ECLI:NL:RBROT:2026:933

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/10/701102/HA ZA 25-484
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verdrag huwelijksvermogensregime 1978Art. 4 lid 2 Verdrag huwelijksvermogensregime 1978Art. 5 Verdrag huwelijksvermogensregime 1978Art. 7 lid 2 Verdrag huwelijksvermogensregime 1978Art. 8 Verdrag huwelijksvermogensregime 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing Algerijns huwelijksvermogensrecht leidt tot gescheiden vermogens en eigendom woning

De man en vrouw zijn in Algerije getrouwd en hebben beiden de Algerijnse nationaliteit gehad. De man kocht de woning vóór het huwelijk en de vrouw vestigde zich pas na het huwelijk in Nederland. De echtscheiding werd in 2019 in Algerije uitgesproken. De woning werd in 2025 verkocht en de netto-verkoopopbrengst staat in depot bij de notaris.

De man vordert dat hij als enige rechthebbende op de verkoopopbrengst wordt erkend, stellende dat Algerijns huwelijksvermogensrecht van toepassing is en de vermogens gescheiden zijn gebleven. De vrouw betwist dit en stelt dat Nederlands recht geldt, waardoor de woning onderdeel is van de huwelijksgemeenschap.

De rechtbank stelt vast dat op grond van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (1978) Algerijns recht van toepassing is, omdat partijen bij huwelijk een gemeenschappelijke nationaliteit hadden en hun eerste gewone verblijfplaats na huwelijk niet op hetzelfde grondgebied was gevestigd. Ook na verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door de vrouw in 2013 blijft Algerijns recht van toepassing op het vermogen van vóór die datum.

Volgens het Algerijnse recht is sprake van gescheiden vermogens, waardoor de man eigenaar is gebleven van de woning. De rechtbank wijst de vorderingen van de man toe en veroordeelt de vrouw om de notaris toestemming te verlenen de netto-verkoopopbrengst aan de man te betalen. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De man is als enige rechthebbende erkend van de netto-verkoopopbrengst van de woning op grond van Algerijns huwelijksvermogensrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/701102 / HA ZA 25-484
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te Gouda,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens,
tegen
[gedaagde],
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Koçak.

1.De zaak in het kort

De man en de vrouw zijn getrouwd geweest. De netto-verkoopopbrengst van de echtelijke woning, die vóór het huwelijk is gekocht door de man, staat in depot bij de notaris. Volgens de man is hij enig rechthebbende op de verkoopopbrengst omdat Algerijns huwelijksvermogensrecht van toepassing is en de vermogens van partijen dus gescheiden zijn gebleven. Volgens de vrouw is zij mede rechthebbende op de verkoopopbrengst omdat Nederlands recht van toepassing is en de woning dus onderdeel is geworden van de huwelijksgemeenschap van partijen. De rechtbank stelt de man in het gelijk.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord, met productie 1;
  • het e-mailbericht van de rechtbank van 18 november 2025 met een zittingsagenda;
  • het e-mailbericht van de rechtbank van 24 november 2025 met een verzoek om nadere stukken;
  • de huwelijksakte, overgelegd door de vrouw;
  • de brief van de man van 2 december 2025, met producties 8 tot en met 12;
  • de akte uitlaten van de vrouw van 15 december 2025;
  • de producties 13 tot en met 16 van de man;
  • het uittreksel BRP van de vrouw;
  • de mondelinge behandeling op 15 december 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
De man heeft op 17 juli 2006 de woning aan de [adres] gekocht.
3.2.
Partijen zijn op [datum] in Algerije getrouwd. De man woonde toen in Nederland en is enkele dagen na de huwelijkssluiting teruggegaan naar Nederland.
3.3.
De vrouw heeft zich op 15 oktober 2007 in Nederland gevestigd.
3.4.
De man heeft (en had op 7 februari 2007) de Algerijnse nationaliteit en heeft sinds 7 mei 2001 ook de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft (en had op 7 februari 2007) de Algerijnse nationaliteit en heeft sinds 27 februari 2013 ook de Nederlandse nationaliteit.
3.5.
In 2019 is op verzoek van de man in Algerije de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.6.
De woning is op 11 maart 2025 verkocht aan een derde. De levering heeft plaatsgevonden op 6 mei 2025.
3.7.
Tussen partijen heeft een kortgedingprocedure over de woning plaatsgevonden. Ter beëindiging van hun geschil zijn partijen overeengekomen dat de vrouw zou meewerken aan de levering van de woning aan de koper en dat de netto-verkoopopbrengst in depot zou blijven bij de notaris. Ook is afgesproken dat de man een bodemprocedure zou starten ter beantwoording van de vraag of de vrouw mede-eigenaar is van de woning.

4.Het geschil

4.1.
Volgens de man is het huwelijksvermogensregime van partijen onderworpen aan Algerijns recht, en is van een huwelijksgemeenschap tussen partijen dus geen sprake, zodat hij enig eigenaar van de woning is. De man vordert daarom bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
“I. te verklaren voor recht dat eiser dient te gelden als enige rechthebbende op de netto
overwaarde betreffende de verkoop en levering van de woning staande en gelegen te [adres] als gedeponeerd onder notaris [naam notaris], althans [naam kantoor];
II. gedaagde te veroordelen om op eerste verzoek van eiser aan gedaagde om de notaris [naam notaris]
, althans [naam kantoor], toestemming te verlenen om de netto
overwaarde verminderd met nog eventueel aan de notaris in verband met de depotovereenkomst verschuldigde kosten, aan eiser te betalen met bepaling dat indien gedaagde daaraan geen gevolg geeft, het ten deze te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft en in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring van gedaagde ter zake de opdracht tot geven van toestemming aan de notaris tot het betalen van de netto overwaarde
verminderd met eventueel nog aan de notaris verschuldigde kosten aan eiser, althans
zodanig te bepalen als het de rechtbank vermeent te behoren;
III. gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.”
4.2.
De rechtbank begrijpt de eis zo dat waar wordt gesproken van “netto-overwaarde” bedoeld is: netto-verkoopopbrengst.
4.3.
De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de man in de proceskosten. Volgens de vrouw is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen en is de woning dus onderdeel geworden van een algehele gemeenschap van goederen tussen partijen.

5.De beoordeling

De internationale aspecten
5.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten. Op de datum van de huwelijkssluiting hadden de man en de vrouw beiden de Algerijnse nationaliteit en had de man ook de Nederlandse nationaliteit. Aangezien beide partijen in Nederland woonachtig zijn, is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van dit geschil.
Algerijns recht is van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen
5.2.
Partijen zijn op 7 februari 2007 in Algerije met elkaar getrouwd. De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen moet daarom worden beantwoord aan de hand van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, van 14 maart 1978 (hierna: het verdrag).
5.3.
Volgens het verdrag (artikel 3) staat het de echtgenoten vrij om vóór het huwelijk te bepalen welk recht op hun huwelijksvermogensregime van toepassing is. De man heeft primair gesteld dat Algerijns recht is overeengekomen. De vrouw heeft dit betwist. Ter zitting heeft de man verklaard - en daarmee dus erkend - dat er over het toepasselijk recht niets is overeengekomen. Van een rechtskeuze is dus geen sprake. Dit betekent dat de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen beantwoord moet worden op basis van de regels van artikel 4 van Pro het verdrag.
5.4.
Volgens artikel 4 lid 2 aanhef Pro en onder 3 van het verdrag wordt het huwelijksvermogensregime van echtgenoten beheerst door het nationale recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, indien zij hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.
Vaststaat dat partijen ten tijde van hun huwelijkssluiting in 2007 beiden de Algerijnse nationaliteit hadden. De man had ook de Nederlandse nationaliteit. Zij hadden dus de Algerijnse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit in de zin van het verdrag. Vast staat ook dat de vrouw zich ruim acht maanden na de huwelijkssluiting in Nederland heeft gevestigd terwijl de man al in Nederland woonde. In de rechtspraak wordt doorgaans aangenomen dat echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting níet op het grondgebied van dezelfde Staat hebben gevestigd, in de zin van artikel 4 van Pro het verdrag, als zij na de huwelijkssluiting langer dan zes maanden in verschillende landen hebben gewoond. Dat doet zich hier voor. Uit artikel 4 lid 2 aanhef Pro en onder 3 van het verdrag volgt dan dat het recht van de Staat van de gemeenschappelijke nationaliteit, in dit geval Algerijns recht, op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is.
5.5.
De uitkomst is hetzelfde als - zoals de vrouw stelt - partijen na de huwelijkssluiting wél hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde Staat (Nederland) hebben gevestigd. Dit volgt uit artikel 4 lid 2 aanhef Pro en onder 2 sub b van het verdrag. Volgens die bepaling wordt, indien echtgenoten een gemeenschappelijke nationaliteit hebben en zij hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen, het huwelijksvermogensregime beheerst door het nationale recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, mits:
( a) de Staat van vestiging (in dit geval Nederland) de verklaring bedoeld in artikel 5 van Pro het verdrag heeft afgelegd, en
( b) de Staat van de gemeenschappelijke nationaliteit (in dit geval Algerije) geen partij is bij het verdrag en een zogenaamd nationaliteitsland is (dat wil zeggen dat het internationaal privaatrecht van die Staat voorschrijft dat zijn nationale recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten).
Aan deze voorwaarden is voldaan. Nederland heeft de in artikel 5 van Pro het verdrag bedoelde verklaring afgelegd, Algerije is geen partij bij het verdrag en is een nationaliteitsland. Dus ook als partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland hebben gevestigd, is met de huwelijkssluiting Algerijns recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing geworden.
5.6.
De slotsom is dat de vaststaande feiten hetzij via artikel 4 lid 2 aanhef Pro en onder 3 van het verdrag, hetzij via artikel 4 lid 2 aanhef Pro en onder 2 sub b van het verdrag tot toepasselijkheid van Algerijns recht leiden.
5.7.
Aan de vraag met welk recht het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is, wordt - anders dan door de vrouw ter zitting bepleit - niet toegekomen. Die vraag is volgens het verdrag immers niet relevant wanneer partijen, zoals in het onderhavige geval, ten tijde van de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke nationaliteit in de zin van het verdrag hadden.
5.8.
Ingevolge het verdrag kan het toepasselijk recht na de huwelijkssluiting wijzigen. Dit is onder meer het geval wanneer beide echtgenoten de nationaliteit verkrijgen van de Staat waar zij hun gewone verblijfplaats hebben. In dat geval wordt het recht van die Staat van toepassing, als dat niet al eerder van toepassing was (artikel 7 lid 2 aanhef Pro en onder 1 van het verdrag). Deze situatie doet zich in het onderhavige geval voor. De vrouw heeft op 27 februari 2013 de Nederlandse nationaliteit verkregen. De man had die nationaliteit al, zodat vanaf 27 februari 2013 beiden de Nederlandse nationaliteit hebben. Bovendien hadden partijen toen - en hebben zij nog steeds - hun gewone verblijfplaats in Nederland. Vanaf 27 februari 2013 is dus Nederlands recht van toepassing geworden op het huwelijksvermogensregime van partijen. Deze wijziging heeft echter slechts gevolgen voor de periode na 27 februari 2013. Vermogen dat daarvóór aan partijen toebehoorde, is niet onderworpen aan het nieuwe toepasselijke recht. Dit volgt uit artikel 8 van Pro het verdrag. De vraag wie gerechtigd is tot de woning moet dus ook na 27 februari 2013 beantwoord worden aan de hand van Algerijns recht.
De man is gerechtigd tot de netto-verkoopopbrengst van de woning
5.9.
Het Algerijns huwelijksvermogensrecht is geregeld in de Algerijnse “
Code de la famille” en kent een wettelijk stelsel van gescheiden vermogens. Dit betekent dat door het huwelijk van partijen geen gemeenschap van goederen is ontstaan; ieder van partijen is eigenaar gebleven van de goederen die hij of zij vóór het huwelijk in eigendom had. De man is dus eigenaar gebleven van de woning.
5.10.
De vrouw heeft vraagtekens geplaatst bij de geldigheid van de in Algerije uitgesproken echtscheiding. Of die echtscheiding geldig is, kan echter in het midden blijven. Zowel in de situatie waarin partijen gescheiden zijn, als in de situatie waarin het huwelijk van partijen voortduurt, is de man eigenaar van de woning.
De rechtbank zal het gevorderde sub I en II toewijzen
5.11.
Omdat de man ten tijde van de verkoop en levering (enig) eigenaar was van de woning, heeft de man recht op de netto-verkoopopbrengst van de woning. De rechtbank zal het gevorderde sub I, de gevorderde verklaring voor recht, daarom toewijzen.
5.12.
De man heeft er recht op en belang bij dat de vrouw de notaris toestemming verleent om de netto-verkoopopbrengst van de woning, verminderd met nog eventueel aan de notaris in verband met de depotovereenkomst verschuldigde kosten, aan de man te betalen, en dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als de vereiste toestemming (zoals bedoeld in artikel 3:300 BW Pro) wanneer de vrouw die toestemming niet verleent. De rechtbank zal daarom het gevorderde sub II toewijzen.
Iedere partij moet de eigen proceskosten dragen
5.13.
Gelet op de relatie tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.14.
Dit vonnis zal, voor zover het zich daarvoor leent, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat de man dat heeft gevorderd en de vrouw daartegen geen specifiek verweer heeft gevoerd.

6.6. De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat de man dient te gelden als enige rechthebbende op de netto-opbrengst betreffende de verkoop en levering van de woning staande en gelegen te [adres], als gedeponeerd onder notaris [naam notaris], althans [naam kantoor];
6.2.
veroordeelt de vrouw om op eerste verzoek van de man de notaris [naam notaris]
, althans [naam kantoor], toestemming te verlenen om de netto-verkoopopbrengst, verminderd met nog eventueel aan de notaris in verband met de depotovereenkomst verschuldigde kosten, aan de man te betalen;
6.3.
bepaalt dat, indien de vrouw aan de veroordeling in 6.2 geen gevolg geeft, dit vonnis dezelfde kracht heeft als, en in de plaats treedt van, de in 6.2 bedoelde toestemming;
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen in 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
3246/ 3310/2334