ECLI:NL:RBROT:2026:9353

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
10-046706-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bezit cocaïne en vuurwapen met munitie

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 1173,5 gram cocaïne in zijn slaapkamer en het medeplegen van het voorhanden hebben van een geladen pistool met 14 kogelpatronen in de berging onder zijn woning te Schiedam op 11 februari 2025.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte wetenschap had van de drugs en het vuurwapen en daarover beschikkingsmacht had, ondanks zijn stelling dat anderen zijn woning gebruikten zonder zijn medeweten. Dit blijkt onder meer uit DNA-sporen op de cocaïneverpakking en het pistool, het feit dat verdachte als bewoner stond ingeschreven en een sleutel had van de berging waar het wapen lag, en uit een tapgesprek waarin sprake is van overdracht van een vuurwapen.

De rechtbank legt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 150 uur. Hierbij is rekening gehouden met de ernst van de feiten, het feit dat verdachte slachtoffer was van uitbuiting, zijn verslavingsproblemen destijds, zijn positieve gedragsverandering en langdurige abstinentie sinds de feiten, en het lage recidiverisico volgens de reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 150 uur taakstraf voor medeplegen bezit cocaïne en vuurwapen.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-046706-25
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Datum zitting: 7 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verachte],
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. W. van der Voet
Officier van justitie: mr. N. Aandewiel
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben van ruim 1 kilo cocaïne in zijn slaapkamer en van een pistool met munitie in de berging onder zijn woning. De rechtbank hecht, in het licht van de bewijsmiddelen, geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet zou hebben geweten van de aanwezigheid van de harddrugs, het wapen en de munitie, en acht bewezen dat hij hierover ook beschikkingsmacht heeft gehad. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 maanden en een taakstraf van 150 uur.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van 1.173,5 gram cocaïne en het medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool en munitie.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Schiedam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1173,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, althans een hoeveelheid harddrugs, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 2º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (automatisch) pistool van het merk Glock, type Model 17, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdachte kan ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde slechts worden veroordeeld voor het bezit van 1,5 gram cocaïne en dient partieel te worden vrijgesproken voor het (in vereniging) aanwezig hebben van de tas met cocaïne die op een kast in zijn slaapkamer is aangetroffen. De verdachte moet ook voor het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie worden vrijgesproken. De woning van de verdachte werd door anderen gebruikt, waardoor hij geen wetenschap had van en geen controle had over de in de tenlastelegging genoemde goederen die hier werden aangetroffen.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
De in mijn slaapkamer aangetroffen kleine zakjes drugs zijn van mij. (…) Het klopt dat ik veel op bed lag vanwege gezondheidsproblemen. Er liepen continu mensen mijn woning in en uit, onder andere [naam 1]. Het klopt dat ik hem op foto’s bij de politie heb herkend als de medeverdachte [medeverdachte 1]. Hij had ook een sleutel van de woning. Ik wist dat hij met dingen bezig was, misschien dealen.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Uit de Basis Registratie Personen bleek dat [verachte], geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats], sinds 18 mei 2016 ingeschreven stond in de woning gelegen aan het [adres]
.
Het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] bleek in gebruik te zijn bij [verachte].
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Op 11 februari 2025 werd de woning aan de [adres] betreden.
In de woning werden twee personen aangetroffen. Zij bleken later genaamd te zijn:
[verachte] en [naam 2].
In de slaapkamer van de woning werd op een kast meteen in het zicht een rode plastic tas
aangetroffen van supermarktketen Dirk. In deze tas werd een doorzichtige zak aangetroffen met daarin een kristalachtig poeder. De zak werd later inbeslaggenomen onder goednummer 6910778. Tevens werd in de slaapkamer een plastic zak met mogelijk verdovende middelen aangetroffen; deze werd later in beslag genomen onder goednummer 6910870. In de woonkamer werd een Samsung mobiele telefoon aangetroffen. Deze telefoon werd inbeslaggenomen onder goednummer 6910918.
4.
Proces-verbaal van de politie [5]
In het slot van de voordeur aan de binnenzijde van de woning hing een sleutelbos met meerdere sleutels eraan. Witstein verklaarde dat dit zijn sleutelbos betrof. Eén van die sleutels bleek een sleutel te zijn van de berging behorende bij deze woning. Middels die sleutel werd de voordeur van de berging geopend. De voordeur van de berging stond daarvoor op slot. In de berging werd in een doos een plastic tas aangetroffen van supermarktketen Plus met daarin een zwart vuurwapen. Het vuurwapen werd later inbeslaggenomen onder goednummer 6910867.
Het vuurwapen werd door een medewerker van de hondenbrigade veiliggesteld en tijdens het veiligstellen vertelde deze medewerker dat het vermoedelijk een echt vuurwapen betrof dat doorgeladen was en een vol magazijn met patronen had.
In verband met mogelijke DNA-sporen aan de binnenzijde van de plastic tas waarin het vuurwapen lag werd ook deze tas in beslaggenomen en veiliggesteld op DNA-sporen onder goednummer 6910873.
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
6.
Proces-verbaal van de politie [7]
Op 11 februari 2025 zijn goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:
Wapenomschrijving 19
Goednummer: PL1700-[proces-verbaalnummer 9]-6910836
Object: Munitie (kogelpatroon)
Aantal/eenheid: 14 stuks
Merk/type: S&B 9x19 mm
Spoor identificatienr.: AAS02016NL
Kaliber: 9x19 mm
Bijzonderheden: Uit patroonmagazijn glock 17
Het betreft kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm.
Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de WWM. Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met het inbeslaggenomen pistool
Glock 17.
Wapenomschrijving 23
Goednummer: PL1700-2025031257-6910867
Object: Vuurwapen (Auto. Vuurwapen)
Merk/type: Glock 17
Spoor identificatienr.: AAS02017NL
Kaliber: 9x19 mm
Bijzonderheden: Met patroonmagazijn
Her inbeslaggenomen voorwerp is een automatisch pistool bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op he teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.
(…)
Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Tijdens het afvuren van de proefschoten werkte het vuurwapen in semi-automatische stand goed.
7.
Proces-verbaal van de politie [8]
Op 20 februari 2025 werd door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendragers:
8.
Proces-verbaal van de politie [9]
Op 8 februari 2025 te 21:38 uur werd een gesprek opgenomen en uitgeluisterd tussen [verachte], die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Hieronder volgt de letterlijke inhoud van dit gesprek.
B: [verachte]
GT: Getapte
B: Hoe is het?
GT: Mattie, kan je naar beneden komen die ding pakken
B: Zit ie in een tas?
GT: Nee.
B: Man man man. Ok ik kom met een tas ja.
GT: Alsjeblieft snel.
9.
Proces-verbaal van de politie [10]
Uit onderzoek bleek dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] beiden gebruik maakten van de deallijn [telefoonnummer 2] onder de naam van '[naam 5]'.
10.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 2] [11]
Waar ik me zorgen om maak is een Marokkaanse jongen die vaak bij ons thuis komt. Ik
ben in oktober teruggekomen uit Polen en merkte al gauw dat er dingen anders waren. Ineens kwam de Marokkaanse jongen over de vloer en af en toe gebruikte hij ook de huissleutels van [verachte], zowel voor de berging als de voordeur. De Marokkaanse jongen komt meerdere keren per week langs. Ik zag dat [verachte] pakketten met cocaïne moest vouwen van de Marokkaanse jongen; de jongen gaf [verachte] dan geld of drugs.
11.
Deskundigenverslag [12]
[deskundigenverslag]
AASK3804NL#01 (elastiek en gedeelte vacuümzak daaromheen; AAJM7761NL)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vier personen.
DNA-mengprofiel AASK3804NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verachte] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van vier willekeurige onbekende personen.
[deskundigenverslag]
AARN2754NL#01 (trekker en ruwe delen; AASO2017NL)
Voor deze berekening is de bewijskracht ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vijf personen.
DNA-mengprofiel AARN2754NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [medeverdachte 2] en vier willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van vijf willekeurige onbekende personen.
DNA-mengprofiel AARN2754NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [medeverdachte 1] en vier willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van vijf willekeurige onbekende personen.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Feit 1 – medeplegen van het aanwezig hebben van verdovende middelen
Op 11 februari 2025 is in de slaapkamer van de verdachte bovenop een kledingkast een plastic zak met 1.172 gram cocaïne aangetroffen. Naast zijn bed werd nog een kleine hoeveelheid cocaïne gevonden (1,5 gram), waarvan de verdachte heeft verklaard dat dit was voor eigen gebruik. De verdachte ontkent wetenschap van de plastic zak met cocaïne op de kast en heeft verklaard dat er destijds veel mensen gebruik maakten van zijn woning, waarbij ze ook zijn huissleutel gebruikten. Dát anderen (met zijn sleutel) gebruik maakten van de woning en dat dit drugsgerelateerd was, wordt ondersteund door andere bevindingen bij het opsporingsonderzoek. De rechtbank acht niettemin bewezen dat (ook) de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de in zijn slaapkamer aangetroffen harddrugs. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 11 februari 2025 geregistreerd stond als bewoner van de woning waar de drugs zijn aangetroffen en dat hij daar ook feitelijk verbleef. Het is vaste rechtspraak dat een bewoner, behoudens contra-indicaties, bekend wordt verondersteld met de aanwezigheid van goederen in zijn woning en daarvoor ook verantwoordelijk kan worden gehouden. Dat bedoelde contra-indicaties zich hier niet voordoen en dat de verdachte daadwerkelijk moet hebben geweten van de cocaïne in zijn slaapkamer leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat hij vanwege gezondheidsproblemen veelvuldig op bed lag en dat de tas met cocaïne volgens de politie direct in het zicht op de kast werd aangetroffen. Daarnaast zijn op het elastiek en op een gedeelte van de vacuümzak die om de cocaïne zat meerdere DNA-sporen gevonden, waarvan een deel overeenkomt met het DNA van de verdachte; de rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte ook beschikkingsmacht heeft gehad over de tas met cocaïne. Daarmee kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 1173,5 gram cocaïne.
Feiten 2 en 3 – medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapen en munitie
In de berging onder de woning van de verdachte is bij de doorzoeking van 11 februari 2025 ook een geladen vuurwapen aangetroffen met 14 kogelpatronen. De berging was afgesloten. De verdachte had een sleutel van de berging aan zijn sleutelbos. In het dossier bevindt zich een uitgewerkt tapgesprek van 8 februari 2025 tussen de verdachte en een gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Uit de inhoud van dit tapgesprek blijkt dat de gebruiker van de telefoon voor de woning van de verdachte staat met een “ding” en dat hij dit aan de verdachte wil overhandigen. Als blijkt dat het ding niet is verpakt, antwoordt de verdachte dat hij naar beneden zal komen met een tas. De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn geïdentificeerd als gebruikers van het genoemde telefoonnummer. Op de trekker en de ruwe delen van het aangetroffen pistool zijn van deze medeverdachten DNA-sporen aangetroffen. De rechtbank concludeert op basis hiervan dat in het tapgesprek – drie dagen voor de doorzoeking van de berging – kennelijk wordt gesproken over het overdragen van een vuurwapen en dat de verdachte het pistool vervolgens samen met een medeverdachte in de berging heeft gelegd. Dat het gesprek betrekking had op een weegschaal, zoals de verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank in het licht van deze bewijsmiddelen niet geloofwaardig. Dat betekent dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie.
Uit het wapenonderzoek blijkt dat het aangetroffen pistool een vuurwapen betreft als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro III onder 2º van de Wet wapens en munitie. Nu deze bevinding ter zitting niet ter discussie heeft gestaan, concludeert de rechtbank dat de vermelding in de tenlastelegging dat het zou gaan om een Categorie II-vuurwapen, kennelijk berust op een verschrijving. De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 11 februari 2025 te Schiedam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1173,5 gram (bruto) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2
hij op 11 februari 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro III onder 2º van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, type Model 17, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;
Feit 3
hij op 11 februari 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
en de eendaadse samenloop van:
Feit 2
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III;
en
Feit 3
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het feit dat de verdachte, zoals de officier van justitie heeft erkend, bij de hem verweten gedragingen ook als slachtoffer van uitbuiting moet worden aangemerkt.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zijn woning beschikbaar gesteld aan anderen, die de woning gebruikten als drugspand en opslaglocatie voor een vuurwapen. De verdachte heeft, samen met een of meer anderen, in zijn slaapkamer ruim één kilo cocaïne aanwezig gehad en heeft in zijn berging een met kogelpatronen geladen pistool voorhanden gehad. Hij heeft hiermee zelf strafbaar gehandeld en heeft het criminele handelen van anderen gefaciliteerd. Het geladen wapen vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Wapenbezit leidt tot gevoelens van angst in de maatschappij. Vuurwapens worden in het criminele circuit immers gebruikt om ernstige strafbare feiten mee te begaan, zoals bedreigingen, afpersingen, roofovervallen en levensdelicten.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 12 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapportage van de reclassering
In een mailbericht van Reclassering Nederland van 3 juli 2026 staat het volgende.
De verdachte staat sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 14 februari 2025 onder toezicht van de reclassering. Gedurende het toezicht is zichtbaar geworden dat de problematiek van de verdachte voornamelijk ligt in zijn beperkte copingvaardigheden en een gebrek aan stabiliteit op meerdere leefgebieden, samenhangend met zijn middelengebruik in het verleden. Het beeld is ontstaan van een man die gedurende een langere periode steeds verder sociaal geïsoleerd raakte, afhankelijk werd van zijn omgeving en daarbij in toenemende mate de regie over zijn leven verloor. Cocaïne- en alcoholgebruik hebben hierin een belangrijke rol gespeeld. De verdachte lijkt geneigd om problemen en spanningen voor zichzelf te houden, waardoor hij niet tijdig hulp zoekt.
Vanaf de start van het toezicht heeft de verdachte zich coöperatief opgesteld. Hij komt afspraken na, staat open voor contact, laat zich goed begeleiden en verleent medewerking aan toezichtactiviteiten, waaronder huisbezoeken. De verdachte heeft gewerkt aan herstel van stabiliteit en heeft afstand genomen van personen uit zijn eerdere sociale netwerk die een negatieve invloed op hem hadden. Hij heeft (vrijwillig) begeleiding geaccepteerd vanuit een hulpverleningsinstantie. Van hen ontvangt de verdachte ondersteuning bij praktische zaken en bij het op orde brengen van zijn financiën. Ook zijn huidige partnerrelatie lijkt een stabiliserende factor te vormen.
De reclassering schat het actuele recidiverisico in als laag. Beschermende factoren zijn de huidige begeleidingsstructuur, de bereidheid van de verdachte om hulp te aanvaarden, zijn inmiddels langdurige abstinentie, het afstand nemen van risicocontacten en de sociale steun vanuit zijn relatie. Hoewel sprake is van een verdenking waarbij ook een vuurwapen is aangetroffen, heeft het toezicht geen aanvullende informatie opgeleverd die maakt dat de verdachte door de reclassering als vuurwapengevaarlijk wordt ingeschat.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf passend en noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder door rechtbanken in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de LOVS oriëntatiepunten. De rechtbank heeft in strafverlagende zin rekening gehouden met de context waarbinnen de bewezen feiten zijn begaan en met de ernstige verslavingsproblemen waar de verdachte destijds mee kampte. Als hoofdbewoner was hij weliswaar verantwoordelijk voor de gang van zaken in zijn woning, maar er was ook sprake van een situatie waarin anderen misbruik maakten van zijn kwetsbare situatie en zijn woning gebruikten voor criminele doeleinden. De verdachte heeft in de afgelopen anderhalf jaar geen nieuwe strafbare feiten gepleegd, is inmiddels langdurig abstinent en heeft in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis succesvol meegewerkt aan hulpverlening. Gelet op deze omstandigheden en op de positieve wending die de verdachte inmiddels aan zijn leven heeft gegeven, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet passend. De rechtbank zal in plaats daarvan een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van zes maanden, in combinatie met een taakstraf van 150 uur. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding tot het stellen van bijzondere voorwaarden en gaat er vanuit dat de verdachte verder zelf in staat is om eventueel nog benodigde ondersteuning op vrijwillige basis te organiseren.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Voorwaardelijke gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat
deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 150 (honderdvijftig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
142 (honderdtweeënveertig) uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
71 dagen;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.C. van Vuren, voorzitter,
en mrs. J.M.L. van Mulbregt en A.M. Borel Rinkes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Nagtegaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.
Mrs. Van Vuren en Borel Rinkes zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers van zaaksdossier ZEUS.
2.Verklaard tijdens de zitting van 7 juli 2026.
3.pagina 17 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1].
4.pagina 22 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2].
5.pagina 51 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3].
6.pagina 125 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4].
7.pagina 102 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5].
8.pagina 109 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6].
9.pagina 79 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7].
10.pagina 133 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8].
11.proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 9].
12.rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 23 mei 2026 (2025.03.14.091) (aanvraag 002).