ECLI:NL:RBROT:2026:9377

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
10/252434-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor medeplegen gewapende overval met imitatievuurwapen

De rechtbank Rotterdam heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een 15-jarige verdachte die samen met een medeverdachte een gewapende overval pleegde op een shoarmazaak in Ridderkerk. De verdachte had een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich en bedreigde daarmee de aanwezigen, waaronder de vader van de eigenaar. De feiten zijn bewezen verklaard en strafbaar bevonden.

De verdachte heeft bekend en de rechtbank heeft rekening gehouden met zijn jeugdige leeftijd en persoonlijke omstandigheden, waaronder een hoog recidiverisico en lopende begeleidingstrajecten. Daarom is een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd van 150 dagen, waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 100 uur. Daarnaast zijn bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder deelname aan hulpverlening, onderwijs en werk, en een contactverbod met de slachtoffers.

De rechtbank heeft ook schadevergoedingen toegekend aan de benadeelde partijen voor materiële en immateriële schade, waarbij de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is met zijn mededader. De vorderingen zijn deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De straf en maatregelen zijn gericht op gedragsverandering en het beperken van het recidiverisico.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot deels voorwaardelijke jeugddetentie van 150 dagen en werkstraf van 100 uur met schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd
Parketnummer: 10/252434-25
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2010,
ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] [plaatsnaam],
raadsvrouw mr. W.M. Shreki, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 juli 2026.

2.Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij samen met een ander een shoarmazaak heeft overvallen en daarbij geprobeerd heeft geld te stelen (feit 1). Daarnaast zou hij daarbij een imitatievuurwapen voorhanden hebben gehad (feit 2).
De volledige tekst van de beschuldiging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van beide feiten;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht;
  • veroordeling van de verdachte tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

De verdachte heeft het ten laste gelegde bekend. Gelet daarop en de andere bewijsmiddelen genoemd in bijlage II is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op
of omstreeks24 september 2025 te Ridderkerk,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en
/of haarzijnmededader
(s)voorgenomen
misdrijf om geld
, in elk geval enig goed,dat
/diegeheel of ten dele aan [naam zaak]
[naam zaak] gelegen aan [adres 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachteen/of haar mededader(s)toebehoorde
(n)weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal
te doen voorafgaanente doen vergezellen
en/of te doen volgenvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelfen/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door
- met een afgedekt gelaat/gezicht (middels het dragen van één of meer
bivakmutsen) en
/of(daarbij) in het bezit van een
vuurwapen en/ofmes,
althansen een op een vuurwapen
en/of mesgelijkend
evoorwerpen voornoemd restaurant heeft
betreden en
/of
- dit op een mes gelijkend voorwerp in de richting van [slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 2]
heeft getoond en
/of
- dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft
gezet en
/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd:
"Maak je zakken leeg!" en
/of
- aan de broekzakken van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld;
2.
hij op
of omstreeks24 september 2025 te Ridderkerk,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een
ernstige bedreiging van personen kon vormen en
/ofdat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een
imitatie/nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen
sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk HK45 Civil,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
1. poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2.handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straffen

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd samen met een andere minderjarige verdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval op [naam zaak]. Hierbij hebben de verdachte en zijn medeverdachte geprobeerd om onder bedreiging van een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp geld weg te nemen. De verdachten zijn de zaak binnengegaan met een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in hun handen. De verdachte heeft daarna het op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van de vader van de eigenaar van de shoarmazaak gezet. De medeverdachte heeft een mes getoond aan de eigenaar van de shoarmazaak en diens neef om hen op afstand te houden.
De verdachten hebben met hun handelen een bedreigende situatie gecreëerd voor de aanwezigen in de shoarmazaak, waarbij ernstig inbreuk is gemaakt op hun gevoel van veiligheid. De verdachten hebben kennelijk alleen oog gehad voor hun eigen financieel gewin. Dit soort feiten veroorzaken ook breder binnen de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid en vormen een ernstige inbreuk op de rechtsorde.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming(hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 maart 2026. Daaruit blijkt het volgende.
Het algemeen recidive risico wordt ingeschat als hoog. De verdachte lijkt zich moeilijk te kunnen verplaatsen in de impact van zijn handelen op anderen. Daarnaast speelde geld een duidelijke rol als motief. De combinatie van het sterke verlangen naar geld en het beperkte inlevingsvermogen maakt het voor de Raad lastig om goed te begrijpen wat er innerlijk bij de verdachte speelt. Tegelijkertijd zijn er duidelijke beschermende factoren aanwezig op het gebied van gezin, dagbesteding en structuur. Problemen ontstaan vooral op momenten waarop er minder structuur is en de verdachte meer ruimte ervaart om eigen keuzes te maken zonder toezicht. Om de kans op herhaling te verkleinen is het noodzakelijk dat binnen het al lopende FAST-traject bij De Waag wordt gewerkt aan het vergroten van zijn inzicht in risico’s en gevolgen, het versterken van zijn weerbaarheid tegen negatieve beïnvloeding en het ontwikkelen van empathie en verantwoordelijkheidsbesef.
Gelet op het karakter van het feit is een vrijheidsbenemende straf passend. Teruggaan naar de gevangenis (de verdachte heeft in voorarrest gezeten) wordt echter niet wenselijk geacht, omdat de verdachte momenteel goed functioneert binnen de structuur van school, werk en het FAST-traject. De Raad vindt een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest passend, aangevuld met een voorwaardelijk deel als duidelijke stok achter de deur.
De Raad adviseert daarnaast een werkstraf op te leggen, zodat de verdachte op een concrete wijze verantwoordelijkheid leert te nemen voor zijn handelen. Tevens wordt geadviseerd het jeugdreclasseringstoezicht op te leggen, zodat toezicht en begeleiding gewaarborgd blijven en de voortgang van het FAST-traject kan worden gemonitord.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west(hierna: JB west), heeft een rapport (evaluatie plan van aanpak) opgesteld, gedateerd op 13 mei 2026.
Uit dit rapport volgt dat de verdachte meewerkt aan de behandeling bij De Waag en begeleiding door de coach. Hij heeft een baan en het bedrijf is positief over zijn functioneren. Na de zomer start hij met een BBL mbo-opleiding. Desondanks bestaan er zorgen over de ontwikkeling van de verdachte en de mate waarin hij zich aan kaders en grenzen weet te houden. Binnen de thuissituatie is er nog regelmatig sprake van conflicten met zijn ouders. Daarnaast komt het voor dat de verdachte, met name in de weekenden, wegblijft en niet bereikbaar is voor zijn ouders. Hij houdt zich dan niet aan de afspraken over thuiskomst en verblijfplaats. Bovendien zijn er zorgen over het middelengebruik van de verdachte, de invloed van zijn netwerk en de beperkte grip vanuit de thuissituatie.
[naam], werkzaam bij JB westheeft de bevindingen van het rapport bevestigd en verder ter zitting naar voren gebracht dat het nodig is om een persoonlijkheidsonderzoek af te nemen om meer inzicht te krijgen in de persoonlijkheid en denkpatronen van de verdachte.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (15 jaar) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De verdachte heeft 43 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de heftige impact op de slachtoffers (met name omdat een van hen een wapen tegen het hoofd gezet kreeg), zou een jeugddetentie van langere duur zonder meer gerechtvaardigd zijn. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat een straf die tot gevolg heeft dat de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis, niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte is. De verdachte volgt op dit moment een behandeling bij De Waag en wordt begeleid door de jeugdreclassering en een jongerencoach. Het is van belang voor zowel de verdachte als de samenleving dat dit niet wordt onderbroken door een nieuwe jeugddetentie. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het advies van de Raad, een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel strekt ertoe de reeds ingezette begeleiding en behandeling voort te zetten en het recidiverisico te beperken. De rechtbank acht het ook noodzakelijk dat meer inzicht wordt verkregen in de persoonlijkheid en denkpatronen van de verdachte. Hierbij wordt in overweging genomen dat zowel de ouders als de betrokken instanties nog onvoldoende grip lijken te hebben op wat de verdachte beweegt en welke factoren van invloed zijn op zijn gedrag.
Naast de jeugddetentie wordt een werkstraf opgelegd. Gelet op de ernst van de bewezen feiten vindt de rechtbank het passend dat de verdachte de consequenties van zijn handelen ervaart.
De officier van justitie heeft verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot diefstal vergezeld met geweld en bedreiging met geweld. Gelet op de ernst van het feit en de rapportage van de Raad, waaruit naar voren komt dat het recidiverisico hoog is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

8.1
[benadeelde partij 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag aan materiële schade van € 2.750,- bestaande uit omzetderving, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, vanwege het ontbreken van toereikende stukken ter onderbouwing van de vordering.
8.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens onvoldoende onderbouwing. Subsidiair is verzocht het gevorderde bedrag te matigen.
8.1.3.
Beoordeling
De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit inkomstenderving heeft geleden. Ten aanzien van de gevorderde omzetderving geldt echter dat niet de omzet, maar uitsluitend de gederfde winst voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering een brief van het administratiekantoor overgelegd waarin de omzetderving is begroot op € 5.900,-. Daarnaast heeft zij een brief van de verzekeraar overgelegd waaruit blijkt dat de schade na onderzoek van een expertisebureau op € 3.400,- is vastgesteld en dat dit bedrag, na aftrek van een eigen bijdrage van € 250,- is uitgekeerd door de verzekeraar. Uit deze stukken kan niet worden afgeleid dat de gederfde winst hoger is dat het door de verzekeraar vastgestelde schadebedrag van € 3.400,-. Dat zou kunnen, maar het blijkt er niet uit. De vergoeding van de eigen bijdrage van € 250,- is wel voldoende onderbouwd en komt voor toewijzing in aanmerking.
De benadeelde partij wordt daarom niet ontvankelijk verklaard voor het overige deel van haar vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag van € 250,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een ander heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Nu de vordering van de benadeelde partij voor het grootste deel niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering zal de benadeelde partij in de kosten van de verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden begroot op nihil.
8.1.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8.2
Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2] ter zake van het ten laste gelegde feit. Hij vordert een bedrag van € 176,56 aan materiële schade en een bedrag van € 8.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit (reis)kosten voor de behandelingen bij zijn psycholoog.
Daarnaast heeft als benadeelde partij zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 3] ter zake van het ten laste gelegde feit. Hij vordert een bedrag van € 747,43 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit kosten voor de behandelingen bij Mentaal beheer, die gedeeltelijk onder het eigen risico vielen.
8.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie vordert volledige toewijzing van de materiële schade. Voor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.2.2.
Standpunt verdediging
Voor wat betreft de vordering voor geleden materiële schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de verdediging verzocht de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen tot een bedrag dat aansluit bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.
8.2.3.
Beoordeling
Materiële schade
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding ook overigens niet is weersproken, zullen de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] van respectievelijk € 176,56 en € 747,43 worden toegewezen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is op deze laatste grondslag gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De benadeelde partijen hebben voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel hebben opgelopen. Uit de overgelegde medische stukken van de slachtoffers blijkt dat hun klachten passen binnen het beeld rond een posttraumatische stressstoornis (PTSS), waarvoor EMDR-behandeling is ingezet.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.
De Rotterdamse schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. Voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding vindt de rechtbank aansluiting bij de categorie 14. 2 sub d. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 2.675,- tot € 5.500,- als uitgangspunt, nu het feit nog geen jaar geleden is begaan en (nog) niet gebleken is van restklachten.
De wijze van handelen van de verdachten getuigt van een ernstig verwijtbare normschending. Hoewel de slachtoffers ieder op een andere wijze bij de overval betrokken zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat de gebeurtenis voor beiden zeer ingrijpend is geweest. Daarbij weegt de rechtbank zwaar mee dat [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op zijn hoofd gedrukt heeft gekregen en zijn zoon [slachtoffer 3] hiervan getuige was. De rechtbank acht de psychische impact zodanig ernstig en voor beide slachtoffers vergelijkbaar dat de rechtbank een gelijke vergoeding van € 5.500,- per persoon billijk acht.
De benadeelde partijen worden niet ontvankelijk verklaard voor het overige deel van hun vordering, Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente en kosten
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden immateriële schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025. Omdat de verschillende materiële schadeposten op uiteenlopende data zijn ontstaan, wordt voor de aanvang van de wettelijke rente van de materiële schade uitgegaan van één door de rechtbank te bepalen datum, namelijk vanaf 1 januari 2026.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.2.4.
Conclusie
De verdachte moet [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] een schadevergoeding betalen van respectievelijk € 5.676,56 en € 6.247,43 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring, strafbaar feiten, strafbare dader
a. verklaart bewezen dat de verdachte het de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Jeugddetentie
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
108 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
twee jaren;
i. tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan de hulpverlening die door de (jeugd)reclassering noodzakelijk wordt geacht, waaronder het FAST-traject van de Waag en begeleiding door een jongerencoach;
- gedurende de proeftijd onderwijs en werk zal blijven volgen conform het les-/werkrooster en zich zal houden aan de regels en afspraken;
- gedurende de proeftijd mee zal werken aan het uitvoeren van een persoonlijkheidsonderzoek;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers:
 [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1971;
 [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 3] 1998;
 [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 4] 1976;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Dadelijke uitvoerbaarheid
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Werkstraf
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
50 dagen;
Opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
Vordering [benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van
€ 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] te betalen
€ 250,-(hoofdsom,
zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Vordering [benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 3] te betalen een bedrag van
€ 6.247,43 (zegge: zesduizend tweehonderdzevenveertig euro en drieënveertig cent),bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 747,43 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
a. veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 3] te betalen
€ 6.247,43,-(hoofdsom,
zegge: zesduizend tweehonderdzevenenveertig euro en drieënveertig cent), bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 747,43 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Vordering [benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van
€ 5.676,56, (zegge: vijfduizend zeshonderdzesenzeventig euro en zesenvijftig cent)bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 176,56 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] te betalen
€ 5.676,56(hoofdsom,
zegge: vijfduizend zeshonderdzesenzeventig euro en zesenvijftig cent), bestaande uit € 5.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per 24 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 176,56 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. R. van den Wildenberg en P.A. Ellenbroek, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 24 september 2025 te Ridderkerk,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen
misdrijf om geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam zaak]
[naam zaak] gelegen aan [adres 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 3] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- met een afgedekt gelaat/gezicht (middels het dragen van één of meer
bivakmutsen) en/of (daarbij) in het bezit van een vuurwapen en/of mes, althans op
een vuurwapen en/of mes gelijkende voorwerpen voornoemd restaurant heeft
betreden en/of
- dit op een mes gelijkend voorwerp in de richting van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2]
heeft getoond en/of
- dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft
gezet en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd:
"Maak je zakken leeg!" en/of
- aan de broekzakken van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld;
2.
hij op of omstreeks 24 september 2025 te Ridderkerk,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een
ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een
imitatie/nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen
sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk HK45 Civil,
voorhanden heeft gehad.