ECLI:NL:RBROT:2026:9375

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
10/252748-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor medeplegen gewapende overval op shoarmazaak

De rechtbank Rotterdam heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 14-jarige verdachte die samen met een medeverdachte een gewapende overval pleegde op een shoarmazaak in Ridderkerk. De verdachte betrad de zaak met een mes en een vuurwapen gelijkend voorwerp, bedreigde de slachtoffers en probeerde geld te stelen, maar vluchtte zonder buit nadat de medeverdachte werd overmeesterd.

De verdachte bekende het ten laste gelegde en de rechtbank achtte het bewezen dat sprake was van poging diefstal met geweld en bedreiging, gepleegd door twee of meer verenigde personen. Gezien de leeftijd van de verdachte is het jeugdstrafrecht van toepassing. De rechtbank legde een jeugddetentie van 130 dagen op, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, en een werkstraf van 60 uur. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht.

De Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming West rapporteerden een positieve ontwikkeling van de verdachte, met laag recidiverisico en goede medewerking aan hulpverlening. De rechtbank volgde het strafadvies en legde geen dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden op.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan drie benadeelde partijen voor materiële en immateriële schade, waaronder vergoeding voor psychische schade passend bij een posttraumatische stressstoornis. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met zijn mededader. De rechtbank wees de overige schadevorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing of verwees deze naar de burgerlijke rechter.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot deels voorwaardelijke jeugddetentie van 130 dagen, werkstraf van 60 uur en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd
Parketnummer: 10/252748-25
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2011,
ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] [plaatsnaam],
raadsvrouw mr. I. Saey, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 juli 2026.

2.Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij samen met een ander een shoarmazaak heeft overvallen en daarbij geprobeerd heeft geld te stelen.
De volledige tekst van de beschuldiging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 130 dagen met aftrek
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

De verdachte heeft het ten laste gelegde bekend. Gelet daarop en de andere bewijsmiddelen genoemd in bijlage II is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op
of omstreeks24 september 2025 te Ridderkerk,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en
/of haarzijnmededader
(s)voorgenomen
misdrijf om geld
, in elk geval enig goed,dat
/diegeheel of ten dele aan [naam zaak]
gelegen aan [adres 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of haar mededader(s)toebehoorde
(n)weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal
te doen voorafgaan,ente doen vergezellen
en/of te doen
volgenvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal
voor te
bereiden ofgemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door
- met een afgedekt gelaat/gezicht (middels het dragen van één of meer bivakmutsen) en
/of(daarbij) in het bezit van een
vuurwapen en/ofmes
, althansen eenop een vuurwapen
en/of mesgelijkend
evoorwerp
envoornoemd restaurant heeft betreden en
/of
- dit
op eenmes
gelijkend voorwerpin de richting van [slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 2] heeft getoond en
/of
- dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gezet en
/of(daarbij) aan die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "Maak je zakken leeg!" en
/of
- aan de broekzakken van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
poging diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op veertienjarige leeftijd samen met een andere minderjarige verdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval op [naam zaak]. Hierbij hebben de verdachte en zijn medeverdachte geprobeerd om onder bedreiging van een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp geld weg te nemen. De verdachten zijn de zaak binnengegaan met een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in hun handen. De medeverdachte heeft daarna het op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van de vader van de eigenaar van de shoarmazaak gezet. De verdachte heeft een mes getoond aan de eigenaar van de shoarmazaak en diens neef om hen op afstand te houden. Nadat de medeverdachte werd overmeesterd, is de verdacht zonder buit gevlucht.
De verdachten hebben met hun handelen voor de aanwezigen in de shoarmazaak een bedreigende situatie gecreëerd, waarbij ernstig inbreuk is gemaakt op hun gevoel van veiligheid. De verdachten hebben kennelijk alleen oog gehad voor hun eigen financieel gewin. Dit soort feiten veroorzaken ook breder binnen de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid en vormen een ernstige inbreuk op de rechtsorde.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 17 maart 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Het gaat sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis goed met de verdachte. Hij functioneert goed binnen de geboden structuur van werk en toezicht, houdt zich aan de schorsingsvoorwaarden en is aangemeld voor het FAST-traject bij De Waag. Dit traject sluit aan bij de aanwezige risicofactoren, zoals beïnvloedbaarheid en impulsiviteit. Zowel de verdachte als zijn ouders staan positief tegenover hulpverlening. Het Algemeen Recidive Risico (ARR) en het Dynamisch Risico Profiel (DRP) worden als laag ingeschat.
Wat betreft een strafadvies overweegt de Raad dat een voorwaardelijke en onvoorwaardelijke jeugddetentie passend is. De Raad adviseert het onvoorwaardelijke deel gelijk te stellen aan de tijd die de verdachte door heeft gebracht in voorlopige hechtenis. Het voorwaardelijk deel dient als stok achter de deur. De bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd, zijn: begeleiding vanuit de jeugdreclassering, meewerken aan het FAST-traject en eventuele aanvullende behandelingen en onderwijs volgen en naar werk gaan volgens de gemaakte afspraken. De Raad adviseert daarnaast een werkstraf op te leggen, zodat de verdachte op een concrete wijze verantwoordelijkheid leert te nemen voor zijn handelen.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west (hierna: JB west), heeft een rapport (evaluatie plan van aanpak) opgesteld, gedateerd op 13 mei 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
De verdachte heeft zich gedurende de afgelopen periode goed aan de bijzondere voorwaarden gehouden en stelde zich begeleidbaar op. De avondklok werd consequent nageleefd. De avondklok is inmiddels beëindigd. Het traject bij De Waag is gestart en de verdachte toont zich behandelbaar binnen dit traject.
Ter zitting heeft
[naam], werkzaam bij JB westnaar voren gebracht dat de verdachte sinds de schorsing positieve stappen heeft gezet. Hij heeft goed contact met de hulpverlening, gaat weer fysiek naar school, doet het goed op zijn werk en is niet meer in beeld geweest bij de wijkagent. Het FAST-traject is een belangrijk onderdeel van de hulpverlening en is inmiddels gestart. JB west schat nu, net als de Raad, het recidiverisico als laag in en kan zich vinden in het strafadvies van de Raad.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (14 jaar) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De verdachte heeft inmiddels 30 dagen vastgezeten. Kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de heftige impact op de slachtoffers (met name omdat een van hen een wapen tegen het hoofd gezet kreeg), zou een jeugddetentie van langere duur zonder meer gerechtvaardigd zijn. Daar staat echter tegenover dat de verdachte sinds 24 oktober 2025 in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en dat hij zich goed heeft gehouden aan zijn schorsingsvoorwaarden. De verdachte stelt zich begeleidbaar op, is gemotiveerd om stappen te zetten en neemt verantwoordelijkheid voor wat hij heeft gedaan. Er is sprake van een positieve ontwikkeling sinds het strafbare feit.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat een straf die tot gevolg heeft dat de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis, niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte is. Overeenkomstig het advies van de Raad legt de rechtbank daarom een deels voorwaardelijke jeugddetentie op, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank overeenkomstig het advies van de Raad een onvoorwaardelijke werkstraf opleggen aan de verdachte van hierna te noemen duur.
Naast de jeugddetentie wordt een werkstraf opgelegd. Gelet op de ernst van de bewezen feiten vindt de rechtbank het passend dat de verdachte de consequenties van zijn handelen ervaart.
De officier van justitie heeft verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen. Door de Raad en JB west wordt de vrees voor herhaling als laag ingeschat. Gelet daarop en op het blanco strafblad van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er
ernstigrekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom kan en zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden - anders dan gevorderd - niet dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1
[benadeelde partij 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag aan materiële schade van € 2.750,- bestaande uit omzetderving, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, vanwege het ontbreken van toereikende stukken ter onderbouwing van de vordering.
8.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht deze vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade en de vordering onvoldoende is onderbouwd.
8.1.3.
Beoordeling
De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit inkomstenderving heeft geleden. Ten aanzien van de gevorderde omzetderving geldt echter dat niet de omzet, maar uitsluitend de gederfde winst voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering een brief van het administratiekantoor overgelegd waarin de omzetderving is begroot op € 5.900,-. Daarnaast heeft zij een brief van de verzekeraar overgelegd waaruit blijkt dat de schade na onderzoek van een expertisebureau op € 3.400,- is vastgesteld en dat dit bedrag, na aftrek van een eigen bijdrage van € 250,- is uitgekeerd door de verzekeraar. Uit deze stukken kan niet worden afgeleid dat de gederfde winst hoger is dat het door de verzekeraar vastgestelde schadebedrag van € 3.400,-. Dat zou kunnen, maar het blijkt er niet uit. De vergoeding van de eigen bijdrage van € 250,- is wel voldoende onderbouwd en komst voor toewijzing in aanmerking.
De benadeelde partij wordt daarom niet ontvankelijk verklaard voor het overige deel van haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag van € 250,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een ander heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Nu de vordering van de benadeelde partij voor het grootste deel niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering zal de benadeelde partij in de kosten van de verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden begroot op nihil.
8.1.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8.2
Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2] ter zake van het ten laste gelegde feit. Hij vordert een bedrag van € 176,56 aan materiële schade en een bedrag van € 8.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit (reis)kosten voor de behandelingen bij zijn psycholoog.
Daarnaast heeft als benadeelde partij zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 3] ter zake van het ten laste gelegde feit. Hij vordert een bedrag van € 747,43 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit kosten voor de behandelingen bij Mentaal beheer, die gedeeltelijk onder het eigen risico vielen.
8.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie vordert volledige toewijzing van de materiële schade. Voor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.2.2.
Standpunt verdediging
Voor wat betreft de vordering voor geleden materiële schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de verdediging verzocht de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen tot een bedrag dat aansluit bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.
8.2.3.
Beoordeling
Materiële schade
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding ook overigens niet is weersproken, zullen de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] van respectievelijk € 176,56 en € 747,43 worden toegewezen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is op deze laatste grondslag gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen.
Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De benadeelde partijen hebben voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel hebben opgelopen. Uit de overgelegde medische stukken van de slachtoffers blijkt dat hun klachten passen binnen het beeld rond een posttraumatische stressstoornis (PTSS), waarvoor EMDR behandeling is ingezet.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.
De Rotterdamse schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. Voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding vindt de rechtbank aansluiting bij de categorie 14. 2 sub d. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 2.675,- tot € 5.500,- als uitgangspunt, nu het feit nog geen jaar geleden is begaan en (nog) niet gebleken is van restklachten.
De wijze van handelen van de verdachten getuigt van een ernstig verwijtbare normschending. Hoewel de slachtoffers ieder op een andere wijze bij de overval betrokken zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat de gebeurtenis voor beiden zeer ingrijpend is geweest. Daarbij weegt de rechtbank zwaar mee dat [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op zijn hoofd gedrukt heeft gekregen en zijn zoon [slachtoffer 3] hiervan getuige was. De rechtbank acht de psychische impact zodanig ernstig en voor beide slachtoffers vergelijkbaar dat de rechtbank een gelijke vergoeding van € 5.500,- per persoon billijk acht. De benadeelde partijen worden niet ontvankelijk verklaard voor het overige deel van hun vordering, Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente en kosten
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden immateriële schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025. Omdat de verschillende materiële schadeposten op uiteenlopende data zijn ontstaan, wordt voor de aanvang van de wettelijke rente van de materiële schade uitgegaan van één door de rechtbank te bepalen datum, namelijk vanaf 1 januari 2026.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.2.4.
Conclusie
De verdachte moet [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] een schadevergoeding betalen van respectievelijk € 5.676,56 en € 6.247,43 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring, strafbaar feiten, strafbare dader
a. verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Jeugddetentie
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 130 (honderddertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot
100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
twee jaren;
i. tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd mee zal werken aan de hulpverlening, die door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht, zoals FAST van De Waag en eventuele aanvullende hulpverlening;
- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen volgens rooster en zich zal houden aan de regels en afspraken;
- gedurende de proeftijd zich zal inspannen voor het vinden en behouden van werk;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers:
 [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1971;
 [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 3] 1998;
 [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 4] 1976.
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Werkstraf
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig)
uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
30 dagen;
Opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
Vordering [benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van
€ 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] te betalen
€ 250,-(hoofdsom,
zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Vordering [benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 3] te betalen een bedrag van
€ 6.247,43 (zegge: zesduizend tweehonderdzevenveertig euro en drieënveertig cent),bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 747,43 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
a. legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 3] te betalen
€ 6.247,43,-(hoofdsom,
zegge: zesduizend tweehonderdzevenenveertig euro en drieënveertig cent), bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 747,43 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Vordering [benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van
€ 5.676,56, (zegge: vijfduizend zeshonderdzesenzeventig euro en zesenvijftig cent)bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 176,56 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] te betalen
€ 5.676,56(hoofdsom,
zegge: vijfduizend zeshonderdzesenzeventig euro en zesenvijftig cent), bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 176,56 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. R. van den Wildenberg en P.A. Ellenbroek, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Tenlastelegging
hij op of omstreeks 24 september 2025 te Ridderkerk,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen
misdrijf om geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam zaak]
gelegen aan [adres 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 3] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- met een afgedekt gelaat/gezicht (middels het dragen van één of meer
bivakmutsen) en/of (daarbij) in het bezit van een vuurwapen en/of mes, althans op
een vuurwapen en/of mes gelijkende voorwerpen voornoemd restaurant heeft
betreden en/of- dit op een mes gelijkend voorwerp in de richting van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2]
heeft getoond en/of- dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft
gezet en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd:
"Maak je zakken leeg!" en/of- aan de broekzakken van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld;