ik via porto een melding van de Landelijke Meldkamer Douane dat de beveiliging van ECT Delta aan de [adres 2] (hierna ECT Delta) zag dat er insluipers werden afgezet op de Missouriweg.
Naar aanleiding van die melding zag ik op camera MV084 vier in het zwart geklede personen bij het hek langs de Missouriweg ter hoogte van het Matransgebouw, welke gelegen is op het ECT Delta terrein.
Vervolgens zag ik hoe twee personen over het hek klommen vanaf de Missouriweg het terrein van de ECT Delta op. Ik zag dat de twee personen vermoedelijk een zwart kleurige tas opraapten en het beeld uitliepen in de richting van het Matransgebouw.
Vervolgens zag ik hoe een derde persoon ook vanaf de Missouriweg over het hek klom en het op het terrein van de ECT Delta kwam en zag ik dat deze persoon vervolgens zonder tas weg rende in de richting van het Matransgebouw.
20.
Proces-verbaal van het Team Bijzondere Bijstand Douane [21]
Op 17 juli 2025 hield ik op het terrein van de ECT Delta gelegen aan de [adres 2] Maasvlakte een verdachte aan welke bleek te zijn [medeverdachte 2] .
Op 17 juli 2025, omstreeks 02:25 uur, kreeg ik een melding van de commandant van het Team Bijzondere Bijstand dat er insluipers gezien waren op het terrein van ECT Delta. Hierop ben ik samen met anderen ter plaatse gegaan.
In de container met uniek nummer: [containernummer] werd door een medewerker van het Team Bijzondere Bijstand, 1 persoon aangetroffen. Hierop hield ik bovengenoemd persoon aan. De verdachte verklaarde te zijn [medeverdachte 2] [de rechtbank begrijpt: de verdachte].
21.
Proces-verbaal van de politie [22]
Op 17 juli omstreeks 02:20 uur kregen wij van de algemeen coördinator te horen dat er twee personen waren bij de ECT terminal op de Maasvlakte Rotterdam. Omstreeks 02:45 uur kregen wij te horen dat een voertuig voorzien van kenteken [kenteken 2] de personen had afgezet. Wij gingen actief zoeken naar dit voertuig. Op 17 juli 2025 om 04:07 uur gaven wij op het Eendrachtsplein middels een politietransparant het betrokken voertuig een stopteken. Het voertuig stopte ter hoogte van de kruising met de Westersingel. Ik liep naar de bestuurderszijde en zei tegen de bestuurder dat hij was aangehouden voor de Opiumwet. De verdachte bleek te zijn [medeverdachte 3] .
22.
Proces-verbaal van de Douane Landelijk Tactisch Centrum [23]
Op 17 juli 2025 omstreeks 02:16 uur kregen wij de melding dat er drie personen met tassen waren gezien en over hek waren geklommen vanaf de Missouriweg ter hoogte van gebouw 41 (bij het Matransgebouw) op de ECT Delta (hierna ECT).
Hierop zijn wij direct richting de ECT gereden. Ondertussen kregen wij via de portofoon aanvullende informatie van de meldkamer dat de insluipers waren afgezet door een witte Renault en dat de insluipers stack 297 waren in gerend. Het douanekoppel [nummer 1] wat al aanwezig was op de containerterminal van de ECT hadden de insluipers ingeboxt bij stack 295 en 293, dit samen met de beveiliging ECT.
Omstreeks 02:23 uur had ik [verbalisant] de officier van dienst douane ingelicht en het verzoek om het team bijzondere bijstand douane (hierna TBB) in te schakelen. Wij hadden de locatie gedeeld van de insluipers en het Douane koppel [nummer 2] richting de Maasvlakte gestuurd.
Omstreeks 02:29 uur melde de beveiliging ECT dat er een persoon was gezien op de Missouriweg die richting Qterminal rende en vervolgens uit beeld was verdwenen.
Omstreeks 03:31 uur is deze persoon die zich rondom de Missouriweg bevond aangehouden door de Zeehavenpolitie.
Omstreeks 02:30 uur waren wij en het koppel [nummer 2] aangekomen op de ECT. Het douane koppel [nummer 1] melde dat de drie insluipers zich verplaatsen richting de aflopende stacks. Twee insluipers renden richting 262 en 264 en een insluiper richting 278, hierop hadden wij positie ingenomen bij stack 260 en het koppel [nummer 2] bij stack 262 en stack 264.
Het douane koppel [nummer 1] bleef zijn positie houden rondom de stack 278.
Omstreeks 03:20 uur was het TBB gearriveerd met een speurhondengeleider en vingen zij aan met de controle van stack 262 tot en met 265. Waarna zij 1 persoon aanhielden.
Omstreeks 04:25 uur einde doorzoeking stack 262 tot en met 265 en verplaatsing naar stack 278. Omstreeks 04:38 uur startte de speurhondengeleider TBB met de controle van stack 278. Ook hier hielden zij 1 persoon aan.
2.3.2.
Bewijsmotivering
2.3.2.1.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
Feit 1 – diefstal geldbedrag
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met een ander het ten laste gelegde geldbedrag van € 125,19 heeft weggenomen. Uit het dossier kan slechts worden afgeleid dat de verdachte de betaling bij de Shell Zevenkamp van € 14,50 heeft verricht.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wel sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen. Uit camerabeelden van de Palladiostraat blijkt dat de verdachte in de ochtend van 8 februari 2026 twee minuten na [medeverdachte 1] de lift van het wooncomplex waar [medeverdachte 1] woonachtig is, instapt, zich naar de begane grond begeeft en het complex verlaat. Hierna worden kort achter elkaar diverse pinbetalingen verricht met de weggenomen bankpassen van [aangever] . [medeverdachte 1] heeft verklaard de betalingen bij de tabakswinkel en de Jumbo te hebben verricht. De verdachte heeft verklaard een pinbetaling bij de Shell te hebben verricht. Dit blijkt ook uit de veiliggestelde camerabeelden van de winkels. Omstreeks 12:00 uur is de verdachte aangesproken door de aangever en [getuige 2] voor het wooncomplex van [medeverdachte 1] . Gezien het zeer korte tijdsbestek waarbinnen de passen zijn rondgegaan tussen de verdachten en de verklaringen van [medeverdachte 1] kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] diverse geldbedragen met een totale waarde van € 125,19 heeft gepind met de weggenomen bankpassen van de aangever. Het verweer wordt verworpen.
Feit 2 - voorhanden hebben van vuurwapens
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het DNA van de verdachte op diverse manieren op de vuurwapens terecht kan zijn gekomen. DNA is immers overdraagbaar. Bovendien is steeds sprake van een mengprofiel hetgeen passend is in geval sprake is van een woning waarin meerdere personen verblijven. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen vuurwapens.
De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de drie ten laste gelegde vuurwapens waarop zijn DNA is aangetroffen voorhanden heeft gehad. Het DNA van de verdachte is ten aanzien van alle drie de vuurwapens op de trekker en ruwe delen aangetroffen; precies de locaties waar je DNA verwacht aan te treffen in het geval een vuurwapen is vastgepakt. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat het DNA op deze locaties is terechtgekomen door middel van secundaire overdracht. Bovendien blijkt uit de berekeningen van de bewijskracht van alle drie de onderzochte sporen dat de resultaten van het onderzoek meer dan één miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer hypothese 1 (de bemonstering bevat DNA van de verdachte en twee onbekende personen) dan wanneer hypothese 2 juist is (de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen). Het verweer wordt verworpen.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van het overige ten laste gelegde vuurwapen, van de kast-, loop- en trekkergroep bestemd voor een pistool en van de munitie. Hierop is geen DNA van de verdachte aangetroffen en daarvan kan niet worden uitgesloten dat voornoemde voorwerpen buiten het medeweten van de verdachte door een ander in de woning zijn geplaatst waardoor niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van en de beschikkingsmacht had over voornoemde goederen.
De rechtbank is van oordeel dat de pleegperiode dient te worden beperkt tot de dag van ontdekking van de vuurwapens op 8 februari 2026.
2.3.2.2.
Ten aanzien van feiten 4 en 5
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat voor een bewezenverklaring van medeplegen meer nodig is dan enkel de gelijktijdige aanwezigheid of het op hetzelfde moment betreden van een terrein. Er dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking en daarvoor biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen wederrechtelijk heeft verbleven op het terrein van de ECT Delta Terminal en dat hij zich daartoe de toegang heeft verschaft door middel van inklimming. Uit het dossier blijkt dat de verdachte samen met vier anderen in één auto naar het betreffende terrein is gereden, dat er vier personen door een voertuig worden afgezet nabij het terrein van de ECT Delta Terminal en dat drie personen nagenoeg tegelijkertijd over het hek klimmen dat er vervolgens drie personen op het terrein van de ECT Delta Terminal worden aangehouden. Hiermee kan worden vastgesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Het verweer wordt verworpen.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:

1.hij op meer tijdstippen op 8 februari 2026 te Rotterdam, ,tezamen en in vereniging met een ander,een geldbedrag (in totaal 125,19 euro) dat geheel of ten dele aan [slachtoffer ] toebehoordeheeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel,door meermalen gebruik te maken van de bankpassen van [slachtoffer ] , tot welk gebruik hij niet gerechtigd was;

2.hij op de periode van 8 februari 2026 te Rotterdam,meerdere wapens van categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1° van die wet in de vorm van een pistool, namelijk- een gaspistool, van het merk Umarex, model Walther PPQ, kaliber 9mm P.A.K., en- een gaspistool, van het merk Umarex, model Glock 17 Gen 5, kaliber 9mm P.A.K.,en een wapen van categorie III, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art. 2 lid Pro 1, onder 4° van die wet in de vorm van een alarm- c.q. startpistool, namelijk- een alarm- c.q. startpistool met patroonmagazijn, van het merk Blow, model TR34, kaliber 9 mm P.A.K.voorhanden heeft gehad;

4.hij op 17 juli 2025 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,tezamen en in vereniging met anderen,wederrechtelijkheeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van de ECT Delta Terminal (aan de [adres 2] ) in de Rotterdamse haven;

5.hij op 17 juli 2025 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,tezamen en in vereniging met anderen,zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen,te weten het door hekken omgeven terrein van de ECT Delta Terminal (aan de [adres 2] ) in de Rotterdamse haven, door middel van inklimming.

2.3.4.
Vrijspraak t.a.v. feit 3
Juridisch kader
Artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr ziet op het – door middel van een (dwang)middel – werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander. Het gaat om activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijk bewegen of dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in onderdeel 4 van artikel 273f, eerste lid, Sr.
De (dwang)middelen zijn: dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft. De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
De handelingen omschreven in onderdeel 1 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.
De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval dat het slachtoffer meerderjarig is.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.
Uit jurisprudentie volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden; voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Artikel 273f, lid 1, sub 4 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in onderdeel 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in onderdeel 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in onderdeel 4 volgen vaak op de gedragingen in de onderdelen 1 en 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van onderdeel 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in onderdeel 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, wanneer uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, met dien verstande dat die afweging bij minderjarigen anders kan uitvallen dan bij meerderjarigen.
Beoordeling door de rechtbank
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van sub 1 en 4. De verdachte heeft in de woning van [medeverdachte 1] , een zeer kwetsbaar persoon waarvan de verdachte ook op de hoogte was, vuurwapens bewaard. De verdachte had daar te allen tijde toegang toe omdat hij over de sleutel van de woning beschikte. Op deze manier heeft de verdachte [medeverdachte 1] verzocht om een dienst te verrichten, namelijk het bewaren van vuurwapens en munitie in de woning, hetgeen een criminele activiteit is. De verdachte heeft volgens de officier van justitie een wervende handeling verricht doordat hij aan [medeverdachte 1] de huissleutel van de woning van [medeverdachte 1] heeft gevraagd. Ook heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [medeverdachte 1] . De verdachte was er naar eigen zeggen van op de hoogte dat [medeverdachte 1] een gebruiker was en ook dat hij geen “nee” durfde te zeggen.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van criminele uitbuiting. De verdachte beschikte weliswaar om een sleutel van de woning, maar dit levert niet direct een wervingshandeling in de zin van dit artikel op. Voorts omvat het dossier onvoldoende objectieve informatie over [medeverdachte 1] om te kunnen vaststellen dat [medeverdachte 1] een zeer kwetsbaar persoon is, zoals bedoeld in dit artikel. De verklaring van [medeverdachte 1] en een vroeghulprapport over [medeverdachte 1] leveren daartoe onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Daardoor heeft de rechtbank ook niet kunnen vaststellen dat de verdachte misbruik van die gestelde kwetsbaarheid zou hebben gemaakt. Evenmin is gebleken van enig ander (dwang)middel. Bovendien is niet komen vast te staan dat de kwetsbaarheid van [medeverdachte 1] heeft gemaakt dat hij is bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten, namelijk het functioneren als opslaghuis voor wapens en munitie. Het feit kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
en
de voortgezette handeling van
feit 4:
het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
feit 5:
zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf en maatregel

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Voorts dient de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), voor de duur van 3 jaar te worden opgelegd, inhoudende een locatieverbod ten aanzien van de Rotterdamse haven met vervangende hechtenis voor de duur van twee weken per overtreding (met een maximum van zes maanden).
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om - gelet op de kwetsbaarheid van de verdachte - oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten en te volstaan met oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met een ander een geldbedrag weggenomen door te pinnen met van het slachtoffer gestolen bankpassen. Hiermee heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en zich kennelijk enkel laat leiden door zijn persoonlijke behoeften en geldelijk gewin. Diefstallen zijn vervelende feiten die voor de gedupeerden veel hinder en schade veroorzaken.
Ook heeft de verdachte drie vuurwapens voorhanden gehad in een woning waarin hij regelmatig verbleef. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Tegen onbevoegd vuurwapenbezit moet krachtig worden opgetreden. Het aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.
Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk verblijven op het besloten ECT Delta Terminal terrein en zich hiertoe de toegang verschaft door middel van inklimming, naar alle schijn voor het uithalen van verdovende middelen.
De rol van uithaler is weliswaar minder groot dan die van (bijvoorbeeld) de organisatoren van een transport, maar evenzeer belangrijk bij het plegen van de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die de invoer van harddrugs is. De uithalersactiviteiten zijn van essentieel belang om het drugstransport goed te laten verlopen en daarmee zijn uithalers een onmisbare schakel in de internationale transportketen van harddrugs.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapport
In het rapport van de reclassering (Leger des Heils) van 9 juni 2026 staat het volgende.
De verdachte heeft geen vaste huisvesting en verblijft voornamelijk bij vrienden en kennissen. Kort voor de aanhouding van de verdachte had hij werk in de schoonmaak.
De verdachte staat onder bewind en krijgt leefgeld, afhankelijk van zijn inkomen. Als hij geen werk heeft, ontvangt hij een Wajong uitkering. Er lijkt geen sprake te zijn van middelenproblematiek. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte vanaf zijn jeugd bekend is met psychische problemen. In hoeverre die nu nog een rol spelen is de rapporteur niet duidelijk. Hier zou volgens de reclassering nader onderzoek naar moeten worden gedaan door een gedragsdeskundige. Daarnaast dient er volgens de reclassering nader onderzoek te worden gedaan naar de fysieke beperkingen van de verdachte. Hij is slachtoffer geworden van brandstichting en heeft brandwonden over zijn gehele lichaam. Hiervoor ondergaat de verdachte nog behandeling.
De risico’s op recidive, op letsel en op het onttrekken aan voorwaarden kunnen niet worden ingeschat.
De reclassering adviseert om in geval van een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan een ambulante behandeling en het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank legt een gevangenisstraf van vijftien maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank komt hiermee uit op een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de onder 3 ten laste gelegde criminele uitbuiting en van een gedeelte van de onder 2 ten laste gelegde wapens en munitie.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan een ambulante behandeling en het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van drie jaar, inhoudende een gebiedsverbod voor de Rotterdamse haven.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

5.In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- twee Samsung telefoons (een roze Samsung telefoon onder goednummer PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7122765 en een zwarte Samsung telefoon onder goednummer PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7122772)
- munitie (7099057), onderdeel vuurwapen (7099051), patroonhouder (7099046), alarmpistool (7099056), pistool (7099069), Walter (7099053), Revolver (7099042).
De rechtbank dient een beslissing te nemen ten aanzien van deze voorwerpen.
5.1.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen telefoons worden teruggegeven aan de verdachte en dat de wapens en munitie worden onttrokken aan het verkeer. De verdediging is het hiermee eens.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beslist tot de teruggave van de twee in beslag genomen Samsung telefoons aan de verdachte.
De rechtbank beslist dat de in beslag genomen munitie (7099057), onderdeel vuurwapen (7099051), patroonhouder (7099046), alarmpistool (7099056), pistool (7099069), Walter (7099053), Revolver (7099042) worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. Het strafbare feit is met betrekking tot deze voorwerpen gepleegd dan wel behoren deze toe aan de verdachte en kunnen dienen tot het plegen of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering [benadeelde partij]
, met Stichting Centrale Administratie voor Voorzieningen op het Gebied van de Gezondheids- en Welzijnszorg als wettelijk vertegenwoordiger, heeft als benadeelde partij voor feit 3 € 8.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en er in enige mate sprake is van eigen schuld.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde criminele uitbuiting. Om die reden veroordeelt de rechtbank de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging

7.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. De strafbare feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, zijn van beperkte ernst en omvang. Bovendien gaat het om feiten van andere aard dan de ten laste gelegde feiten in de onderhavige strafzaak. Toewijzing van de vordering is niet opportuun.
De raadsvrouw heeft zich op het subsidiaire standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen dan wel dat de proeftijd kan worden verlengd.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf.

8.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 38v, 38w, 47, 56, 57, 138aa en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 4 en 5 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
3 (drie) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
  • de verdachte zich gedurende de proeftijd meewerkt aan intake en diagnostiek door een GGZ instelling. Indien nodig laat de verdachte zich behandelen door een GGZ instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, of andere problematiek;
  • de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor de feiten 4 en 5 op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 (drie) jaar, inhoudende dat de verdachte zich niet bevindt in de havens van Rotterdam, gedurende 3 (drie) jaar na onherroepelijk worden van dit vonnis;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
In beslag genomen voorwerpen
  • beveelt de teruggave van de twee Samsung telefoons (goednummers PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7122765 en PL1700- [proces-verbaalnummer 3] -7122772) aan de verdachte;
  • verklaart voor feit 2 onttrokken aan het verkeer: munitie (7099057), onderdeel vuurwapen (7099051), patroonhouder (7099046), alarmpistool (7099056), pistool (7099069), Walter (7099053), Revolver (7099042);
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 02-102417-25)
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf van 30 (dertig) dagen, zoals opgelegd in het vonnis van de politierechter te Breda van 17 juni 2025;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3);
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.

10.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - ten aanzien van de feiten 1 en 2 gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Veneto met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] en zaaksdossier Vincenza met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] en ten aanzien van de feiten 4 en 5 op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 4] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 17 juni 2026.
3.Pagina 4 e.v. van ZD Veneto.
4.Pagina 15 e.v. van ZD Veneto.
5.Pagina 21 e.v. van ZD Veneto.
6.Pagina 46 e.v. van ZD Veneto.
7.Pagina 49 e.v. van ZD Veneto.
8.Pagina 75 e.v. van ZD Veneto.
9.Pagina 1 e.v. van ZD Vicenza.
10.Pagina 4 e.v. van ZD Vicenza.
11.Pagina 7 e.v. van ZD Vicenza.
12.Pagina 54 e.v. van ZD Vicenza.
13.Pagina 64 e.v. van ZD Vicenza.
14.Rapport van The Maastricht Forensic Institute d.d. 12 maart 2026, pagina 94 e.v. van ZD Vicenza.
15.Rapport van The Maastricht Forensic Institute d.d. 8 april 2026, pagina 116 e.v. van ZD Vicenza.
16.Pagina 74 e.v. van ZD Vicenza.
17.Pagina 80 e.v. van ZD Veneto.
18.Verklaard tijdens de zitting van 17 juni 2026.
19.Pagina 17 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .
20.Pagina 165 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .
21.Pagina 176 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .
22.Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .
23.Pagina 217 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .