ECLI:NL:RBROT:2026:948

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/10/710200 / KG ZA 25-1141
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 196 lid 2 RvArt. 197 lid 1 RvArt. 6:119 BWArtikel 4 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzage- en depotvorderingen inzake aanbesteding contractueel taxivervoer en vermeende onrechtmatige staatssteun

In dit kort geding vorderen enkele ondernemingen inzage in documenten van de gemeente en andere partijen met betrekking tot een aanbesteding voor contractueel taxivervoer en dat concurrenten die zouden hebben geprofiteerd van onrechtmatige staatssteun een bedrag van €3 miljoen in depot storten.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen om uiteenlopende redenen moeten worden afgewezen. De inzagevordering wordt afgewezen wegens gebrek aan voldoende belang, onvoldoende bepaaldheid en het feit dat de gevraagde informatie reeds in een lopende hoger beroepsprocedure aan de orde is. Daarnaast is er sprake van bedrijfsvertrouwelijke informatie en een lopend onderzoek van de Europese Commissie, wat tegen inzage pleit.

De vordering tot depot van €3 miljoen strandt op het ontbreken van spoedeisend belang. De aandelenoverdracht vond ruim een jaar geleden plaats, waardoor een depot geen marktevenwicht kan herstellen. De stelling dat het voordeel opnieuw zou worden ingezet is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank veroordeelt eiseressen tot betaling van de proceskosten van alle gedaagden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot inzage en depot af wegens gebrek aan belang en spoedeisendheid en veroordeelt eiseressen in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710200 / KG ZA 25-1141
Vonnis in kort geding van 3 februari 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TWZ CONNECT B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CETORHINUS MAXIMUS B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZORGVERVOERCENTRALE NEDERLAND B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WILLEMSEN-DE KONING GROEP B.V.,
alle statutair gevestigd te Rotterdam,
eiseressen,
hierna samen als zodanig aan te duiden en afzonderlijk als: TWZ, CM, ZCN en WKG,
advocaten: mrs. A.P.C. Hazelhoff en E. Oude Elferink,
tegen
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ROTTERDAM,
advocaten: mrs. M. van Rijn, S.H.G. Cnossen en T.M.O. Bottinga,
2. de publiekrechtelijke rechtspersoon
METROPOOLREGIO ROTTERDAM DEN HAAG,
advocaten: mrs. E.C. Smith en S.H.W. Stigter,
3. de naamloze vennootschap
ROTTERDAMSE ELECTRISCHE TRAM N.V.,
advocaat: mr. P.M. Smid,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ROTTERDAMSE TAXI CENTRALE RTC B.V.,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ROTTERDAMSE MOBILITEIT CENTRALE RMC B.V.,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RMC ROTTERDAM B.V.,
advocaten van gedaagden 4, 5 en 6: mrs. P.H.L.M. Kuypers en C.W.T. Vermeij,
alle gevestigd/gezeteld te Rotterdam,
gedaagden,
hierna samen als zodanig aan te duiden en afzonderlijk als: de gemeente, MRDH, RET, RTC, RMC en RMC Rotterdam.

1.De zaak in het kort

In dit kort geding vorderen enige ondernemingen inzage in een aantal documenten van onder meer de gemeente in verband met een aanbesteding aangaande contractueel taxivervoer. Verder vorderen zij dat door hen gedaagde concurrenten die hebben geprofiteerd van beweerdelijk genoten onrechtmatige staatssteun een bedrag van € 3 miljoen in depot storten. Deze vorderingen worden om uiteenlopende redenen afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 18 november 2025
- de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 19 van eiseressen
- de akte houdende overlegging producties 20 tot en met 41 van eiseressen
- de conclusie van antwoord van de gemeente
- de conclusie van antwoord van MRDH, met twee producties
- de conclusie van antwoord van RTC, RMC en RMC Rotterdam, met twaalf producties
- de brief van 19 januari 2026 van RTC, RMC en RMC Rotterdam, waarin de conclusie van antwoord op twee punten wordt gerectificeerd
- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van eiseressen
- de pleitnota van de gemeente
- de pleitnota van MRDH
- de pleitnota van RET
- de pleitnota van RTC, RMC en RMC Rotterdam.

3.De feiten

Partijen
3.1.
TWZ, CM en ZCNbehoren tot de BIOS-groep.
WKGopereert los van de BIOS-groep, maar houdt wel 50% van de aandelen in TWZ. Alle eiseressen zijn actief op de Nederlandse markt voor contractueel taxivervoer ten behoeve van speciale doelgroepen met een supra-regionaal of nationaal karakter. CM is de managementvennootschap van de BIOS-groep. De bestuurder van CM is Sardina Management B.V. Enige bestuurder van Sardina Management B.V. is de heer [persoon A] . [persoon A] is samen met mevrouw [persoon B] en de heer [persoon C] bestuurder bij TWZ. [persoon B] is daarnaast directeur en bestuurder bij ZCN en [persoon C] directeur-grootaandeelhouder bij WKG.
3.2.
RETis een zelfstandig openbaarvervoersbedrijf dat actief is in de stadsregio Rotterdam. RET biedt onder andere op basis van concessies vervoer per metro, bus en tram aan. De gemeente houdt 99,18 % van de geplaatste aandelen in RET. MRDH houdt een geplaatst bijzonder aandeel in RET van 0,82 %.
3.3.
MRDHis een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een openbaar lichaam zoals bedoeld in de Wet op de gemeenschappelijke regelingen, waarin 21 gemeenten in de metropoolregio Rotterdam Den Haag deelnemen. Zij is aangewezen als vervoerregio en daarmee zijn aan haar wettelijke taken op het gebied van verkeer en openbaar vervoer toegekend die zijn belegd bij de Gedeputeerde Staten van provinciebesturen. De deelnemende gemeenten hebben aan MRDH eigen taken en verantwoordelijkheden overgedragen, zoals het stimuleren van de economie, die worden bekostigd via een bijdrage van de gemeenten aan MRDH. De uitvoering van het contractueel taxivervoer is door de deelnemende gemeenten uitdrukkelijk niet overgedragen aan MRDH. Het bijzondere aandeel van 0,82% dat MRDH in RET houdt, maakt mogelijk dat concessies openbaar (personen-)vervoer (per bus en lokaal spoor) rechtstreeks op basis van quasi-inbesteding gegund kunnen worden aan RET.
3.4.
RTCis een samenwerkingsverband van circa 150 taxiondernemingen in Rotterdam die een per partij wisselend aantal aandelen houden in RTC. CM houdt (indirect) een klein minderheidsbelang in RTC. RTC biedt in de regio Rotterdam taxidiensten aan, waaronder regulier personenvervoer, ziekenvervoer en doelgroepenvervoer. RTC fungeert vaak als onderaannemer van RMC.
3.5.
RMCen (één van) haar dochteronderneming(en)
RMC Rotterdambieden (o.a.) contractueel taxivervoer aan, waaronder doelgroepen- en groepsvervoer.
3.6.
RMC en CM houden ieder 50% van de aandelen in Transvision B.V. Transvision is eveneens actief op het gebied van contractueel taxivervoer. Transvision voert (na verlenging) tot en met 30 september 2026 het grootste doelgroepenvervoercontract in Nederland uit, het Valys-contract.
3.7.
Eiseressen enerzijds en RMC en RMC Rotterdam anderzijds zijn directe concurrenten van elkaar.
De overdracht van de aandelen in RMC door RET aan RTC
3.8.
In 2019 heeft de directie van RET het besluit genomen over te gaan tot verkoop van de door haar gehouden 49 aandelen in RMC (die een belang van (ongeveer) 50% in het kapitaal van RMC vertegenwoordigden [1] ), indien en zodra een lening van RET aan RMC zou zijn afgelost. Die aflossing heeft kennelijk in 2022 of begin 2023 plaatsgevonden.
3.9.
In de periode vanaf maart 2023 is vanuit RET, met vanaf augustus 2023 en in 2024 ondersteuning van Yes Corporate Finance B.V., een propositie gedaan voor de (onderhandse) verkoop via een biedprocedure, met ‘
due diligence’, van de door RET gehouden aandelen in RMC, het zogeheten Project Maas.
Daarop hebben uiteindelijk slechts vier serieus geïnteresseerden gereageerd, zoals blijkt uit het hiernavolgende biedingsschema (biedingen op RMC, in- en exclusief Transvision):
3.10.
De BIOS-groep, als laatst overgebleven geïnteresseerde in het biedproces, heeft zich op 6 februari 2024 definitief teruggetrokken uit dat proces.
3.11.
Op 26 februari 2024 heeft RTC een bod gedaan op de aandelen van RET in RMC. RET en RTC hebben nadien gesproken over onder meer de financiering van de aandelenverkoop. Die gesprekken hebben ertoe geleid dat de betrokken partijen in juni 2024 de voorwaarden voor de aandelentransactie op hoofdlijnen hebben vastgesteld. Vervolgens hebben RET en RTC, blijkens de ‘Term Sheet’ die namens RET en RTC is ondertekend op 3 september 2024, een overeenkomst gesloten waarin de voorgenomen overdracht van de door RET gehouden aandelen in RMC aan RTC voor de koopprijs van € 3,5 miljoen definitief is uiteengezet. Na positief advies van de raad van commissarissen van RET zijn de aandeelhouders van RET met de verkoop akkoord gegaan.
3.12.
RET en RTC hebben op 10 december 2024 de koop-/verkoopovereenkomst van de aandelen in RMC gesloten. Na de verkregen instemming van (het college van B&W van) de gemeente heeft de notariële overdracht van de aandelen in RMC aan RTC op 18 december 2024 plaatsgevonden tegen een koopprijs van € 3,5 miljoen in contanten, zonder dat daaraan een kooplening ten grondslag lag. RTC is daarmee de enig aandeelhouder van RMC geworden. Sinds de aandelenoverdracht vormen RTC en RMC (en haar dochterondernemingen) samen één concern.
3.13.
de aanbesteding
3.13.1.
Op 14 juli 2024 heeft de gemeente de Europese openbare aanbesteding ‘Doelgroepenvervoer’ via Tenderned aangekondigd. De geraamde waarde van de opdracht was € 320 miljoen. Onder andere TWZ (met Trevvel, de zittende contractant, als onderaannemer), RMC Rotterdam en Transvision hebben ingeschreven op de aanbesteding. De opdracht is op 3 juni 2025 voorlopig gegund aan RMC Rotterdam. TWZ en Transvision zijn op de tweede en derde plaats geëindigd.
3.13.2.
TWZ heeft tegen de voorlopige gunning van de opdracht op 13 juni 2025 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft de gemeente op 1 juli 2025 afgewezen. Vervolgens heeft TWZ tegen de gemeente een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt om zo te voorkomen dat de opdracht definitief aan RMC Rotterdam zou worden gegund. TWZ was van mening dat de offerte van RMC Rotterdam terzijde geschoven had moeten worden vanwege een ernstige beroepsfout en op basis van
past performance. Daarnaast was TWZ van mening dat er sprake was van een onjuiste scoretoekenning. RMC Rotterdam en Transvision zijn in die kortgedingprocedure tussengekomen. De door TWZ in het kort geding ingestelde vorderingen die dus strekten tot ingrijpen in de aanbestedingsprocedure zijn bij vonnis van 14 oktober 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen. Het door TWZ ingestelde hoger beroep tegen dit vonnis loopt nog. In het hoger beroep is op 13 januari 2026 een memorie van antwoord genomen.
3.13.3.
De gemeente heeft de opdracht ‘Doelgroepenvervoer’ op 21 oktober 2025 definitief aan RMC Rotterdam gegund.
3.13.4.
In het petitum van de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende grieven van 30 oktober 2025 onder 3 heeft TWZ gevorderd de gemeente te gebieden:
“(…) afschriften te verstrekken van (i) alle informatie en documenten die samenhangen met het besluit tot de verkoop van de aandelen in RMC door de RET in het bijzonder waar het de bepaling van de koopprijs betreft (…)”.
De gewenste inzage
3.14.
Naar aanleiding van een verzoek van 7 juli 2025 aan de gemeente van een particulier gerelateerd aan (één of meer van) eiseressen heeft de gemeente, op basis van een besluit van 30 september 2025 in de zin van de Wet open overheid (Woo) op 6 oktober 2025 informatie over het verkooptraject van de aandelen in RMC publiek gemaakt. Aan MRDH was een soortgelijk verzoek gedaan. MRDH heeft de openbaarmaking door de gemeente bij besluit van 7 oktober 2025 bekrachtigd.
3.15.
Eiseressen hebben iedere (cluster van) gedaagde(n) afzonderlijk op 10 november 2025 gesommeerd om inzage in of afschrift van gegevens te verstrekken ten behoeve van het bepalen van de rechtspositie van eiseressen.
3.15.1.
Op 18 november 2025 heeft MRDH afwijzend op deze sommatie gereageerd. Zij schrijft onder meer:
“(…) U stelt dat wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden. MRDH deelt uw standpunt niet.
U baseert uw verzoek op de stelling dat sprake zou zijn van onrechtmatige staatssteun en dat de opgevraagde stukken essentieel zijn voor het bepalen van de rechtspositie van uw cliënte, TWZ (…). Deze stelling wordt echter op geen enkele wijze feitelijk of juridisch onderbouwd. Een enkele, niet-gemotiveerde aanname is onvoldoende om een rechtmatig voldoende belang als bedoeld in artikel 194 Rv Pro aannemelijk te maken. U voldoet dus niet aan de wettelijke voorwaarden.
Voor zover er wel een inzagerecht zou bestaan, prevaleren de gewichtige redenen van MRDH om de inzage te weigeren:
  • De door u verzochte stukken zijn reeds door de gemeente Rotterdam openbaar gemaakt, zij het in gelakte vorm. MRDH ziet geen grondslag waarom TWZ recht zou hebben op de ongelakte versies, welke vertrouwelijke bedrijfsinformatie van een concurrent bevatten. Het beschermen van deze concurrentiegevoelige gegevens vormt een gewichtige reden voor weigering.
  • Voor zover uw verzoek betrekking heeft op aanvullende documenten die nog niet openbaar zijn gemaakt, stelt MRDH zich op het standpunt dat zij deze documenten niet onder haar berusting heeft.
Gezien het bovenstaande is MRDH van oordeel dat uw verzoek tot inzage op grond van artikel 194 Rv Pro geen juridische basis heeft.
(…)”
3.15.2.
RTC en RMC hebben op 16 januari 2026 gehoor gegeven aan de sommatie en een aantal stukken aan eiseressen verstrekt.
3.15.3.
De gemeente en RET hebben niet op het verzoek van eiseressen gereageerd.
In verband met de staatssteunvordering
3.16.
Stolwijk & Van Wijk B.V. heeft op verzoek van eiseressen op 12 januari 2026 een opinie verstrekt over de marktconformiteit van de door RTC aan RET betaalde koopprijs voor de aandelen in RMC. Zij komt tot de volgende slotsom:
“Uit het bovenstaande maken wij op dat de waarde van de aandelen in RMC substantieel hoger was ten tijde van de aankoop dan de Koopsom:
  • De Koopsom was ongeveer gelijk aan 50% van de kasmiddelen op transactiedatum. Er is dan ook geen enkele waarde toegekend aan de te verwachten toekomstige kasstroom. Dat is niet begrijpelijk.
  • Voor RTC is er sprake van een
3.17.
Eiseressen hebben recent een klacht ingediend bij de Europese Commissie over de beweerdelijke ongeoorloofde staatssteunverlening door de gemeente/RET aan RTC en RMC (Rotterdam).

4.Het geschil

4.1.
Eiseressen vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
RTC en RMC hoofdelijk te veroordelen om binnen een termijn van 72 uur na betekening van het in het onderhavige kort geding te wijzen vonnis te bewerkstelligen dat het onrechtmatige voordeel ten bedrage van € 3 miljoen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 december 2024, op een geblokkeerde en door een onafhankelijke derde beheerde rekening wordt geplaatst met de verplichting het betreffende bedrag onaangeroerd te (doen) laten tot de blokkering eventueel ingevolge een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in de bodemprocedure dient te worden opgeheven, één en ander met de verplichting eiseressen over de betreffende blokkering te informeren en op straffe van het hoofdelijk verbeuren van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat RTC en RMC niet of niet geheel aan de onderhavige veroordeling voldoen, tot een maximum van € 1.000.000,-;
de gemeente, MRDH, RET, RTC en RMC ieder te bevelen binnen een termijn van 72 uur na betekening van het in onderhavige kort geding te wijzen vonnis inzage in of afschrift van de documenten bedoeld in bijlage 1 bij de dagvaarding te verstrekken of te onderbouwen waarom aan het onderhavige bevel geen gevolg kan worden gegeven, één en ander op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij niet of niet geheel aan de onderhavige veroordeling voldoen, tot een maximum van € 1.000.000,-; en
gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding.
4.2.
De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eiseressen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eiseressen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.3.
MRDH voert verweer en concludeert tot ontzegging van eiseressen in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing van het inzageverzoek jegens MRDH, met veroordeling van eiseressen in de kosten van deze procedure.
4.4.
RET voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eiseressen.
4.5.
RTC, RMC en RMC Rotterdam voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van eiseressen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eiseressen in de (na)kosten van deze procedure (rekening houdend met één schriftelijk stuk en een mondelinge behandeling), te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro. RTC, RMC en RMC Rotterdam concluderen er voorts toe dat ook bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van eiseressen een proceskostenveroordeling van eiseressen op zijn plaats is, gelet op de proceshouding van eiseressen.

5.De beoordeling

5.1.
Eiseressen hebben in dit kort geding RMC Rotterdam gedagvaard, maar hebben tegen haar geen vordering(en) gericht. De voorzieningenrechter beschouwt RMC Rotterdam daarom als door eiseressen onterecht in rechte betrokken en zal RMC Rotterdam in dit kort geding verder buiten beschouwing laten.
5.2.
Ter beoordeling liggen hierna dus nog voor de geschillen die bestaan in de rechtsverhouding tussen eiseressen en de overgebleven gedaagden: de gemeente, MRDH, RET, RTC en RMC.
5.3.
De gemeente, RET, RTC en RMC hebben, kort gezegd, betoogd dat de onderhavige zaak ongeschikt is om in kort geding te worden behandeld. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet, omdat het geschil vanuit feitelijk en juridisch oogpunt niet zo ingewikkeld en omvangrijk te achten is dat beslechting daarvan in kort geding niet mogelijk is.
Inzagevordering
5.4.
Als eerste komt aan de orde de inzagevordering onder 2 gericht tot (de overgebleven) gedaagden. In de dagvaarding hebben eiseressen deze vordering enkel gebaseerd op het bepaalde in artikel 194 Rv Pro. Ter zitting hebben zij de grondslag van de vordering aangevuld in die zin dat zij de gevraagde inzage mede wensen te baseren op het bepaalde in de artikelen 197 lid 1 en 196 lid 2 Rv. Daartegen hebben de gemeente en RET bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter honoreert dat bezwaar niet. In het licht van de aard van deze kortgedingprocedure acht de voorzieningenrechter de aanvulling voldoende tijdig gedaan en, gelet op de spreektijd die aan ieder van gedaagden is gegund en die zij feitelijk ook hebben ingevuld met het voeren van inhoudelijk verweer tegen (de aangevulde grondslag van) de inzagevordering, niet in strijd met de goede procesorde. De voorzieningenrechter begrijpt de inzagevordering daarmee aldus dat eiseressen bedoeld hebben de vordering onder 2 te baseren op artikel 194 Rv Pro in samenhang met artikelen 197 lid 1 en 196 lid 2 Rv.
5.5.
Artikel 194 Rv Pro ziet op een buitengerechtelijk inzageverzoek. Als een wederpartij of een derde niet meewerkt aan een buitengerechtelijk inzageverzoek, zoals hier het geval is, kan ingevolge het bepaalde in artikel 197 lid 1 Rv Pro in spoedeisende gevallen het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens aan de voorzieningenrechter in kort ding worden gedaan. In dat geval kan dat worden ingeleid met een dagvaarding (anders dan de gemeente en RET menen). In dat geval gelden de criteria van artikel 196, lid 2 Rv. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; d. sprake is van misbruik van bevoegdheid, of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De afwijzingscriteria vormen geen van elkaar afgescheiden criteria, maar lopen in elkaar over en kunnen om die reden naast elkaar van toepassing zijn.
5.6.
In bijlage 1 bij de dagvaarding, welke bijlage aan dit vonnis is aangehecht, hebben eiseressen schematisch weergegeven in welke gegevens zij van welke gedaagde(n) inzage wensen te krijgen. De voorzieningenrechter overweegt per in het schema opgenomen randnummer als volgt:
-
randnummers (i), (iv) tot en met (vi): tussen partijen staat vast dat deze gegevens al aan eiseressen zijn verstrekt. Partijen zijn het erover eens dat met het overhandigd zijn van de meest recente versie van de aandeelhoudersovereenkomst kan worden volstaan (daargelaten of deze getekend is, dat is ter zitting in het midden gebleven). De conclusie is dan ook dat eiseressen bij de gevorderde inzage van de stukken genoemd in deze randnummers geen belang (meer) hebben;
-
randnummer (ii): gesteld noch gebleken is wat het belang van eiseressen is bij de inzage in het integrale aandeelhoudersregister van RMC. Voor eiseressen is in het licht van de onderhavige kwestie enkel relevant te achten wie houder was van de aandelen in RMC in de periode vlak voor en tijdens het verkooptraject tot het moment van het geëffectueerd zijn van de overdracht, wat reeds afdoende blijkt uit de notariële leveringsakte van 18 december 2024 die eiseressen verstrekt hebben gekregen;
-
randnummers (iii) en (vii): het belang van eiseressen bij inzage in de onder (vii) gevraagde informatie over de lening die RMC volgens eiseressen bereid was aan RTC te verstrekken (als voorschot op een dividenduitkering) ontbreekt, omdat niet langer in geschil is dat een dergelijke lening niet is verstrekt. Evenmin is in geschil dat geen lening door RET aan RTC is verstrekt (voor de betaling van de aandelen in RMC) en dat daartoe ook geen AvA-besluit is genomen en dit stuk dus ook niet bestaat;
-
randnummers (viii), (ix) en (x): uitgangspunt van de huidige wettelijke regeling is dat de verstrekking van documenten zoveel mogelijk plaats vindt in het kader van de lopende procedure waarvoor die documenten van belang zijn en dat daarover wordt beslist door de rechter bij wie die procedure in behandeling is. In dit geval is in de onder 3.13.2 en 3.13.4 . genoemde appelprocedure van het aanbestedingskortgeding ook de gestelde verboden staatssteun aan de orde gesteld. Van belang is dus of in dat hoger beroep al om de informatie die in deze randnummers wordt gevraagd is verzocht. Blijkens het petitum onder 3 in de als productie 11 van RTC en RMC overgelegde hoger beroep dagvaarding is dat inderdaad het geval. Daaruit blijkt immers dat ten laste van de gemeente een gebod is gevraagd om aan TWZ alle informatie over de verkoop van de aandelen in RMC te verstrekken. De informatie gevraagd onder randnummers 8, 9 en 10 valt hieronder. Voor wat betreft de gemeente geldt dus dat hiervoor al een inzagevordering aanhangig is. Omdat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de gemeente niet alle informatie zou verstrekken, als de tot haar gerichte inzagevordering in hoger beroep wordt toegewezen en zij de gevraagde informatie in bezit heeft, ontbreekt voorshands voldoende belang van eiseressen bij het vragen van inzage in dezelfde informatie aan de andere gedaagden (RET, RTC en RMC). Immers, van de koper, RTC, en de vennootschap, RMC, is niet te verwachten dat zij meer informatie over
het verkooptraject, zoals is gevraagd, in bezit hebben dan de gemeente. Voor zover RET als verkoper meer informatie tot haar beschikking heeft dan de gemeente geldt dat bij een veroordeling van de gemeente in hoger beroep verwacht mag worden dat zij de informatie, voor zover zij die dus niet zelf heeft maar RET wel, opvraagt bij RET van welke vennootschap zij grootaandeelhouder is. Los van de ook enigszins onbepaalde aard van dit deel van de vordering, geldt dus ook hier dat aan de zijde van eiseressen sprake is van onvoldoende belang bij de gevorderde inzage;
-
randnummers (xi) tot en met (xiii): de hier gevraagde informatie is te weinig concreet en onvoldoende bepaald, omdat deze niet (specifieker) beperkt is in tijd en zoektermen en dus neerkomt op een ‘
fishing expedition’. Bij inzage in de onder (xii) gevraagde informatie over de lening bestaat geen belang omdat een dergelijke lening nimmer is verstrekt;
-
randnummer (xiv): tussen partijen is niet langer in geschil dat er geen taxaties zijn verricht. Dan geldt dat wat er niet aan informatie is, ook niet verstrekt kan worden. Bij dit deel van de inzagevordering hebben eiseressen dus (ook) geen belang.
5.7.
De inzagevordering onder 2 wordt dus reeds vanwege gebrek aan voldoende belang dan wel onvoldoende bepaaldheid integraal afgewezen. Daarbij komt dat niet aannemelijk is dat eiseressen voldoende spoedeisend belang bij de inzagevordering hebben in die zin dat niet behoorlijk is toegelicht waarom van hen niet gevergd kan worden dat ze de beslissing op de inzagevordering in de appelprocedure afwachten. Dat het efficiënt zou zijn om die stukken nu vast te vragen volstaat niet, gelet op voornoemd uitgangspunt van concentratie van bewijsverrichtingen.
In het midden kan verder blijven het antwoord op de vragen of sprake is van een rechtsbetrekking tussen één of meer van de betrokken partijen (mede bezien in het licht van het bepaalde in artikel 195a Rv) en of sprake is van gewichtige redenen die zich verzetten tegen inzage.
Over een rechtsbetrekking met MRDH merkt de voorzieningenrechter enkel op dat, hoewel de onder randnummers (iv), (xi), (xiii) en (xiv) genoemde informatie wel van deze minderheidsaandeelhouder van RET wordt gevorderd, voorshands aannemelijk is dat zij in feite buiten deze kwestie staat. Immers, gebleken is dat zij ten aanzien van de verkoop van de aandelen in RMC van RET aan RTC geen invloed van betekenis had noch daarbij partij was en ook niet over (meer) relevante informatie beschikt dan die 1) bij het Woo-verzoek via de gemeente openbaar is gemaakt en 2) zij alsnog in dit kort geding als producties 1 en 2 heeft overgelegd.
Bij het tweede aspect - de gewichtige redenen - overweegt de voorzieningenrechter dat het verweer van meerdere gedaagden dat de gegevens waarvan inzage wordt gevraagd bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten niet te veronachtzamen is, gelet op de vaststaande concurrentieverhouding tussen partijen. Dat pleit op het eerste gezicht tegen inzage. Dit geldt sterker nu de Europese Commissie als toezichthouder op de naleving van de staatssteunregels naar aanleiding van de recent ingediende klacht van eiseressen een met waarborgen omgeven en vertrouwelijkheid geborgd onderzoek kan doen naar de gestelde onrechtmatige staatssteunverlening en in het kader van een dergelijk onderzoek inzage kan verlangen in de relevante stukken.
Al het voorgaande leidt ertoe dat het door MRDH naar voren gebrachte aspect van het verstrekken van ongelakte documenten ook geen nadere bespreking behoeft. Eenzelfde lot treft de gevorderde (overigens onredelijk korte) afgiftetermijn van 72 uur en de gevorderde dwangsom.
Staatssteunvordering
5.8.
De vordering onder 1 strandt vanwege gebrek aan spoedeisend belang. Daarvoor zijn de volgende aspecten van belang.
- Vooropgesteld wordt dat de loyaliteitsverplichting [2] van de Nederlandse rechter om mee te werken aan Unierechtelijke regels waaraan de Staat is gebonden (en afgeleid daarvan de gemeente en mogelijk ook RET) meebrengt dat onder omstandigheden de effecten van verboden staatssteun (als hiervan sprake is) geneutraliseerd moeten worden.
- In dit kort geding kan het onverwijld treffen van een voorlopige neutraliserende maatregel evenwel niet aan de orde zijn, omdat sprake is van een situatie ‘achteraf’ (terwijl geen (negatief ) besluit van de Europese Commissie bestaat waartegen beroep is ingesteld). RET heeft haar aandelenbelang in RMC immers al op 18 december 2024 aan RTC overgedragen tegen betaling van € 3,5 miljoen. Als eiseressen gevolgd zouden moeten worden in hun stelling dat sprake is van staatssteun, was die steun dus reeds op genoemde transactiedatum verleend met op dat moment de mogelijke marktverstorende consequenties van dien. Het nu treffen van de gevorderde maatregel tot depotverlening kan in de situatie van destijds geen verandering meer brengen. Anders verwoord: de mogelijk plaatsgevonden concurrentieverstoring op de markt kan met de gevorderde maatregel niet meer worden voorkomen noch kan het marktevenwicht dat voor de beweerdelijke steunverlening bestond door een depot worden behouden.
Aangenomen wordt dat het peilmoment van steunverlening in de zin van het staatssteunrecht in de periode ligt 1) rond het moment van het vaststellen van de voorwaarden van de aandelentransactie (welk overleg in juni 2024 en tijdens de toen gehouden aandeelhoudersvergadering serieuze vormen aannam), 2) in de op dat moment gegeven juridische, bedrijfsmatige en financieel-economische situatie die ook een risico inschatting voor de toekomst vraagt (zoals die ten aanzien van de op dat moment nog onzekere uitkomst van de claim die CM in rechte pretendeerde te hebben op de aandelen in Transvision), 3) tot het moment van het plaatsvinden van de aandelenoverdracht, en dus niet (ook) nog op dit moment. Uit de onderbouwing van de stelling van eiseressen dat sprake is geweest van een niet-marktconforme prijs voor de aandelen kan worden afgeleid dat de conclusie die eiseressen trekken mede is ingegeven door latere ontwikkelingen. Dat volstaat niet om voorshands aannemelijk te maken dat destijds de verkoopprijs niet marktconform was en zeker niet dat om die reden nu moet worden ingegrepen op de door eiseressen gevorderde wijze.
- Volgens eiseressen is de maatregel onverwijld aangewezen vanwege de vrees die zij hebben dat grootmoeder RTC, dochter RMC en kleindochter RMC Rotterdam het gesteld verkregen voordeel van (minimaal) € 3 miljoen in de toekomst op marktverstorende wijze zullen inzetten. Die gedachtegang volgt de voorzieningenrechter niet. Gelet op de eigen stelling van eiseressen die erop neerkomt dat RTC, RMC en RMC Rotterdam het voordeel al hebben gebruikt door in de aanbesteding over het doelgroepenvervoer met een (zonder verleende staatssteun feitelijk verlieslatende) ‘bodemprijs’ in te schrijven, is hun vrees op herhaalde inzet van het voordeel onvoldoende onderbouwd. RTC en RMC hebben bovendien gemotiveerd betwist dat zij als gevolg van de vermeende aankoop van de aandelen tegen een te lage prijs de beschikking hebben gekregen over liquide middelen (van (minimaal) € 3 miljoen) en dat zij daarmee een ‘oorlogskas’ hebben of hadden. Dat ligt ook niet in de rede. Zij hebben hoogstens een (onterechte) besparing gerealiseerd, maar dat er nu spoedeisend belang zou bestaan bij het in depot brengen van een ruim een jaar geleden niet daadwerkelijk (maar slechts boekhoudkundig) beschikbaar gekomen bedrag van € 3 miljoen in afwachting van de uitkomst van een nog te initiëren bodemprocedure (en/of een onderzoek in de pas recent gestarte procedure bij de Europese Commissie) valt niet in te zien. Daarbij is nog daargelaten dat een dergelijke remedie bij een vermoeden van staatssteun slechts bij hoge uitzondering redelijk en in overeenstemming met proportionaliteit en subsidiariteit zou zijn.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere geschilpunten, zoals het “onder curatele staan” van RET, het advies van RET-juristen om vanuit staatssteunoogpunt af te zien van het verstrekken van een verkoperslening, de toerekening van de kennis van CM (indirect in de persoon van [persoon A] ) aan eiseressen, de waarde van het deskundigenbericht en de vraag wie wanneer was uitgenodigd om een bod te doen geen bespreking.
5.9.
Eiseressen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van gedaagden betalen. RMC Rotterdam heeft geen eigen kosten gemaakt. De proceskosten van de gemeente, MRDH, RET (ambtshalve), RTC en RMC worden voor iedere (cluster van) partij(en) afzonderlijk (volgens het gebruikelijke in kort geding gehanteerde liquidatietarief) begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.020,00
5.10.
De door de gemeente en RTC/RMC gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt eiseressen in de proceskosten van de gemeente van € 2.020,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.3.
veroordeelt eiseressen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van de gemeente als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
veroordeelt eiseressen in de proceskosten van MRDH van € 2.020,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.5.
veroordeelt eiseressen in de proceskosten van RET van € 2.020,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.6.
veroordeelt eiseressen in de proceskosten van RTC en RMC van € 2.020,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.7.
veroordeelt eiseressen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van RTC en RMC als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
1734/106

Voetnoten

1.In het kapitaal van RMC zijn geplaatst en volgestort 49 gewone aandelen AI, 49 gewone aandelen AII en één aandeel B. De aandelen die RET voor verkoop en levering hield waren genummerd AII 1 tot en met 49.
2.Zie artikel 4 lid 3 Verdrag Pro betreffende de Europese Unie en de mededeling van de Europese Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties.