ECLI:NL:RBROT:2026:9315

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
FT RK 26/312
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FaillissementswetArt. 3:13 lid 2 BWArt. 6 FaillissementswetArt. 6:119 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faillissementsverzoek wegens gebrek aan redelijke kans van slagen en misbruik van bevoegdheid

Verzoeker diende een faillissementsverzoek in tegen GGP B.V. wegens betwiste vorderingen gerelateerd aan opzegboetes die GGP aan klanten in rekening bracht. Verzoeker vertegenwoordigt meerdere klanten en heeft een vordering als cessionaris overgenomen. GGP betwist de vorderingen en stelt dat zij niet in staat van faillissement verkeert, mede door een kredietlijn van haar moedermaatschappij Eneco.

De rechtbank voerde een summier onderzoek uit en concludeerde dat verzoeker niet heeft aangetoond dat het verweer van GGP in een bodemprocedure zonder redelijke kans van slagen is. Er is geen sprake van pluraliteit van schuldeisers en betalingsonmacht. Het faillissementsverzoek wordt daarom afgewezen.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verzoeker misbruik maakt van zijn bevoegdheid door het faillissementsverzoek in te dienen terwijl hij wist dat GGP niet failliet is en de vorderingen betwist worden. Het verzoek wordt gezien als een oneigenlijk pressiemiddel, mede omdat verzoeker het faillissementsverzoek publiekelijk bekendmaakte, wat reputatieschade voor GGP veroorzaakte.

Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van GGP, vastgesteld op €1.306,- vermeerderd met wettelijke rente. De uitspraak is gedaan door rechter J.T.P. Pot op 14 juli 2026.

Uitkomst: Het faillissementsverzoek tegen GGP B.V. wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht en misbruik van bevoegdheid door verzoeker.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Rekestnummer: C/10/721107 / FT RK 26/312
BESCHIKKING op het verzoek van:
[verzoeker]
handelend onder de namen:
[handelsnaam 1],
[handelsnaam 2],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat: mr. M.B. Bollen,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GGP B.V.
handelend onder de namen:
Gulf gas and power,
GGP,
GGP Energy,
gevestigd te Rotterdam,
verweerster,
advocaten: mr. I.J. Rozendal en L. Gasseling.

1.De procedure

Op 8 juni heeft verzoeker een verzoekschrift (met producties) ingediend tot faillietverklaring van verweerster. Met haar e-mail van 3 juli 2026 heeft verweerster een verweerschrift (met producties) ingediend. Met haar e-mail van 7 juli 2026 heeft verweerster aanvullende producties ingediend.
Op 7 juli 2026 is het verzoek in raadkamer behandeld. Verzoeker en mr. Bollen zijn verschenen. Namens verweerster zijn mr. Rozendal, mr. Gasseling en [naam], managing director van verweerster, verschenen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De standpunten

Standpunt verzoeker
Het standpunt van verzoeker kan als volgt worden samengevat. Verzoeker helpt met zijn onderneming [handelsnaam 2] bedrijven/klanten om (onterecht opgelegde) boetes die in rekening worden gebracht bij een overstap van GGP B.V. (verder: GGP) naar een andere energieleverancier terug te halen. De klanten, inmiddels ruim 200, machtigen verzoeker om namens hen GGP aan te schrijven en zo nodig rechtsmaatregelen te nemen. Verzoeker heeft als cessionaris recent zelf een vordering overgedragen gekregen van een voormalige klant van GGP, te weten [bedrijf] Verzoeker kan zich als cessionaris niet verenigen met de opgelegde boete (+ rente en kosten) en wenst de betaalde bedragen terugbetaald te krijgen van GGP. Daarnaast heeft verzoeker de last verkregen van een drietal andere voormalig klanten van GGP.
Ondanks verzoek en sommatie daartoe weigert GGP de ten onrechte in rekening gebrachte en betaalde opzegboetes terug te betalen. GGP weigert terugbetaling terwijl GGP in meerdere gerechtelijke uitspraken is veroordeeld tot terugbetaling van de opzegboete. In die uitspraken waren de feiten identiek, of in ieder geval zeer gelijkend, aan het onderhavige geval. GGP is naar aanleiding van de sommaties niet over gegaan tot terugbetaling van de betreffende opzegvergoedingen. Ook inhoudelijke reacties zijn uitgebleven. Het enige dat GGP thans — buiten verzoeker als gemachtigde om — doet is klanten op individuele basis benaderen teneinde de klanten 'monddood' te maken.
Standpunt verweerster
Het standpunt van verweerster kan als volgt worden samengevat. Aan de materiële vereisten voor toewijzing van het verzoek wordt evident niet voldaan. Het verzoek ziet op betwiste vorderingen die niet summierlijk kunnen worden vastgesteld en van pluraliteit van schuldeisers is geen sprake. Evenmin verkeert GGP in de faillissementstoestand als bedoeld in artikel 1 Faillissementswet Pro.
GGP is in het najaar van 2025 overgenomen door Eneco Zakelijk (verder: Eneco) en daarmee onderdeel geworden van een van de grootste energieleveranciers van Nederland. Eneco heeft sinds de overname een doorlopende kredietlijn aan GGP ter beschikking gesteld op basis waarvan GGP (ruimschoots) aan haar lopende verplichtingen kan voldoen. Er is dus geen sprake van betalingsonmacht: de vermeende vorderingen - die door verzoeker worden begroot op €22.589,26 (incl. BTW) in totaal - worden niet betaald omdat deze ongegrond zijn en worden betwist. De opzegvergoedingen waartegen bezwaar wordt gemaakt zijn immers terecht op grond van de contractuele voorwaarden in rekening gebracht.
Er is bovendien geen pluraliteit van schuldeisers. Als zou worden aangenomen dat verzoeker zelf een vordering zou hebben op GGP, wat wordt betwist, heeft in elk geval te gelden dat de door verzoeker aangevoerde steunvorderingen niet bestaan althans niet summierlijk kunnen worden vastgesteld in de onderhavige insolventieprocedure gelet op het gemotiveerde verweer van GGP. Het gaat namelijk steeds om klachten over opzegvergoedingen die GGP bij klanten in rekening heeft gebracht op grond van de contractuele voorwaarden, nadat zij hun vaste energiecontract vroegtijdig hebben beëindigd. Het hiervoor besproken inhoudelijke verweer van GGP geldt ook voor deze klanten.
GGP is sinds de overname door Eneco in overleg met verschillende (voormalige) klanten om tot een correcte en zorgvuldige afwikkeling te komen van discussies over de (eind)afrekening en contractuele opzegvergoeding. Daarbij worden de specifieke omstandigheden van iedere klant, waaronder het relevante contract, de looptijd daarvan en het verbruik, zorgvuldig meegewogen. Verzoeker probeert dit traject te doorkruisen door deze faillissementsaanvraag in te dienen. Een dergelijke aanvraag en agressieve proceshouding vormt misbruik van het faillissementsrecht en zorgt juist voor vertraging in het afwikkelingsproces. Het is duidelijk dat met het verzoek geen enkel rechtens te respecteren belang wordt gediend en uitsluitend wordt ingezet om GGP op oneigenlijke gronden tot betaling te dwingen.
Bovendien handelt verzoeker in strijd met de verplichting uit hoofde van artikel 21 Rv Pro door de van belang zijnde feiten en omstandigheden niet volledig en naar waarheid aan te voeren in het verzoekschrift. Verzoeker stelt dat uit twee overgelegde rechtbankvonnissen bij het verzoekschrift blijkt dat de betreffende opzegboetes in situaties als deze nimmer in rekening gebracht hadden mogen worden
.Dit is onjuist. Deze vonnissen binden alleen de personen die in deze procedures partij waren. Dit betreft niet verzoeker of de ingebrachte steunvorderingen. De vorderingen waarop het verzoek betrekking heeft zijn niet in rechte vastgesteld en moeten op hun eigen merites worden beoordeeld. Dit is gelet op het verweer van GGP niet mogelijk in een faillissementsprocedure waarin slechts een summierlijke toets plaatsvindt en waarin geen (uitgebreide) bewijslevering mogelijk is.
Volgens verweerster wendt verzoeker het faillissementsverzoek aan als oneigenlijk pressiemiddel om betaling van uitdrukkelijk betwiste vorderingen af te dwingen. Verzoeker weet dat GGP beschikt over een substantiële door Eneco verstrekte kredietlijn en daarom evident niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, noch is sprake van enig verhaalsrisico zijdens verzoeker. Verzoeker weet ook dat de gepretendeerde vorderingen gemotiveerd worden betwist. Desondanks kiest verzoeker er bewust voor om niet de aangewezen weg van een bodemprocedure te bewandelen, wat de aangewezen route is voor een gedegen inhoudelijke beoordeling en bewijslevering. Verzoeker heeft geen rechtens te respecteren belang bij het faillissementsverzoek. Daarnaast heeft verzoeker op zijn website gepubliceerd dat hij het faillissement van GGP heeft aangevraagd. Dit bericht is gelezen door verschillende klanten van GGP, wat de nodige onrust heeft veroorzaakt. Het handelen van verzoeker leidt dan ook tot reputatieschade voor GGP, terwijl daar geen enkele aanleiding voor bestaat.
GGP heeft een zwaarwegend belang om niet op basis van betwiste vorderingen van beperkte omvang failliet te worden verklaard. Een faillissement zou voor GGP en haar stakeholders, waaronder moedermaatschappij Eneco, haar werknemers en haar circa 30.000 klanten, ingrijpende en mogelijk onomkeerbare gevolgen hebben. GGP verzoekt verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van verzoeker af te wijzen, met veroordeling van verzoeker in de daadwerkelijk door GGP gemaakte en nog te maken kosten van dit geding, althans in een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
Nader standpunt verzoeker
Verzoeker begrijpt het verwijt van misbruik van recht niet. Aan dit faillissementsverzoek is het nodige voorafgegaan. Er is gecorrespondeerd, gesommeerd, geprocedeerd (ook bij de Geschillencommissie), er is overleg gevoerd en geprobeerd om tot een oplossing te komen. Ondertussen bleef GGP iedere aansprakelijkheid afwijzen en werden de onderliggende rechtsvragen telkens vooruitgeschoven. Onder die omstandigheden staat het iedere schuldeiser vrij gebruik te maken van het rechtsmiddel dat de Faillissementswet biedt. Dat is geen misbruik van recht, maar het uitoefenen van een bevoegdheid die de wet juist aan een schuldeiser toekent. Het enkele feit dat GGP de vordering betwist, maakt het faillissementsverzoek niet onrechtmatig.

3.De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
Ingevolge artikel 6 van Pro de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek had na een kort, eenvoudig onderzoek van het vorderingsrecht van verzoeker moeten blijken. Verweerster heeft de vorderingen gemotiveerd en gedocumenteerd betwist. Verzoeker is er niet in geslaagd aan te tonen dat deze betwisting aanstonds verworpen dient te worden. Op basis van summierlijk onderzoek kan thans niet worden geconcludeerd dat het verweer van verweerster in een bodemprocedure zonder redelijke kans van slagen is. Dit maakt dat de rechtbank thans niet kan uitgaan van een vorderingsrecht van verzoeker, zodat het verzoek reeds op die grond wordt afgewezen en verder onderzoek achterwege kan blijven.
Misbruik van bevoegdheid
Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker misbruik van zijn bevoegdheid maakt door het faillissement van verweerster aan te vragen. Op grond van artikel 3:13 lid 2 BW Pro kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt
door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
In beginsel is een schuldeiser bevoegd om het aanvragen van het faillissement van een schuldenaar te gebruiken als pressiemiddel om betaling van zijn of haar vordering af te dwingen. Als later blijkt dat er discussie bestaat over de vordering en niet summierlijk kan worden vastgesteld dat een verzoeker een vordering heeft, betekent dat niet automatisch dat de verzoeker misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid het faillissement aan te vragen.
De onderhavige faillissementsaanvraag vindt plaats tegen de achtergrond van een geschil over al dan niet ten onrechte in rekening gebrachte opzegboetes. Verzoeker is al drie jaar in gesprek met GGP over deze opzegboetes. Verzoeker wist dan ook al geruime tijd dat de vorderingen door GGP worden betwist. Verzoeker wist ten tijde van het indienen van de faillissementsaanvraag ook dat verweerster niet in een toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Het was voor verzoeker dan ook duidelijk, althans dat had het voor verzoeker redelijkerwijs moeten zijn, dat een faillissementsverzoek gericht tegen GGP geen kans van slagen had. Tegen deze achtergrond kan het volharden in de aanvraag niet langer worden aangemerkt als een gerechtvaardigd pressiemiddel. Het lag op de weg van verzoeker om eerst een bodemprocedure te starten om de vorderingen in rechte vast te stellen, zoals hij in het verleden voor zijn klanten ook (met succes) heeft gedaan. Door bovendien het indienen van de faillissementsaanvraag bekend te maken op zijn website heeft verzoeker de kans op in het leven geroepen dat GGP schade ondervindt van deze aanvraag. Zoals GGP heeft toegelicht, is er onrust ontstaan bij haar klanten. Onder deze omstandigheden heeft verzoeker, gelet op de belangen van verweerster bij het uitblijven van een faillissement, misbruik gemaakt van de bevoegdheid het faillissement van GGP aan te vragen.
Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding om verzoeker te veroordelen in de proceskosten van verweerster. Verweerster heeft in haar verweerschrift verzocht verzoekster te veroordelen in de volledige proceskosten. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, hoewel dit mogelijk is bij misbruik van procesbevoegdheid, hiermee terughoudend moet worden omgegaan. Alleen in uitzonderlijke gevallen is een volledige proceskostenveroordeling op zijn plaats. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier geen sprake. Voor de hoogte van de proceskostenveroordeling wordt dan ook aangesloten bij de forfaitaire proceskostenvergoeding als bedoeld in de artikel 237 – 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hoewel in een verzoekschrift tot faillietverklaring vorderingen met hun waarde moeten worden vermeld, betreft een faillietverklaring een zaak van onbepaalde waarde. De proceskosten zullen dan ook worden vastgesteld op twee punten maal tarief II in eerste aanleg = € 1.306,- (overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2026), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring;
- veroordeelt verzoeker in de proceskosten van verweerster tot een bedrag van € 1.306,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
Deze beschikking is op 14 juli 2026 gegeven door mr. J.T.P. Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.P. van Wieringen, griffier. [1]