ECLI:NL:RBROT:2026:934

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/10/711689 / JE RK 25-2580
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:165c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing van één van hen in een gezinshuis.

De vader heeft sinds december 2025 het eenhoofdig ouderlijk gezag over beide kinderen. De kinderen zijn sinds november 2023 uit huis geplaatst vanwege zorgen over het psychisch welzijn van de moeder en haar opvoedvaardigheden. De ondertoezichtstelling loopt tot 2 februari 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot dezelfde datum.

De GI verzoekt verlenging van beide maatregelen voor een jaar. De kinderrechter stelt vast dat de moeder niet in staat is de verzorging en opvoeding te dragen en dat de ontwikkelingsbedreigingen bij de kinderen nog niet zijn weggenomen. [Minderjarige 1] heeft kenmerken van autisme en een lichte verstandelijke beperking, terwijl [minderjarige 2] een algehele ontwikkelingsachterstand heeft. Het verblijf van [minderjarige 2] in het gezinshuis blijft noodzakelijk.

De vader verzet zich niet tegen de verlenging. De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing met een jaar. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing met een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711689 / JE RK 25-2580
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
en
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
in de zaak over beide kinderen
[naam vader],
wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen de vader,
in de zaak over [minderjarige 2]
[naam gezinshuismoeder],
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen de gezinshuismoeder van [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats 3],
hierna te noemen de moeder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 11 december 2025 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI van 9 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam].
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen. De gezinshuismoeder van [minderjarige 2] is per abuis niet opgeroepen, terwijl zij, als degene die langer dan een jaar voor [minderjarige 2] zorgt, wel belanghebbende is. De jeugdbeschermer heeft evenwel op de zitting te kennen gegeven dat de gezinshuismoeder op de hoogte is van de zitting en dat zij geen gebruik wenst te maken van haar recht om te worden gehoord.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft geen mening gegeven. [minderjarige 2] is, vanwege zijn jonge leeftijd, niet naar zijn mening gevraagd.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn uit elkaar. Zij waren gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Op 8 december 2025 heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd. Sindsdien heeft de vader het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
Op 17 november 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Vervolgens is een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd en loopt nu tot 2 februari 2026.
2.3.
[minderjarige 1] woont bij de vader. [minderjarige 2] verblijft in een gezinshuis. De door de kinderrechter daartoe verleende machtiging geldt tot 2 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt – na verduidelijking van het verzoek ter zitting – de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinshuis te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Het schriftelijk gedane verzoek om (ook) de machtiging tot plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader te verlengen is ter zitting door de GI ingetrokken. Omdat de vader nu eenhoofdig ouderlijk gezag heeft, is een machtiging tot plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader niet meer nodig.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige 1] bij de vader thuis en met [minderjarige 2] in het gezinshuis. Omdat de zorgen over hun ontwikkeling nog niet volledig zijn weggenomen, is verlenging van de ondertoezichtstelling echter nodig. Bij [minderjarige 1] zijn kenmerken te zien van autisme. Hij staat op de wachtlijst van iHub, om duidelijk te krijgen wat hij nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Daarnaast wil de GI verder werken aan contactherstel tussen de kinderen en de moeder. De moeder wilde lange tijd geen contact met de kinderen. Daar is zij op teruggekomen. Een aantal maanden geleden zijn er videobelgesprekken geweest. Tijdens het gesprek met [minderjarige 2] is de moeder boos weggelopen. [minderjarige 2] is door dit gesprek erg van slag geraakt. [minderjarige 1] wil de moeder graag zien. Er is een afspraak gemaakt voor een ontmoeting. De jeugdbeschermer zal die ontmoeting begeleiden. De bedoeling is dat in het komende jaar wordt onderzocht of een overdracht naar hulpverlening in het vrijwillig kader kan plaatsvinden.
4.2.
De vader heeft zich niet verzet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling en voortduring van het verblijf van [minderjarige 2] in het gezinshuis. Het contact met [minderjarige 2] en de gezinshuismoeder is goed. [minderjarige 2] verblijft één keer per maand een weekend bij de vader en [minderjarige 1]. Dit wordt uitgebreid naar twee keer per maand. De vader vindt het fijn als de jeugdbeschermer langer betrokken blijft.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling (genoemd in de artikel 1:255 en Pro 1:260 van het Burgerlijk Wetboek) is voldaan. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat voortduring van de plaatsing van [minderjarige 2] in het gezinshuis noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikelen 1:265b en 1:165c BW). De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
Tot november 2023 woonden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder. Zij zijn toen met spoed uit huis geplaatst, vanwege zorgen over het psychisch welzijn van de moeder en de invloed hiervan op haar opvoedvaardigheden. Zoals ook uit de beschikking van de rechtbank van 8 december 2025 blijkt, wordt de moeder niet in staat geacht om de verzorging en opvoeding van de nu 10-jarige [minderjarige 1] en 5-jarige [minderjarige 2] te kunnen dragen. Het opgroeiperspectief van de kinderen ligt daarom niet bij de moeder. Dat de kinderen niet meer bij de moeder wonen, maakt echter nog niet dat de ontwikkelingsbedreiging helemaal is weggenomen. Uit de stukken en wat is gezegd op de zitting blijkt dat zij nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Beide kinderen hebben te maken met kind-eigenproblematiek. Bij [minderjarige 1] is sprake van een licht verstandelijke beperking en een spraakstoornis. Mogelijk is er meer aan de hand. Hij is daarom aangemeld bij iHub. Onderzocht zal worden wat hij nodig heeft om zich zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen. Bij [minderjarige 2] is sprake van een algehele ontwikkelingsachterstand. Hij heeft een fysieke en motorische achterstand en een spraakachterstand. Door de kind-eigenproblematiek vraagt de verzorging en opvoeding van de jongens meer van een opvoeder dan gemiddeld. Een zorg is verder dat de kinderen al lange tijd nauwelijks tot geen contact hebben met de moeder. Betrokkenheid van de jeugdbeschermer blijft nodig om de situatie te volgen en te begeleiden en zo nodig hulpverlening in te zetten. De ondertoezichtstelling van de kinderen wordt daarom verlengd.
5.3.
Positief is dat het goed gaat met [minderjarige 1] bij de vader en met [minderjarige 2] in het gezinshuis. De weekenden waarin [minderjarige 2] bij de vader en [minderjarige 1] verblijft, verlopen ook goed. Een volledige plaatsing van [minderjarige 2] bij de vader, zou echter te veel van de vader vragen. Dat is niet in het belang van [minderjarige 2]. De machtiging tot plaatsing van [minderjarige 2] in het gezinshuis wordt daarom ook verlengd.
5.4.
In de komende periode zal bekeken moeten worden wat de kinderen verder nog nodig hebben, en of eventuele hulpverlening en het verblijf van [minderjarige 2] in het gezinshuis in de toekomst in het vrijwillig kader kunnen worden voortgezet. Belangrijk is daarnaast dat in de komende periode verder gewerkt wordt aan herstel van het contact tussen de moeder en de kinderen. De draagkracht van de kinderen is daarbij, vanzelfsprekend, leidend.
5.5.
De kinderrechter verlengt zowel de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de machtiging tot plaatsing van [minderjarige 2] in een gezinshuis met een jaar, zoals verzocht.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 2 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinshuis tot 2 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.