ECLI:NL:RBROT:2026:9225

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
10-288959-25 + 10-056770-26 + 03-116682-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 46a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen uitlokking, mensenhandel minderjarigen, wapenbezit, ontploffing en witwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 15 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die samen met anderen minderjarigen heeft uitgelokt en ingezet voor ernstige strafbare feiten. De verdachte probeerde een minderjarige uit te lokken om een woning in Rotterdam te beschieten met een automatisch vuurwapen en maakte zich schuldig aan de criminele uitbuiting van deze minderjarige. Daarnaast was hij opdrachtgever bij een ontploffing bij een loods in Roermond, waarbij eveneens een minderjarige werd ingezet. Tevens heeft de verdachte €80.900,- witgewassen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op bewijsmiddelen zoals inbeslaggenomen wapens, munitie, geldbedragen, digitale communicatie via Snapchat en Signal, verklaringen van betrokkenen en deskundigenrapporten. De verdachte fungeerde als opdrachtgever en gaf via tussenpersonen instructies aan de minderjarigen. De rechtbank verwierp de meeste verweren van de verdediging, waaronder het ontbreken van bewijs voor directe beschikkingsmacht over het vuurwapen en het ontkennen van het gebruik van bepaalde accounts.

De verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit van medeplegen voorbereiding moord/doodslag en van het onderdeel levensgevaar bij de ontploffing. Voor de overige feiten werd hij veroordeeld. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf jaar op, met aftrek van voorarrest, en verklaarde de in beslag genomen geldbedragen en een mobiele telefoon verbeurd. Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.000,- aan de benadeelde partij toegekend. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van uitlokking, mensenhandel minderjarigen, wapenbezit, ontploffing en witwassen.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-288959-25 + 10-056770-26 (gev. ttz) + 03-116682-26 (gev. ttz)
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Datum zitting: 1 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode] te [plaatsnaam] ,
gedetineerd in [naam PI] .
Advocaat van de verdachte: mr. I.J.M. de Wit
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. N. Amine
Kern van het vonnis
De verdachte heeft samen met anderen geprobeerd om de [minderjarige 1] uit te lokken om een woning in Rotterdam te beschieten met een automatisch vuurwapen. Dit wordt ook gezien als de criminele uitbuiting van die [minderjarige 1] en het samen met anderen voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen met bijbehorende munitie. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een loods in Roermond. Dit wordt ook gezien als de criminele uitbuiting van een andere minderjarige, [minderjarige 2] . De verdachte fungeerde hierbij steeds als opdrachtgever die via de medeverdachte als tussenpersoon instructies omtrent de opdrachten gaf.
Tot slot heeft de verdachte een geldbedrag van € 80.900,- witgewassen.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaar.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van het volgende. De verdachte heeft primair samen met een ander voorbereidingshandelingen getroffen ten behoeve van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en subsidiair samen met een ander gepoogd om [minderjarige 1] uit te lokken om [benadeelde partij] om het leven te brengen dan wel te bedreigen en/of om een gebouw te vernielen of te beschadigen. Ook heeft de verdachte samen met een ander een automatisch vuurwapen met munitie voorhanden gehad en [minderjarige 1] crimineel uitgebuit. Verder heeft de verdachte primair samen met een ander een ontploffing teweeggebracht bij een loods in Roermond en subsidiair samen met een ander [minderjarige 2] daartoe uitgelokt. Ook heeft de verdachte samen met een ander [minderjarige 2] crimineel uitgebuit. Tot slot heeft de verdachte een geldbedrag van € 80.900,- witgewassen.
De volledige tenlastelegging is van een doorlopende nummering voorzien en staat in bijlage 1.

2.Bewijs / Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6. De verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en van het onder feit 5 ten laste gelegde onderdeel “levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meerdere personen”. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onder feit 3 ten laste gelegde witwassen. De verdediging heeft zich ten aanzien van dat feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van deze feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
Feit 3
1.
Proces-verbaal van de politie [2]
Op 4 november 2025 werd in de woning aan [adres 1] een totaalbedrag van 80.900 euro in beslag genomen. Het geldbedrag werd in twee delen aangetroffen, te weten 900 euro in biljetten van 50 euro in de slaapkamer van [verdachte] en 80.000 euro in diverse bundels van biljetten van 50, 100 en 200 euro in een plastic zakje in een opslagkast.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Op 4 november 2025 trad ik binnen in de woning [adres 1] , bewoond door [verdachte] .
In de woning werd inbeslaggenomen: een groot geldbedrag.
Fotoblad
Foto 1: 80.000 euro aan biljetten gevonden in ene opslagkast in een zwarte plastic tas.
Foto 2: 900 euro gevonden in een nachtkastlade in de slaapkamer van [verdachte] .
3.
Verklaring van de verdachte [4]
Het klopt dat ik woonachtig ben op het adres [adres 1] .
Feiten 1, 2 en 4
4.
Proces-verbaal van de politie [5] Naar aanleiding van eerdere incidenten aan de [adres 2] stond er preventief een camera op de portiek gericht.
Ik zag op 16 oktober 2025 omstreeks 01:30 uur dat er een voertuig stopte ter hoogte van de [adres 2] . Ik zag dat er een persoon uit het voertuig stapte vanuit de passagierszijde. Ik zag dat de persoon richting de portiek aan de [adres 2] liep. Ik zag dat de persoon kort voor het paneel waar de deurbellen zitten heeft gestaan. Ik zag dat de persoon vervolgens wegliep in de richting van het Gerrit Sterkmanplein.
Ik hoorde dat de collega ter plaatse in de doorsteek een persoon aantrof. Ik zag dat de persoon welke bij de collega stond voldeed aan het signalement. Ik hoorde via de portofoon dat de collega een extra eenheid ter plaatse wilde omdat hij een vuurwapen had bij deze persoon.
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
Op 16 oktober 2025 omstreeks 01:30 uur liep ik op de [locatie] de doorsteek in. Halverwege de doorsteek zag ik rechts van mij een jongen. De jongen bleek te zijn genaamd [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2009.
Ik vroeg aan [minderjarige 1] of hij wapens bij zich had. Ik hoorde dat [minderjarige 1] het volgende aan mijn verklaarde: "Ja, dat heb ik." Vervolgens zag ik dat [minderjarige 1] naar zijn zwarte rugtas rijkte, welke over zijn schouder hing. Ik opende genoemde rugtas en zag in de genoemde rugtas een zwart kleuring vuurwapen. Ik herkende het genoemde vuurwapen ambtshalve direct als zijnde een Uzi. Een betreft een compact machinepistool.
Ik heb de genoemde Uzi in beslag genomen. Van de inbeslagname is een kennisgeving van inbeslagname opgemaakt onder registratienummer 2025358082-20
Vervolgens kwam de hondengeleider ter plaatse om de genoemde Uzi veilig te stellen.
Ik hoorde van de hondengeleider dat het om een echte Uzi ging en dat er minimaal 20
patronen in het magazijn van de genoemde Uzi zaten.
6.
De kennisgeving van inbeslagneming [7]
Inbeslagneming
Plaats: [adres 2]
Datum: 16 oktober 2025
Goednummer: PL1700-2025358082-7039011
Goednummer: PL1700-2025358082-7039038
7.
Proces-verbaal van de politie [8]
Goednummer: PL1700-2025358082-7039011
Object: Vuurwapen (Auto. vuurwapen)
Merk/type: I.M.I. Uzi S.M.G.
Spoor identificatienr.: AASO2215NL
Kaliber: 9x19mm
Bijzonderheden: met patroonmagazijn
Het inbeslaggenomen voorwerp is een pistool geschikt om projectielen door een loop af te schieten.
De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige
ontploffing of een andere scheikundige reactie.
Met betrekking tot dit vuurwapen is een nader onderzoek ingesteld daaruit blijkt dat het
inbeslaggenomen vuurwapen geschikt is om automatisch te vuren.
Derhalve is dit een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 gelet op artikel 2, lid
1, categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie
Goednummer: PL1700-2025358082-7039038
Object: Munitie (Kogelpatroon)
Aantal/eenheid: 20 stuks
Kaliber: 9x19mm
Bijzonderheden: Uit patroonmagazijn AASO2215NL
Het betreft kogelpatronen van het kaliber 9x19mm. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de WWM.
8.
Proces-verbaal van de politie [9]
Bij [minderjarige 1] werd een mobiele telefoon aangetroffen van het merk Apple type iPhone.
Ik zag dat het snapchat account [account 1] geconfigureerd in de telefoon. Ik zag dat er een verwijderd chat was met een gebruiker genaamd [account 2] .
Relevant chatgesprek tussen [account 1] en [account 2] :
9.
Proces-verbaal van de politie [10]
Uit het in beslag genomen toestel van [minderjarige 1] blijkt dat [minderjarige 1] middels de chatapplicatie Snapchat de opdracht krijgt voor het uitvoeren van de verijdelde aanslag. Hierbij ontving [minderjarige 1] :
- gedetailleerde aanwijzingen van hoe en waar het vuurwapen opgehaald moest worden,
- hoe de opdracht uitgevoerd moest worden en wat het doelwit was,
- aanwijzingen waardoor live meegekeken kon worden met zijn locatie.
Uit dit onderzoek is gebleken dat de opdrachtgever van [minderjarige 1] blijkt te zijn:
[naam 1] . [naam 1] werd op 21 oktober 2025 aangehouden. Tijdens zijn aanhouding werd een mobiele telefoon in beslag genomen. Dit mobiele toestel is digitaal uitgelezen.
[naam 1] heeft een bekennende verklaring gegeven bij het onderzoeksteam. Uit deze verklaring blijkt dat ook [naam 1] aangestuurd werd en de opdracht gekregen heeft om een uitvoerder te zoeken. Hierbij verklaarde hij de opdracht gekregen te hebben van een persoon via chatapplicatie Snapchat welke op Snapchat heette: ' [naam 2] '. [naam 1] zou in het verleden zijn toegevoegd door dit account en nooit fysiek afgesproken hebben.
Uit onderzoek in het mobiele toestel blijkt dat twee accounts opgeslagen zijn als contact onder de naam ' [naam 2] ':
Naast deze twee Snapchataccounts is ook een telefoonnummer opgeslagen onder de naam ' [naam 2] ': [telefoonnummer 1]
Identificatie [medeverdachte 1]
Uit onderzoek naar de identiteit van gebruiker' [naam 2] ' blijkt uit de Politiesystemen dat de accountnamen in het verleden onder andere namen opgeslagen zijn:
  • ' [accountnaam 1] ' staat opgeslagen als: [accountnaam 2]
  • ' [accountnaam 3] ' staat opgeslagen als: [accountnaam 4] / [accountnaam 5] / [accountnaam 6] / [accountnaam 2]
Ook blijkt dat account ' [accountnaam 3] ' gekoppeld is aan nummer [telefoonnummer 1] , hetzelfde nummer dat als contact ' [naam 2] ' opgeslagen is. Dit nummer is bevraagd en blijkt op naam te staan van [naam 3] op het adres [adres 3] . [naam 3] heeft één zoon, die tevens op het bovengenoemde adres woont, wie blijkt te zijn:
[medeverdachte 1] geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 2] .
10.
Proces-verbaal van de politie [11]
Op 22 oktober 2025 werd [medeverdachte 1] aangehouden. Bij zijn aanhouding werd een mobiele telefoon in beslag genomen onder goednummer 7042441. Dit toestel is digitaal uitgelezen.
Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] op 14 oktober 2025 om 22:31 uur op Snapchat aan een groep toegevoegd wordt door [naam 1] ( [account 2] ). In ditzelfde groepsgesprek neemt ook [minderjarige 1] ( [account 1] ) deel. De inhoud van dit gesprek is verwijderd uit het toestel maar notificaties van binnenkomende berichten geeft toch weer op welke momenten en met welke frequentie contact is via dit groepsgesprek. Uit onderzoek blijkt dat tussen 14 oktober 2025 om 22:31 uur en 16 oktober 2025 om 03:34 uur ongeveer 650 berichten ontvangen zijn van [naam 1] ( [account 2] ). In ditzelfde tijdbestek zijn de onderstaande schermafbeeldingen opslagen op het toestel van [medeverdachte 1] .
Afbeelding 3 betreft een schermafbeelding van navigatieapplicatie Google Streetview waarop het portiek van [adres 4] te zien is, het vermoedelijke doelwit van onderzoek Glans.
Op afbeelding 4 is een schermafbeelding van chatapplicatie Signal te zien waarop een gesprek tussen [medeverdachte 1] en een tegenaccount te zien is waarbij de blauwe tekstballonnen afkomstig zijn van [medeverdachte 1] . Bovenaan de schermafbeelding zijn binnenkomende berichten van [minderjarige 1] ( [account 1] ) via chatapplicatie Snapchat te zien.
Uit de tekst is op te maken dat [medeverdachte 1] instructies krijgt en deze vervolgens moet doorspelen naar de uitvoerende partij, in dit geval [minderjarige 1] . Vermoedelijk moet het vuurwapen, voorafgaand het moment suprême, al uit een vuilniszak gehaald worden zodat direct nadat het vuurwapen uit de rugzak gehaald wordt, geschoten kan worden. Daarnaast moet nadrukkelijk gefilmd worden door [minderjarige 1] tijdens het schieten. Ook moet het juiste doelwit geraakt worden, waarbij de schermafbeelding van afbeelding 3 gestuurd wordt door het tegenaccount.
11.
Proces-verbaal van de politie [12]
Gebleken is dat [medeverdachte 1] aangestuurd wordt door een persoon, welke ten tijden van het incident op 15/16 oktober 2025 zichzelf ‘ [naam 4] ’ noemt. Het contact tussen [medeverdachte 1] en [naam 4] verloopt via chatapplicatie Signal.
Op 3 oktober 2025 heeft een explosie plaatsgevonden in Antwerpen. Dit is vermoedelijk in opdracht gegaan door [naam 4] via [medeverdachte 1] en uitgevoerd door een minderjarige jongen woonachtig in Tilburg. In de aanloop naar de explosie in Antwerpen heeft [naam 4] de onderstaande berichten gestuurd naar [medeverdachte 1] :
Uit de door [naam 4] verstuurde berichten kan worden opgemaakt dat [naam 4] de uitvoerder van de explosie in Antwerpen ontmoet heeft in Tilburg. Hij zou een rit gemaakt hebben in de nachtelijke uren van 1:13 uur, waarbij hij vermoedelijk de prijzen van taxiservice Bolt te hoog vond en uiteindelijk een rit gevonden heeft voor 200 euro heen en weer.
Uit een bevraging bij Bolt blijkt dat account met nummer [telefoonnummer 2] en emailadres
[e-mailadres] een ritverzoek gedaan heeft op 3 oktober 2025 om 02:46 uur met als ophaallocatie [adres 5] genavigeerd naar [adres 6] .
Opvallend is dat de rit aangevraagd is op 02:46 uur, het exacte moment dat [naam 4] zegt afgeperst te worden door Bolt. Daarnaast is de ophaallocatie gelijk aan de ophaallocatie van de vuurwapens en het explosief, [adres 5] . De afzetlocatie betreft de locatie die [naam 4] om 02:30 uur vragend stuurt naar [medeverdachte 1] . Hieruit kan worden opgemaakt dat het bovengenoemde Bolt account in gebruik is bij [naam 4] .
Gezocht is naar de gebruiker van emailaccount [e-mailadres] . Uit onderzoek is gebleken dat dit emailadres ingelogd was in een in beslag genomen telefoon van een verdachte van een straatroof te Amsterdam gepleegd in 2022. De verdachte bleek te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] .
Uit een bevraging bij Thuisbezorgd blijkt dat op 19 februari 2025 een bestelling is gedaan met het emailadres [e-mailadres] . Hierbij betreft het opgegeven bezorgadres [adres 1] en is als klantnaam opgegeven: [verdachte] .
De moeder van [verdachte] is van Ghanese afkomst wat overeenkomt met het bericht van [naam 4] gedaan op 20-10-2025 21:58:05(UTC+2).
Daarnaast woont [verdachte] aan de [adres 1] wat op 1 minuut lopen afstand ligt van [adres 5] .
Tussen 15-10-2025 om 13:40 uur en 16-10-2025 om 14:33 uur ontvangt [medeverdachte 1] de volgende berichten van [verdachte] (gebruik makende van Signal-account met gebruikersnaam [naam 4] ):
Uit het bovenstaande gesprek kan worden opgemaakt dat
  • [verdachte] aan [medeverdachte 1] vraagt of 'hij' nog wilt schieten maar met een Uzi,
  • [verdachte] voor de opdracht 6000 euro (6k) zegt te gaan betalen aan [medeverdachte 1] ,
  • [verdachte] zegt dat het een tweemansklus is doordat het noodzakelijk is dat het voorval gefilmd wordt,
  • Gesproken wordt over het vervoer van de uitvoerders middels een Bolt taxi rit,
  • [verdachte] aan [medeverdachte 1] instructies geeft op welk doelwit geschoten moet worden welke [medeverdachte 1] moet doorspelen aan de uitvoerders,
  • [verdachte] aan [medeverdachte 1] instructies geeft over de wapenhandelingen van het automatische vuurwapen welke [medeverdachte 1] moet doorspelen aan de uitvoerders,
  • [verdachte] tegen [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 1] hem nooit teleur stelt,
  • [verdachte] herhaaldelijk blijft vragen of contact te krijgen is met de uitvoerders,
  • Wanneer duidelijk geworden is dat de opdracht niet succesvol verlopen is [verdachte] zegt op het matje geroepen te gaan worden door ' [naam 5] ',
  • [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 1] om hem een bericht te sturen via Signal omdat zijn huidige account weggaat.
12.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [minderjarige 1] [13]
V: In jouw tas troffen de politiemensen een UZI automatisch vuurwapen aan met minstens 20 patronen in een magazijn. Wat hebben ze jou geboden om dat wapen te vervoeren?
A: 1000 euro.
Feiten 5 en 6
13.
Proces-verbaal van de politie [14]
Op 14 oktober 2025, omstreeks 00.20 uur, kregen wij de opdracht van de dienstdoende
centralist om voor een brand naar de [adres 7] te gaan. Dit betreft [naam sportschool] .
Wij zagen dat Fitletic een loods betreft. Wij zagen dat er een grote poort was in de loods rechts van deze poort een deur. Wij zagen dat de deur er volledig uit was. Wij zagen dat er veel schade aan de deur en halletje achter de deur was. Wij zagen dat het glas aan de voorzijde aan de bovenkant van de loods op meerdere plekken gebarsten was. Voor de ingang van de loods was een openbare weg en daarachter ligt een park. Wij zagen dat halverwege de weg een zwarte stroomkabel lag. Wij zagen dat deze kabel ongeveer 10 meter lang was en niet volledig recht lag. Wij zagen aan een einde van de kabel ongeveer 3 centimeter koperdraad en aan het andere einde een halve centimeter koperdraad. Wij zagen dat op de stoep, ongeveer op een meter van de stroomkabel een 9 volt-batterij lag. Wij zagen dat deze batterij van het merk van Albert Heijn stond.
14.
Deskundigenverslag [15]
Politieregistratienummer: PL2300-2025174180 (onderzoeksnaam: Nightwing)
6.1.
Identificatie van de explosieve lading
Samengevat past het chemisch sporenbeeld bij een ontploffing van een explosieve lading op basis van in ieder geval kaliumperchloraat en aluminiumpoeder. Mengsels op basis van kaliumperchloraat en een metaalpoeder staan ook wel bekend onder de naam 'flitspoeder'. Flitspoeders zijn krachtige pyrotechnisch mengsels. Al bij geringe opsluiting zal het ontsteken van flitspoeder leiden tot een explosie.
6.2.
Vermoedelijke opbouw van de explosieve constructie
Op de plaats delict zijn een elektrasnoer en een 9Volt blokbatterij aangetroffen. Dit duidt op een ontsteking van het flitspoeder met een elektrische ontsteker waarbij het elektrasnoer bedoeld is om voor de gebruiker/plaatser van de explosieve constructie een veilige afstand te creëren op het moment van de beoogde ontploffing. Elektrische ontstekers die werken op een 9Volt batterij kunnen zowel fabrieksmatig geproduceerd zijn, maar het NFI komt ook vaak geïmproviseerde (zelfgemaakte) elektrische ontstekers tegen in zaakonderzoek. Omdat de elektrische ontsteker in de explosieve lading gestoken heeft gezeten, is het niet ongebruikelijk dat hier na een explosie niets van teruggevonden wordt.
6.3.
Schadebeeld en de hoeveelheid ontplofte explosieve lading
De explosieve constructie is aan de buitenzijde van de metalen toegangsdeur van de
sportschool en tegen de metalen deurlijst op circa 70 centimeter van de grond tot
ontploffing gekomen. Er is sprake geweest van scherfwerking van door de explosie weggeslingerde deurdelen en kozijndelen zoals deurpanelen, staalscherven, gebroken bouten, glasscherven in de richting van de achter de toegangsdeur gelegen
hal.
Door de kracht van de explosie is een metalen profiel dat afkomstig was van de voordeurlijst door één van de deuren in de hal geslagen en aan de andere kant van de deur op de grond van de bar van de sportschool terechtgekomen. De schade aan de deur past bij de vorm van het verwrongen metalen profiel.
Een metaalscherf met een grootte van circa 20 x 10 centimeter die afkomstig is van de
toegangsdeur is met kracht in de gipsmuur tussen de hal en de bar ingeslagen.
6.4.
Gevaarzetting
Bij een ontploffing van een explosieve lading van een halve kilogram tot een kilogram flitspoeder ontstaan -ongeacht het materiaal waar de container/verpakking van gemaakt is- een schokgolf (gepaard gaande met een zeer luide knal) en een kortstondige vuurbal met intense hitte. Materialen van objecten waar de explosieve lading zich dichtbij bevindt (tegenaan of tot op enkele centimeters afstand) zullen altijd zwaar beschadigen. Er kan fragmentatie optreden van (delen van) deze objecten en omgevingsmaterialen, waarbij scherven en brokstukken met veel energie weggeslingerd worden. In dit geval is dat ook gebeurd met de metalen voordeur en de metalen voordeurlijst in de richting van de achter de toegangsdeur gelegen hal.
15.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [minderjarige 2] [16]
Geboortedatum: [geboortedatum 4] 2008.
V: Wanneer ben jij in Roermond geweest?
A: 14 oktober 2025
V: Wat heb jij toen in Roermond gedaan?
A: Bij een sportschool moest ik brand stichten
V: Hoe ben jij in Roermond gekomen?
A: Met een taxi
V: Van waaruit ben je vertrokken?
A: Vanuit Amsterdam, ik weet vanuit oost.
V: Hoe is dit gegaan?
A: Ik ken ze gewoon, een groepje jongens. Op 13 oktober 2025, werd ik gevoegd op snap. We waren in totaal met 4 personen. Ik werd gebeld.
V: en wat wilde die jongen aan de telefoon van jou?
A: kan ik je gewoon in het echt vertellen en hij vroeg me naar Albert Heijn Ganzenhoef (Bijlmer) te komen om hem te ontmoeten. Toen ben ik daarheen gegaan en ik werd daar meteen geroepen toen ik daar aan kwam fietsen. Hij moest naar mij komen om me wat uit te leggen zei hij tegen mij. De jongen die daar stond gaf mij een batterij die ik naar Amsterdam-Oost moest brengen. Zo’n blokbatterij met aan het uiteinde twee dingen.
V: Waar naar Amsterdam-Oost?
A: in die chat van de jongen stond Wibautstraat en van daaruit moest ik nog even lopen. Dat heb ik gedaan en toen kwam ik aan bij een pleintje. Een kwartiertje later kwam er een jongen aanlopen helemaal in zwart gekleed met een capuchon op. Hij riep mij en maakte een beweging met zijn hoofd dat ik met hem mee moest lopen. Ik liep toen mee en ik stond ergens bij een paar appartementen en hij vroeg me of ik dat ding bij had. Ik vroeg hem wat ik bedoelde en ik vroeg of hij de batterij bedoelde die ik net had gekregen en die ik hem liet zien Hij zat nog in de verpakking en alles.
Ik bleef staan en ongeveer 5 minuten later kwamen er nog 2 jongens aan fietsen samen op 1 fiets. Ze zetten de fiets aan de zijkant, en de jongen die fietste sprak mij aan dat hij degene was die mij gevoegd had in de chat. Hij had een Albert Heijn tas in zijn hand en gaf dit aan me. Hij zei: “Ik ga je nu ergens heen sturen en ik je krijgt zo meteen instructies van mij opgestuurd.”. Ongeveer 10 minuten kwam er een taxi met een blauw kenteken, een BOLT of Uber, aan rijden. Toen kreeg ik van de jongen die achter op de fiets had gezeten een contant bedrag van tussen de 200 en 300 euro in bankbiljetten van 50 om de taxi te betalen. Ik moest instappen in de taxi en ik was zeker 3 à 4 uurtjes onderweg met de taxi. Alles was al ingesteld bij de taxi dus ik hoefde geen bestemming te zeggen of niets.
V: Wat had je bij je toen je instapte?
A: Ik had die Albert Heijn tas bij mij en dat geld. Die batterij had die jongen ook in die tas gedaan. Dat was de eerste jongen die vroeg of ik die batterij bij me had.
V: Wat zat er in die tas?
A: Iets groots met zilverfolie en draden.
V: en die draden wat was daarmee?
A: een lange zwarte draad en op het uiteinde twee draden met koperdraadjes eruit.
Toen ik in de taxi zat kreeg ik op mijn telefoon heel veel instructies door. Er stond een foto van een gebouw met een deur waarbij stond "bij deze deur moet het gebeuren”.
A: ik was er eindelijk en ik moest de taxi ongeveer 200 euro afrekenen. Ik had nog geld over, twee briefjes van 50 euro als het goed is. In de taxi had ik al gelezen wat ik moest doen. Ik was precies achter die sportschool afgezet. Ik pakte mijn telefoon en appte in die groep “ik ben er, wat nu”. Toen stuurden ze weer veel screenshots en hierin stonden instructies via een Instagram chat.
V: Wat voor instructies waren dit?
A: ik probeer precies te herinneren wat er werd gezegd:
  • In de Albert Heijn tas zit een pak zo groot als een boek
  • Hieraan zitten draden die je moet afrollen
  • Het pakket moest precies bij de deurhendel worden geplaatst en dit was aangegeven met een foto en een rondje erom heen, geen klink maar een beugel waar ik dit in kon plaatsen
  • Aan de uiteinden van die draden moetje de koperdraden op de + en - aansluiten op die batterij uiteinden
  • Het moest ook gefilmd worden omdat ze bewijs wilden zien dat het was uitgevoerd.
V: Wat heb je toen gedaan?
A: Toen heb ik die instructies uitgevoerd dus gefilmd en uitgevoerd en opgestuurd in die chat. Ik moest mijn telefoon neerzetten en filmen: de draad uitrollen, die was ongeveer 10 meter in ieder geval heel lang en het moment dat ik die draadje op die batterij stak ontplofte het pakket meteen. Het was meteen een harde “boem” en mijn oren die suisden hiervan.
16.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [medeverdachte 2] [17]
V: We willen het gaan hebben over het feit dat jij ervan wordt verdacht betrokken te zijn bij de ontploffing bij de sportschool in Roermond op 14 oktober 2025 omstreeks 00:15 uur.
A: Ik heb steeds aan die dag lopen denk. Jullie mededelen. Snap gestuurd van neef van mij wie heeft fitte spelers. Ik, mijn vriend en een andere jongen werden aan de chat toegevoegd.
V: Wie is jouw neef?
A: Hij heet [medeverdachte 1] en stuurde die Snap.
V: De uitdrukking: wie heeft fitte spelers” betekent dat iets in de straattaal?
A: Ja, wie heeft iemand om iets te doen.
V: Het was jou duidelijk dat hij naar iemand op zoek was.
A: Ja, dat was mij duidelijk.
[medeverdachte 2] , Jij zit ook in deze chatgroep en kan daar uitleg over geven. Leg eens uit hoe dit nu allemaal gegaan?
A: Ik denk omdat ik dat hat doorgestuurd naar [naam 6] , dat ik daarom werd toegevoegd. V: Wat heb jij doorgestuurd?
A: Een zwart scherm met de tekst wie wil een gymzaal ontploffen?
V: Waar komt die vandaan?
A: Van een onbekende Snapchatter die ik nog niet op Snapchat had.
V: Hoe kwam die neef in de groep chat terecht?
A: Die had eerder die avond een reeks gestuurd over die fitte spelers.
V: [medeverdachte 2] . Ik toon je nu een foto van een persoon ( [medeverdachte 1] ). Wie is deze persoon?
A: Ja, dat is mijn neef [medeverdachte 1] .
V: [naam 6] verklaarde vanmorgen dat er 1200 euro betaald zou worden en dat dat verdeeld kon worden tussen [minderjarige 2] , [naam 6] en jou.
A: Ja dat heeft [naam 6] mij na de ontploffing verteld. Die zou naar [minderjarige 2] moeten gaan. Hij had uiteindelijk de bom geplaatst V: Wie zou dat bedrag betalen?
A: De onbekende Snapchatter neem ik aan.
17.
Proces-verbaal van de politie [18]
Onder de [medeverdachte 1] werd een mobiele telefoon inbeslaggenomen.
Aangetroffen images in relatie tot het incident te Roermond
Opvallend is dat er op een gegeven moment in de avond zichtbaar wordt dat er in de Signal app gecommuniceerd wordt met ' [naam 4] ’ en daarna een of meerdere chats volgen in de Snapchat waarin ‘ [naam 7] ’, ‘ [naam 8] ' en ‘ [naam 9] ’ actief zijn. Vervolgens weer in de Signal app gecommuniceerd wordt en daaropvolgend weer in de Snapchat.
18.
Proces-verbaal van de politie [19]
Gebleken is dat [medeverdachte 1] aangestuurd wordt door een persoon, welke ten tijden van het incident op 15/16 oktober 2025 zichzelf ‘ [naam 4] ’ noemt. Het contact tussen [medeverdachte 1] en [naam 4] verloopt via chatapplicatie Signal.
Op 3 oktober 2025 heeft een explosie plaatsgevonden in Antwerpen. Dit is vermoedelijk in opdracht gegaan door [naam 4] via [medeverdachte 1] en uitgevoerd door een minderjarige jongen woonachtig in Tilburg. In de aanloop naar de explosie in Antwerpen heeft [naam 4] de onderstaande berichten gestuurd naar [medeverdachte 1] :
Uit de door [naam 4] verstuurde berichten kan worden opgemaakt dat [naam 4] de uitvoerder van de explosie in Antwerpen ontmoet heeft in Tilburg. Hij zou een rit gemaakt hebben in de nachtelijke uren van 1:13 uur, waarbij hij vermoedelijk de prijzen van taxiservice Bolt te hoog vond en uiteindelijk een rit gevonden heeft voor 200 euro heen en weer.
Uit een bevraging bij Bolt blijkt dat account met nummer [telefoonnummer 2] en emailadres
[e-mailadres] een ritverzoek gedaan heeft op 3 oktober 2025 om 02:46 uur met als ophaallocatie [adres 5] genavigeerd naar [adres 6] .
Opvallend is dat de rit aangevraagd is op 02:46 uur, het exacte moment dat [naam 4] zegt afgeperst te worden door Bolt. Daarnaast is de ophaallocatie gelijk aan de ophaallocatie van de vuurwapens en het explosief, [adres 5] . De afzetlocatie betreft de locatie die [naam 4] om 02:30 uur vragend stuurt naar [medeverdachte 1] . Hieruit kan worden opgemaakt dat het bovengenoemde Bolt account in gebruik is bij [naam 4] .
Gezocht is naar de gebruiker van emailaccount [e-mailadres] . Uit onderzoek is gebleken dat dit emailadres ingelogd was in een in beslag genomen telefoon van een verdachte van een straatroof te Amsterdam gepleegd in 2022. De verdachte bleek te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] .
Uit een bevraging bij Thuisbezorgd blijkt dat op 19 februari 2025 een bestelling is gedaan met het emailadres [e-mailadres] . Hierbij betreft het opgegeven bezorgadres [adres 1] en is als klantnaam opgegeven: [verdachte] .
De moeder van [verdachte] is van Ghanese afkomst wat overeenkomt met het bericht van [naam 4] gedaan op 20-10-2025 21:58:05(UTC+2).
Daarnaast woont [verdachte] aan de [adres 1] wat op 1 minuut lopen afstand ligt van [adres 5] .
Tussen 15-10-2025 om 13:40 uur en 16-10-2025 om 14:33 uur ontvangt [medeverdachte 1] de volgende berichten van [verdachte] (gebruik makende van Signal-account met gebruikersnaam [naam 4] ):
Uit het bovenstaande gesprek kan worden opgemaakt dat
  • [verdachte] aan [medeverdachte 1] vraagt of 'hij' nog wilt schieten maar met een Uzi,
  • [verdachte] voor de opdracht 6000 euro (6k) zegt te gaan betalen aan [medeverdachte 1] ,
  • [verdachte] zegt dat het een tweemansklus is doordat het noodzakelijk is dat het voorval gefilmd wordt,
  • Gesproken wordt over het vervoer van de uitvoerders middels een Bolt taxi rit,
  • [verdachte] aan [medeverdachte 1] instructies geeft op welk doelwit geschoten moet worden welke [medeverdachte 1] moet doorspelen aan de uitvoerders,
  • [verdachte] aan [medeverdachte 1] instructies geeft over de wapenhandelingen van het automatische vuurwapen welke [medeverdachte 1] moet doorspelen aan de uitvoerders,
  • [verdachte] tegen [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 1] hem nooit teleur stelt,
  • [verdachte] herhaaldelijk blijft vragen of contact te krijgen is met de uitvoerders,
  • Wanneer duidelijk geworden is dat de opdracht niet succesvol verlopen is [verdachte] zegt op het matje geroepen te gaan worden door ' [naam 5] ',
  • [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 1] om hem een bericht te sturen via Signal omdat zijn huidige account weggaat.
2.3.2.
Bewijsmotivering
2.3.2.1.
Feit 3 - witwassen
Geen bewijs voor een gronddelict
De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat voor een concreet gronddelict dat de criminele bron vormt voor de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen en andere vermogensbestanddelen.
Juridisch kader witwassen zonder gronddelict
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte een dergelijke verklaring geeft en hiermee tegenwicht heeft gegeven aan het vermoeden van een criminele herkomst, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo een verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Vermoeden van criminele herkomst
Uit het dossier volgt dat in de woning van de destijds 19-jarige verdachte een geldbedrag van in totaal € 80.900,- is aangetroffen. De coupures betroffen € 50,-, € 100,- en € 200,-. Gelet op de hoogte van dit bedrag in voornoemde coupures, de jeugdige leeftijd van de verdachte en het gegeven dat zijn enige inkomsten bestaan uit studiefinanciering en financiële ondersteuning door zijn gezinsleden, is er naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigd vermoeden van een criminele herkomst van het in de tenlastelegging vermelde geldbedrag.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en heeft dus geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van het geld.
Conclusie
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de verdachte onvoldoende tegenwicht gegeven jegens het vermoeden van een criminele herkomst (en behoefde het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek te doen). De conclusie is op grond daarvan en op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen dat het niet anders kan zijn dan dat het bewezen verklaarde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is, dat het ook niet anders zijn kan dan dat de verdachte dit wist en dat hij dit geldbedrag voorhanden heeft gehad.
2.3.2.2.
Identificatie “ [Signal-account] ”
Standpunt verdediging
Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het [Signal-account] aan de verdachte kan worden toegeschreven. Hiertoe is het volgende aangevoerd.
De onderliggende BOB-stukken ten aanzien van de bevraging bij Bolt en Thuisbezorgd ontbreken in het dossier. Derhalve is niet verifieerbaar of er daadwerkelijk vorderingen zijn uitgegaan, of Bolt en Thuisbezorgd aan een eventuele vordering hebben voldaan en of Bolt en Thuisbezorgd de informatie hebben verstrekt zoals weergegeven in het proces-verbaal met documentcode [documentcode 1] . Subsidiair is aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de Bolt-rit heeft aangevraagd, nu niet kan worden vastgesteld dat het betreffende telefoonnummer aan de verdachte kan worden gekoppeld of dat het telefoonnummer op de betreffende data bij de verdachte in gebruik was. Het dossier bevat evenmin bevindingen waaruit volgt dat het e-mailadres
[e-mailadres]op de betreffende data bij de verdachte in gebruik was. Meer subsidiair is aangevoerd dat de omstandigheid dat de verdachte in 2022 en op
19 februari 2025 mogelijk gebruik maakte van het betreffende e-mailadres, niet maakt dat het dan ook wel cliënt moet zijn geweest die via dit e-mailadres op 3 oktober 2025 - bijna acht maanden later - een Bolt-rit heeft aangevraagd. Niet kan worden uitgesloten dat een onbekende derde via Bolt met het betreffende e-mailadres de rit heeft aangevraagd.
Ook bevindt het [adres 5] zich op langere afstand van de woning van de verdachte dan de politie stelt en de omstandigheid dat de verdachte toevallig in de buurt woont van dat adres, levert geen concreet bewijs van betrokkenheid bij het ten laste gelegde op. Datzelfde geldt voor het verstuurde bericht van 20 oktober 2025 over december en Ghana. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het bericht door de verdachte is verzonden. Indien dit wel het geval, dan zegt dit bericht niets.
Beoordeling rechtbank
De bevoegdheid van artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering ziet op het vorderen van gegevens van een derde die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, zoals een (rechts)persoon in de uitoefening van een beroep of bedrijf, indien er aanwijzingen zijn dat deze derde identificerende gegevens over een persoon kan hebben. Deze bevoegdheid kan slechts in geval van verdenking van een misdrijf en ‘in het belang van het onderzoek’ worden uitgeoefend. Dit betreft een politiebevoegdheid waarvoor geen voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris nodig is. Ook heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de waarheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal met documentcode [documentcode 1] . Het ontbreken van de BOB-stukken in het dossier, maakt dan ook niet dat de bevragingen van Bolt en Thuisbezorgd onrechtmatig zijn geweest. Het verweer wordt verworpen.
De verdachte wordt in het dossier geïdentificeerd als de gebruiker van het [Signal-account] . De rechtbank stelt voorop dat de feiten en omstandigheden die tot die identificatie hebben geleid, in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd en dat de bewijswaarde daarvan ook op die wijze moet worden beoordeeld. Concreet betekent dit dat op basis van het samenstel van feiten en omstandigheden, die ieder voor zich (mogelijk) onvoldoende onderscheidend zijn of niet met voldoende mate van zekerheid naar deze specifieke verdachte wijzen om de identificatie te kunnen dragen, desalniettemin buiten redelijke twijfel bewezen kan worden geacht dat de verdachte de gebruiker van het [Signal-account] is geweest. De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de verdachte de gebruiker is geweest van het [Signal-account] . Het standpunt van de verdediging heeft te weinig handen en voeten gekregen. Verdachte heeft zelf niets verklaard over het gebruik van telefoonnummers en emailadressen of anderszins over de verdenkingen. Het enkele suggereren dat het ook wel eens anders kan zijn geweest door de verdediging is in het licht van de bevindingen onvoldoende en het verweer wordt derhalve verworpen.
2.3.2.3.
Feit 1 - verijdelde explosie Rotterdam
Vrijspraak feit 1 primair - medeplegen voorbereiding moord/doodslag en/of ter beschikking stellen/handel wapens
Het wettig en overtuigend bewijs voor het primair tenlastegelegde ontbreekt. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Feit 1 subsidiair - medeplegen poging uitlokking [minderjarige 1]
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Van een strafbare poging tot uitlokking van een misdrijf ex artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht is sprake als een verdachte via uitlokkingsmiddelen probeert een ander te bewegen een misdrijf te begaan, maar dat misdrijf noch een poging daartoe is gevolgd. Om te kunnen spreken van een zogenaamde mislukte uitlokking, mag de aanwending van de uitlokkingsmiddelen dus niet tot een begin van uitvoering hebben geleid. In de onderhavige zaak is [minderjarige 1] reeds op pad gegaan met een vuurwapen en stond hij om de hoek van de woning, reden waarom kan worden gesteld dat sprake was van een begin van uitvoering. Bij die stand van zaken kan een bewezenverklaring van een poging tot uitlokking niet volgen.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een strafbare poging tot uitlokking als bedoeld in artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht van moord en/of doodslag van [slachtoffer] en/of bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van die [slachtoffer] en/of het vernielen en/of beschadigen van een gebouw toebehorende aan die [slachtoffer] .
Van mislukte uitlokking als bedoeld in artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht is sprake als de dader met een van de in artikel 47, lid 1, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde uitlokkingsmiddelen probeert een ander te bewegen een misdrijf te begaan én dat misdrijf noch poging daartoe is gevolgd. Van een strafbare poging is sprake als de dader een begin van uitvoering begaat van zijn voornemen om een misdrijf te begaan en van dat misdrijf zelf (artikel 45 van Pro het Wetboek van Strafrecht). Anders gezegd, constitutief voor de mislukte uitlokking is dat de aanwending van de uitlokkingsmiddelen niet tot (tenminste) een begin van uitvoering heeft geleid. Of dat laatste komt doordat de dader bij de ander geen wilsbesluit heeft gevestigd dan wel de ander wel is bewogen tot het plegen van een misdrijf maar daaraan geen begin van uitvoering heeft gegeven, is niet van belang.
In casu heeft de verdachte via twee tussenpersonen aan [minderjarige 1] instructies doorgegeven ten aanzien van het ophalen van een Uzi met munitie en het gebruik ervan. Ook is voor [minderjarige 1] taxivervoer geregeld naar de betreffende locatie. Aan [minderjarige 1] werd voor het uitvoeren van deze klus geld geboden. [minderjarige 1] is daarop met de Uzi met munitie in zijn rugzak naar de betreffende locatie gereisd, uit de taxi gestapt, richting de portiek van de [adres 2] toegelopen en vervolgens weggelopen richting het Gerrit Sterkmanplein, alwaar de politie [minderjarige 1] heeft aangetroffen en aangehouden. Daar is het bij gebleven. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [minderjarige 1] voorafgaand aan zijn aanhouding heeft getracht de Uzi te tonen of uit zijn rugzak te halen. De rechtbank overweegt dat dat in dit geval een beslissend moment is voor het vaststellen van het al dan niet bestaan van een strafbare poging tot uitlokking. Het enkele gegeven dat [minderjarige 1] met een automatisch vuurwapen in zijn rugzak - terwijl dit voor niemand zichtbaar was - in de buurt van het te beschieten pand liep, is weliswaar op zich al een strafbare gedraging maar maakt niet dat hiermee ook sprake is van een begin van uitvoering van de andere specifieke misdrijven zoals opgenomen in de tenlastelegging. De rechtbank is van oordeel dat derhalve wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met de [medeverdachte 1] heeft gepoogd om [minderjarige 1] uit te lokken tot het plegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van die [slachtoffer] en/of het beschadigen van een gebouw. Het verweer wordt verworpen.
De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot uitlokking van moord en/of doodslag. Ook is de rechtbank het met de verdediging eens dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de uitlokkingsmiddelen geweld, bedreiging, misbruik van gezag en misleiding.
2.3.2.4.
Feit 2 - voorhanden hebben Uzi met munitie
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte - onmiddellijke dan wel middellijke - beschikkingsmacht had over het vuurwapen. Ten aanzien van de onmiddellijke beschikkingsmacht is aangevoerd dat het dossier geen concrete bevindingen bevat waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zelf het vuurwapen met munitie heeft overhandigd aan [minderjarige 1] . Ten aanzien van de middellijke beschikkingsmacht is aangevoerd dat de verdachte de instructies ten aanzien van het gebruik van het vuurwapen niet rechtstreeks aan [minderjarige 1] heeft gegeven, maar aan [medeverdachte 1] . Niet kan worden vastgesteld dat de door de verdachte geschreven instructies daadwerkelijk bij [minderjarige 1] zijn terechtgekomen. Bovendien heeft [minderjarige 1] de gegeven instructies niet daadwerkelijk opgevolgd.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de (verlengde) beschikkingsmacht over het vuurwapen en de munitie heeft gehad. De verdachte heeft immers berichten naar de [medeverdachte 1] gestuurd, die [medeverdachte 1] vervolgens via een tussenpersoon naar [minderjarige 1] heeft doorgestuurd. Deze berichten hebben [minderjarige 1] ook daadwerkelijk bereikt. Hiermee heeft de verdachte via diverse tussenpersonen [minderjarige 1] geïnstrueerd om het vuurwapen met munitie op te halen en concrete instructies gegeven ten aanzien van het gebruik daarvan. Gelet op het voorgaande kan het ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen. Het verweer wordt verworpen.
2.3.2.5.
Feit 5 - explosie Roermond
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij het ten laste gelegde, nu - zoals reeds betoogd - het Signal-account “ [naam 4] ” niet aan de verdachte kan worden toegeschreven. Daarnaast kan uit het bericht “ [adres 5] ” niet worden afgeleid dat de [minderjarige 2] daar heeft getroffen en evenmin dat de [minderjarige 2] op die locatie een explosief heeft overhandigd.
Beoordeling rechtbank
De betrokkenheid van de verdachte als opdrachtgever bij het teweegbrengen van de explosie aan de loods in Roermond blijkt uit het feit dat de verdachte - zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen - kan worden geïdentificeerd als “ [naam 4] ” en uit de inhoud van de door [naam 4] verzonden berichten. Het verweer wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat er geen sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer personen. De verdachte wordt daarvan dus (partieel) vrijgesproken.
2.3.2.6.
Feiten 4 en 6 - criminele uitbuiting minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte geen oogmerk had om de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te buiten. Uit de dossiers blijkt niet dat de verdachte wist dat zij minderjarig waren of daarmee rekening diende te houden. Niet is gebleken dat de verdachte [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kende of dat zij rechtstreeks onderling contact hebben gehad.
Beoordeling rechtbank
Juridisch kader
Aan de verdachte is mensenhandel ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Specifiek wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de strafbare gedragingen zoals omschreven in artikel 273f lid 1, aanhef en sub 2° van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 2° van het Wetboek van Strafrecht
In artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht eerste lid, aanhef en sub 2° is een handeling met het oogmerk van uitbuiting strafbaar gesteld. Anders dan in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht eerste lid, aanhef en sub 1°, is in lid 1 sub 2° voor het aannemen van strafrechtelijke aansprakelijkheid niet de eis gesteld dat sprake moet zijn geweest van het hanteren van (een van de onder 1° genoemde) dwangmiddelen.
Dit onderdeel van de strafbaarstelling van mensenhandel strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd en opzet of schuld daaromtrent is voor het bewijs dan ook niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee diens instemming geen betekenis toekomt.
De handelingen omschreven in lid 1, aanhef en sub 2° zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van een persoon of personen. De vraag of en zo ja, wanneer sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte is behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. In geval van een minderjarig slachtoffer geldt naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten uitbuiten.
Uit jurisprudentie volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden; voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Beoordeling
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder de hiervoor genoemde omstandigheden te werven en/of te vervoeren.
Handelingen: werven en vervoeren
[minderjarige 1]
De verdachte heeft via tussenpersonen instructies gegeven die zien op het uitvoeren van een opdracht, te weten het beschieten van een pand, waarna een betaling zou plaatsvinden. De tussenpersonen hebben deze berichten vervolgens via Snapchat doorgestuurd naar [minderjarige 1] waarop [minderjarige 1] heeft gereageerd. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank de handeling (medeplegen van) ‘werven’ op als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid, aanhef en sub 2°. Ook heeft de verdachte op voornoemde wijze instructies gegeven die zien op het vervoeren van [minderjarige 1] naar en van de locatie. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank de handeling (medeplegen van) ‘vervoeren’ op als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht eerste lid, aanhef en sub 2°.
[minderjarige 2]
De verdachte heeft op voornoemde wijze ook instructies gegeven die zien op het vervoeren van [minderjarige 2] naar en van de locatie waar de opdracht moest worden uitgevoerd. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank de handeling (medeplegen van) ‘vervoeren’ op als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht eerste lid, aanhef en sub 2°.
Oogmerk van uitbuiting
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte bij het werven en/of vervoeren van de minderjarigen handelde met het oogmerk van uitbuiting. In dit kader zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang met betrekking tot de aard en duur van de te verrichten criminele activiteit.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat beide minderjarigen benaderd zijn via Snapchat. Zij zijn beiden toegevoegd aan een groep op Snapchat en kregen via Snapchat hun instructies. Zij zijn daarbij niet bevraagd op vaardigheden, kwalificaties of leeftijd. Het is een feit van algemene bekendheid dat Snapchat veelal gebruikt wordt door minderjarigen.
Uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte de [minderjarige 1] ’s avonds laat een vuurwapen met munitie heeft laten ophalen en vervolgens midden in de nacht naar een andere stad heeft laten vervoeren naar het pand dat beschoten moest worden.
Uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte de [minderjarige 2] ’s avonds een explosief heeft laten ophalen en vervolgens midden in de nacht naar de andere kant van het land heeft laten vervoeren naar het pand waar het explosief tot ontploffing moest worden gebracht.
Het gaat in beide gevallen om een eenmalige inzet van de betreffende minderjarige, althans uit het dossier blijkt niet anders. De duur van de te verrichten activiteit is daarmee beperkt wanneer die wordt vergeleken met andere zaken van criminele uitbuiting waarbij een slachtoffer wordt ingezet voor een reeks van criminele activiteiten. Volgens de Hoge Raad hoeft echter het slechts eenmaal laten plegen van een strafbaar feit niet aan het aannemen van ‘oogmerk tot uitbuiting’ in de weg te staan. In de onderhavige zaak wordt de beperkte duur van de strafbare activiteit - die dus op zichzelf al niet aan het aannemen van een oogmerk tot uitbuiting in de weg staat - bovendien ruimschoots gecompenseerd door de aard van de gedraging. De rechtbank weegt daarin mee dat het gaat om het doen verrichten van een ernstige criminele activiteit waarvan algemeen bekend is dat de pakkans en de veiligheidsrisico’s groot waren, hetgeen niet in verhouding staat tot de beperkte beloofde vergoeding van € 1.000,-, respectievelijk € 1.200,-. De verdachte meende door de gekozen werkwijze buiten schot te kunnen blijven voor wat betreft deze ernstige strafbare feiten.
In beide gevallen bevond de onervaren minderjarige zich midden in de nacht op een voor hem onbekende locatie om een serieus strafbaar feit te plegen en was daarbij volledig afhankelijk van anderen voor vervoer terug naar huis. Het via Snapchat werven en aansturen van (voorzienbaar) een minderjarige voor een éénmalige gevaarlijke en risicovolle klus valt zonder meer onder uitbuiting als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Het oogmerk van de verdachte is daar dan ook op gericht geweest. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
Medeplegen
Uit het dossier blijkt dat de verdachte via social media nauw contact onderhield met de [medeverdachte 1] omtrent de uitvoering van de opdrachten. De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen (in ieder geval) de verdachte en de [medeverdachte 1] .
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
parketnummer 10-288959-25
1.
subsidiair
hij in de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen
heeft gepoogd om een persoon, genaamd [minderjarige 1] door in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door beloften en door het verschaffen van gelegenheid en middelen en inlichtingen te bewegen tot (al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen) de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van die [slachtoffer] en/of beschadigen van een gebouw toebehorende aan die [slachtoffer] ,
(onder meer)
- een geldbedrag in het vooruitzicht heeft gesteld en
- “ op osso bokken/schieten” en/of “moet echt gefilmd” heeft gezegd en
- goederen, te weten een automatisch vuurwapen en bijbehorende munitie ter beschikking heeft gesteld en daarbij heeft uitgelegd hoe je een automatisch vuurwapen moet gebruiken en
- foto’s en/of afbeeldingen en adresgegevens van de woning van voornoemde [slachtoffer] heeft verschaft en/of ter beschikking heeft gesteld en
- een taxi ter beschikking heeft gesteld;
2.
hij op 16 oktober 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met anderen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 2º van de Wet wapens en munitie,
te weten
een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk IMI model Uzi kaliber 9x19mm en
bijbehorende munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en munitie,
te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro de Wet wapens munitie, van de Categorie III
te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 4 november 2025, te Amsterdam
80.900 euro,
Sub b
- voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
parketnummer 10-054640-26
4.
hij in de periode 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen
een ander, te weten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2009
heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] ,
en
ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten (te weten: het plegen van strafbare handelingen/activiteiten)
en
terwijl die [minderjarige 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt (lid 1, sub 2),
door
- via Snapchat en/of Signal contact te (laten) maken en te (laten) onderhouden met die [minderjarige 1] , en
- het (laten) aansturen en/of (laten) instrueren van die [minderjarige 1] om met een vuurwapen op de woning aan de [adres 2] te schieten en die [minderjarige 1] een bedrag van 1000 euro te beloven of voor te houden als hij de opdracht (succesvol) zou uitvoeren en
- het (laten) geven van instructies aan die [minderjarige 1] over het gebruik van het vuurwapen en over de wijze van het uitvoeren van de opdracht en over de exacte locatie dat beschoten moest worden en
- het in contact (laten) brengen van die [minderjarige 1] met één of meerdere medeverdachte(n) ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht en
- het instrueren van die [minderjarige 1] naar een of meerdere locaties te komen ter voorbereiding van de te verrichten opdracht, waaronder het (laten) ophalen van het vuurwapen en
- het (laten) regelen en/of beschikbaar stellen van het vuurwapen ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht door die [minderjarige 1] ;
parketnummer 03-116682-26
5.
primair
hij op 14 oktober 2025 te Roermond,
tezamen en in vereniging met anderen
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht (aan de loods gelegen aan de [adres 7] ), door
- een explosief aan de toegangsdeur van die loods te bevestigen of te plaatsen, en
- vervolgens dat explosief tot ontploffing te brengen door middel van een batterij en koperdraden
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten (de inboedel van) het pand aan de [adres 7] te duchten was;
6.
hij, in de periode 13 oktober 2025 tot en met 14 oktober 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen
een ander, te weten
- [minderjarige 2] heeft geworven en vervoerd, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 2] , en
- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten (te weten: het plegen van strafbare handelingen/activiteiten) en
- terwijl die [minderjarige 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt (lid 1, sub 2), door
- via Snapchat en/of Signal contact te (laten) maken en te (laten) onderhouden met die [minderjarige 2] , en
- het (laten) aansturen en/of (laten) instrueren van die [minderjarige 2] om een explosief op de loods aan de [adres 7] te bevestigen en te doen ontploffen en die [minderjarige 2] en/of medeverdachten een geldbedrag te beloven of voor te houden als hij, [minderjarige 2] , de opdracht (succesvol) zou uitvoeren en
- het (laten) geven van instructies aan die [minderjarige 2] over het gebruik van het explosief en over de wijze van het uitvoeren van de opdracht en over de exacte locatie en plek waar de explosie geplaatst moest worden en
- het in contact (laten) brengen van die [minderjarige 2] met één of meerdere medeverdachte(n) ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht en
- het instrueren van die [minderjarige 2] naar een of meerdere locaties te komen ter voorbereiding van de te verrichten opdracht, waaronder het (laten) aankopen van een batterij en/of het ophalen van het explosief en
- het (laten) regelen en/of beschikbaar stellen van het explosief ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht door die [minderjarige 2] en
- het (laten) regelen van vervoer naar een of meerdere locaties voorafgaand en na afloop van de uit te voeren opdracht door die [minderjarige 2] .

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 subsidiair:
medeplegen van poging tot uitlokking van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen ontstaat,
feit 2:
medeplegen van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie,
feit 3:
witwassen,
feit 4
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 5 primair:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,
feit 6:
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair en 6 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.
Ook dient de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht te worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de [benadeelde partij]
en een gebiedsverbod voor de [locatie] en omgeving met vervangende hechtenis voor de duur van één week per overtreding (met een maximum van zes maanden), alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dient achterwege te blijven. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte zelf in de buurt van de woning is geweest en daarmee ontbreekt de grond voor oplegging van de maatregel.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen geprobeerd om de [minderjarige 1] uit te lokken om een woning in Rotterdam te beschieten met een automatisch vuurwapen. De verdachte heeft zich ook samen met anderen schuldig gemaakt aan de criminele uitbuiting van die [minderjarige 1] door hem via tussenpersonen op social media te werven en het vervoer van [minderjarige 1] te regelen. De verdachte heeft zich hiermee ook schuldig gemaakt aan het samen met anderen voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen met bijbehorende munitie. De verdachte fungeerde hierbij steeds als opdrachtgever, die instructies gaf omrent de opdrachten via tussenpersonen, onder wie de medeverdachte.
Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een loods in Roermond. De verdachte heeft zich ook samen met anderen schuldig gemaakt aan de criminele uitbuiting van de [minderjarige 2] door hem via tussenpersonen op social media te werven voor het teweegbrengen van de ontploffing en het vervoer van [minderjarige 2] te regelen. De verdachte fungeerde hierbij steeds als opdrachtgever die via de medeverdachte als tussenpersoon instructies omrent de opdrachten gaf.
Dit zijn bijzonder ernstige feiten. Beschietingen op en explosieven tot ontploffing brengen bij woningen en panden leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid bij de direct betrokkenen in het bijzonder en bij de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft met zijn handelen de maatschappij en de rechtsorde ernstig geschokt. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor de potentiële slachtoffers. Het inschakelen van minderjarigen om dergelijke misdrijven te laten uitvoeren maakt het nog kwalijker. Er lijkt een trend te zijn waarbij criminelen achteloos gebruik maken van loopjongens en -meisjes als wegwerpartikelen. De minderjarigen lopen voor een kleine beloning aanzienlijke veiligheidsrisico’s en hebben een grote kans om terecht te komen in een strafrechtelijk traject. Daardoor krijgt hun leven een onwenselijke wending en worden hun kansen voor de toekomst niet beter. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 80.900,-. Door zijn handelen heeft de verdachte opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie en de fiscus onttrokken. Dit vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt hierdoor ondermijnd. Verder wordt door witwassen het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en vuurwapenbezit. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapport
In het rapport van de Reclassering van 9 maart 2026 staat het volgende.
Omdat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft de reclassering geen inzage verkregen in mogelijke risico's of delict gerelateerde risicofactoren. De reclassering kan niet adviseren met welke voorwaarden er aan risicobeheersing gewerkt kan worden.
Uit het wegingskader ASR komt het advies tot het toepassen van het volwassenenstrafrecht.
De huidige verdenking heeft plaatsgevonden binnen een schorsingsperiode met verschillende soorten voorwaarden. Er was sprake van jeugdreclasseringscontact en een intensieve behandeling. De jeugdreclassering heeft aangegeven verrast te zijn door deze aanhouding en geeft aan dat de verdachte zich goed aan de voorwaarden en afspraken hield. De elektronische monitoring is in augustus 2025 beëindigd.
Op basis van de informatie uit de justitiële documentatie vermoedt de reclassering dat er sprake is van een crimineel sociaal netwerk of dat de verdachte onderdeel is van een criminele organisatie. De verdachte geeft hierover geen openheid. De reclassering heeft niet kunnen beoordelen welke positie de verdachte binnen dit netwerk heeft en in welke mate en op welke manier hij beïnvloed wordt door anderen.
De reclassering ziet, zeker gezien de jonge leeftijd van de verdachte, de noodzaak om de verdachte te begeleiden in zijn resocialisatie in de maatschappij, indien er beter zicht komt op de risico's. Er zal hierdoor op een ander moment in het strafproces mogelijk wel een opening zijn om hier met de verdachte over in gesprek te gaan en dan kan worden beoordeeld of en met welke voorwaarden er gewerkt kan worden aan gedragsverandering, risicobeheersing en resocialisatie in het kader van voorwaardelijke invrijheidsstelling of detentiefasering.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt - overeenkomstig de eis van de officier van justitie - een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest, opgelegd. De rechtbank volgt hierbij de redenering van de reclassering en de officier van justitie inhoudende dat de verdachte in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling de mogelijkheid krijgt om te werken aan gedragsverandering, risicobeheersing en resocialisatie.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Anders dan de officier van justitie en met de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat oplegging daarvan noodzakelijk is om de maatschappij te beveiligen of om strafbare feiten te voorkomen.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 80.900,- wordt verbeurd verklaard.
Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons heeft de officier van justitie in de tweede termijn opgemerkt dat deze terug worden gegeven aan de beslagenen, nu deze niet op de beslaglijst staan vermeld.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om ten aanzien van de in beslag genomen telefoons van de verdachte (PL1700-2025358082-7048531), zijn moeder (PL1700-2025358082-7048595) en zijn vriendin (PL1700-2025358082-7048598) te beslissen om deze terug te geven aan de beslagenen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Als bijkomende straf voor feit 3 worden de in beslag genomen geldbedragen van € 80.000,- (G7048625) en € 900,- (G7048620) verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. De geldbedragen zijn ook vatbaar voor verbeurdverklaring De geldbedragen behoren aan de verdachte toe en het strafbare feit is met betrekking tot de geldbedragen gepleegd.
Voorts wordt als bijkomende straf voor de feiten 1, 2, 4, 5 en 6 de in beslag genomen telefoon met goednummer PL1700-2025358082-7048531 verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. De mobiele telefoon is ook vatbaar voor verbeurdverklaring. De telefoon behoort aan de verdachte toe en de strafbare feiten zijn met behulp van die telefoon gepleegd.
De rechtbank beslist tot de bewaring van de in beslag genomen telefoons met goednummers PL1700-2025358082-7048595 en PL1700-2025358082-7048598 ten behoeve van de rechthebbenden.

6.Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dat verzoek af, gelet op de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en de thans aanwezige gronden die aan de voorlopige hechtenis (in zowel de strafzaak met parketnummer 10-288959-25 als de strafzaak met parketnummer 03-116682-26) ten grondslag liggen, te weten de twaalfjaarsgrond en recidivegrond. Met deze beslissing blijft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in stand.

7.Vordering van de benadeelde partij

7.1.
Vordering [benadeelde partij]
Namens de [benadeelde partij] heeft mr. N. Amine voor feit 1 € 527,22 als vergoeding voor materiële schade en € 16.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade. Ook dient de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht te worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de benadeelde partij en een gebiedsverbod voor de woning van de benadeelde partij en de nabije omgeving, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de materiële schade geheel worden toegewezen.
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.
De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat de hoogte van het gevorderde bedrag fors dient te worden gematigd.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
7.4.1.
Materiële schade
De rechtbank wijst de vordering af, nu er geen sprake is van verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek. In die bepaling staat, kort gezegd, dat alleen verplaatste schade van een derde/naaste voor vergoeding in aanmerking komen. Van ‘verplaatste schade’ is sprake als derden kosten hebben gemaakt ten behoeve van het slachtoffer die het slachtoffer zelf had kunnen vorderen, als het slachtoffer deze kosten zelf had gemaakt.
Ten aanzien van de gevorderde kosten voor het verlies van het huurgenot van de woning oordeelt de rechtbank dat deze kosten niet zijn aan te merken als verplaatste schade. De ouders van het slachtoffer zijn zelf de huurders van de woning. Deze kosten zijn – ondanks dat het slachtoffer nog bij zijn ouders woont – in die zin niet ten behoeve van het slachtoffer gemaakt en het slachtoffer had deze kosten in beginsel ook niet zelf als rechtstreekse schade kunnen vorderen.
7.4.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in zijn persoon aangetast. De benadeelde partij leeft blijkens de toelichting een geïsoleerd leven vol wantrouwen naar de buitenwereld. Door deze angstgevoelens slaapt hij slecht en kampt hij met een constant gevoel van alertheid. Dit maakt hem somber en prikkelbaar.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
7.4.3.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededaders gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
7.4.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 16 oktober 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 46a, 47, 57, 63, 157, 273f, 285, 352 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair en 6 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 5 (vijf) jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd voor feit 3: de in beslag genomen geldbedragen van € 80.000,- (G7048625) en € 900,- (G7048620);
- verklaart verbeurd voor feiten 1, 2, 4, 5 en 6: de in beslag genomen telefoon met goednummer PL1700-2025358082-7048531;
- beveelt de bewaring van de in beslag genomen telefoons met goednummers PL1700-2025358082-7048595 en PL1700-2025358082-7048598 ten behoeve van de rechthebbenden;
Voorlopige hechtenis
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
Vordering benadeelde partij
Materiële schade
wijst af de door de [benadeelde partij] gevorderde materiële schade;
Immateriële schade
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de [benadeelde partij]
(feit 1), te betalen een bedrag van €
1.000,- (duizend euro)als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 16 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1) dat ziet op immateriële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat
€ 1.000,- (duizend euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
10 (tien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.

10.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boersma, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en R.E. Drenth, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 juli 2026.
Mr. Drenth is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
parketnummer 10-288959-25
1.
primair
hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te
Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of doodslag (als omschreven in artikel 289 en Pro 287 Wetboek van Strafrecht) en/of het zonder erkenning ter beschikking stellen aan een ander en/of het verhandelen van één of meer wapens van categorie II en munitie van categorie III, als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie,
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen,
te weten
- meerdere, althans een, mobiele telefoon(s) om met anderen te communiceren over dit strafbare feit en/of van/aan anderen instructies en/of informatie te krijgen en/of te verstrekken met betrekking tot dit strafbare feit en/of
- een vuurwapen en/of (bijbehorende) munitie en/of
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd,
doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te
Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
heeft gepoogd om een persoon, genaamd [minderjarige 1] door (een) in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermeld(e) middel(en), te weten door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen tot (al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen) de moord en/of doodslag van [slachtoffer] en/of de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van die [slachtoffer] en/of het vernielen en/of beschadigen van een gebouw toebehorende aan die [slachtoffer] ,
(onder meer)
- een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht heeft gesteld en/of
- “ op osso bokken/schieten” en/of “moet echt gefilmd”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, heeft gezegd en/of
- een of meer goederen, te weten een (automatisch) vuurwapen en/of (bijbehorende munitie) heeft verschaft en/of ter beschikking heeft gesteld en/of (daarbij) heeft uitgelegd hoe je een (automatisch) vuurwapen moet gebruiken en/of
- foto’s en/of afbeeldingen en/of adresgegevens van voornoemde [slachtoffer] en/of de woning van voornoemde [slachtoffer] heeft verschaft en/of ter beschikking heeft gesteld en/of
- ( contactgegevens van) een taxi heeft verschaft en/of ter beschikking heeft gesteld;
2.
hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in
elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 2º van de Wet wapens en munitie,
te weten
een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk IMI model Uzi kaliber 9x19mm en/of
(bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en munitie,
te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro de Wet wapens munitie, van de Categorie III
te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 4 november 2025, te Amsterdam, althans in Nederland
(van) 80.900 euro, althans enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die
voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,
en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -
afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of uit enig eigen misdrijf;
parketnummer 10-054640-26
4.
hij, in of omstreeks de periode 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Rotterdam
en/of Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, te weten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2009
heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] ,
en/of
ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (te weten: het plegen van strafbare handelingen/activiteiten) dan wel ten aanzien van die [minderjarige 1] enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [minderjarige 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: het plegen van strafbare handelingen/activiteiten)
en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [minderjarige 1] ,
terwijl die [minderjarige 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft/hebben bereikt (lid 1, sub 2),
door
- via Snapchat en/of Signal, althans een chatdienst, contact te (laten) maken en/of te (laten) onderhouden met die [minderjarige 1] , en/of
- het (laten) aansturen en/of (laten) instrueren van die [minderjarige 1] om met een vuurwapen op de woning aan de [adres 2] te schieten en/of die [minderjarige 1] een bedrag van 1000 euro te beloven en/of voor te houden als hij de opdracht (succesvol) zou uitvoeren en/of
- het (laten) geven van instructies aan die [minderjarige 1] over het gebruik van het vuurwapen en/of over de wijze van het uitvoeren van de opdracht en/of over de/het exacte locatie/doelwit dat beschoten moest worden en/of
- het in contact (laten) brengen van die [minderjarige 1] met één of meerdere medeverdachte(n) ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht en/of
- het instrueren van die [minderjarige 1] naar een of meerdere locaties te komen ter voorbereiding van de te verrichten opdracht, waaronder het (laten) ophalen van het vuurwapen en/of
- het (laten) regelen en/of beschikbaar stellen van het vuurwapen ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht door die [minderjarige 1] ;
parketnummer 03-116682-26
5.
primair
hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Roermond,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht (aan/bij de loods gelegen aan de [adres 7] ), door
- een explosief bij en/of aan de toegangsdeur van die loods te bevestigen en/of te plaatsen, en/of
- ( vervolgens) dat explosief tot ontploffing te brengen en/of te laten brengen door middel van een batterij en/of (koper)dra(a)d(en)
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten (de inboedel van) het pand aan de [adres 7] en/of een of meer daarnaast gelegen woning(en) en/of panden, in ieder geval een (of meer) goed(eren), en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer personen, te weten de in de daarnaast gelegen woning(en) en/of panden en/of in de nabijheid/omgeving van het pand aan de [adres 7] aanwezige pers(o)n(en), te duchten was;
subsidiair
[minderjarige 2] , op of omstreeks 14 oktober 2025 te Roermond,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht (aan/bij de loods gelegen aan de [adres 7] ), door
- een explosief met flitspoeder bij en/of aan de toegangsdeur van die loods te bevestigen en/of te plaatsen, en/of
- ( vervolgens) dat explosief met flitspoeder tot ontploffing te brengen en/of te laten brengen door middel van een batterij en/of (koper)dra(a)d(en)
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten (de inboedel van) het pand aan de [adres 7] en/of een of meer daarnaast gelegen woning(en) en/of panden, in ieder geval een (of meer) goed(eren), en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer personen, te weten de in de daarnaast gelegen woning(en) en/of panden en/of in de nabijheid/omgeving van het pand aan de [adres 7] aanwezige pers(o)n(en), te duchten was,
welke strafbare feiten hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 oktober 2025 te Roermond en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of middelen en/of inlichtingen, bestaande uit:
- het via snapchat, althans een berichtenapplicatie, (laten) werven van 'fitte spelers'
om de explosie bij een pand te Roermond uit te doen voeren en/of;
- ( vervolgens) het (laten) overhandigen van het explosief aan de uitvoerder, zijnde
[minderjarige 2] en/of
- het (doen) regelen van vervoer van die [minderjarige 2] naar de locatie te Roermond
en/of- het (doen) verschaffen van de locatie van het pand te Roermond en/of
- het (doen) geven van instructies hoe het explosief moet worden geplaatst en/of
- het aan die [minderjarige 2] en/of andere mededaders geven, althans in het vooruitzicht (doen) stellen van een geldbedrag als tegenprestatie;
6.
hij, in of omstreeks de periode 13 oktober 2025 tot en met 14 oktober 2025 te Amsterdam en/of Roermond, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, te weten
- [minderjarige 2] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 2] , en/of
- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (te weten: het plegen van strafbare handelingen/activiteiten) dan wel ten aanzien van die [minderjarige 2] enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [minderjarige 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: het plegen van strafbare handelingen/activiteiten) en/of
- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [minderjarige 2] ,
- terwijl die [minderjarige 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet heef bereikt (lid 1, sub 2), door
- via Snapchat en/of Signal, althans een chatdienst, contact te (laten) maken en/of te (laten) onderhouden met die [minderjarige 2] , en/of
- het (laten) aansturen en/of (laten) instrueren van die [minderjarige 2] om een explosief op de loods aan de [adres 7] te bevestigen en te doen ontploffen en/of die [minderjarige 2] en/of medeverdachten een geldbedrag te beloven en/of voor te houden als hij, [minderjarige 2] , de opdracht (succesvol) zou uitvoeren en/of
- het (laten) geven van instructies aan die [minderjarige 2] over het gebruik van het explosief en/of over de wijze van het uitvoeren van de opdracht en/of over de exacte locatie en/of plek waar de explosie geplaatst moest worden en/of
- het in contact (laten) brengen van die [minderjarige 2] met één of meerdere medeverdachte(n) ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht en/of
- het instrueren van die [minderjarige 2] naar een of meerdere locaties te komen ter voorbereiding van de te verrichten opdracht, waaronder het (laten) aankopen van een batterij en/of het ophalen van het explosief en/of
- het (laten) regelen en/of beschikbaar stellen van het explosief ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht door die [minderjarige 2] en/of
- het (laten) regelen van vervoer naar een of meerdere locaties voorafgaand en na afloop van de uit te voeren opdracht door die [minderjarige 2] .

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Glans met documentcode [documentcode 2] , zaaksdossier Glans met documentcode [documentcode 3] (voorgeleidingsdossier), zaaksdossier Laut met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] of zaaksdossier Nightwing met documentcode [documentcode 4] .
2.Zaaksdossier Glans (voorgeleidingsdossier) - relaas.
3.Zaaksdossier Glans (voorgeleidingsdossier) - proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .
4.Verklaard tijdens de zitting van 1 juli 2026.
5.Zaaksdossier Glans - pagina 1 e.v. - proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .
6.Zaaksdossier Glans - pagina 4 e.v. - proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .
7.Zaaksdossier Glans (voorgeleidingsdossier) - registratienummer [proces-verbaalnummer 5] .
8.Zaaksdossier Glans - pagina 18 e.v. - proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .
9.Zaaksdossier Glans - pagina 31 e.v. - documentcode [documentcode 5] .
10.Zaaksdossier Glans - pagina 76 e.v. - documentcode [documentcode 6] .
11.Zaaksdossier Glans - pagina 80 e.v. - documentcode [documentcode 7] .
12.Zaaksdossier Glans - pagina 88 e.v. - documentcode [documentcode 1] .
13.Zaaksdossier Glans - pagina 27 e.v. - documentcode [documentcode 8]
14.Zaaksdossier Nightwing - pagina 27 e.v. - documentcode [documentcode 8]
15.Zaaksdossier Nightwing - p. 223 e.v. - rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 februari 2026, zaaknummer 2025.10.28.130
16.Zaaksdossier Nightwing - p. 492 e.v. – documentcode [documentcode 9]
17.Zaaksdossier Nightwing - p. 604 e.v. – documentcode [documentcode 4]
18.Zaaksdossier Nightwing - pagina 394 e.v. – proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .
19.Zaaksdossier Glans - pagina 88 e.v. - documentcode [documentcode 1] .