Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[verdachte],
gedetineerd in [naam PI],
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf, waarvan hij op 18 maart 2024 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Het Openbaar Ministerie besloot op 12 januari 2026 de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen vanwege het niet naleven van voorwaarden en een ongewenstverklaring.
De veroordeelde stelde bezwaar in tegen deze herroeping, stellende dat de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling pas op 22 november 2024 begon, terwijl hij feitelijk al op 18 maart 2024 in vrijheid was gesteld. Hij betoogde dat de latere betekening onrechtvaardig was en dat de nieuwe veroordelingen en ongewenstverklaring na de vermeende proeftijd plaatsvonden.
Het Openbaar Ministerie voerde aan dat de proeftijd pas start bij de betekening van de beslissing, welke na meerdere pogingen op 22 november 2024 plaatsvond. De veroordeelde was niet bereikbaar op de bekende adressen, waardoor de latere betekening niet aan het OM te wijten was.
De rechtbank oordeelde dat de proeftijd terecht startte bij de betekening en dat het OM voldoende inspanningen had verricht om de akte te betekenen. De verantwoordelijkheid voor het niet bereikbaar zijn lag bij de veroordeelde. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot herbeoordeling van het strafrestant en de proeftijd werd afgewezen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt ongegrond verklaard en de herroeping blijft in stand.