ECLI:NL:RBSGR:1998:AA5505

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 maart 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 99/6165
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Minister van Buitenlandse Zaken in proceskosten na intrekking beroep

Eiser diende op 2 juli 1999 een beroepschrift in tegen een besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 1999. Vervolgens trok de Minister het besluit in en besloot opnieuw op het bezwaar van eiser, waarop eiser het beroep introk en verzocht om veroordeling van de Minister in de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot proceskostenveroordeling gegrond was op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De proceskosten werden vastgesteld op 710 gulden conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Eiser had tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend, maar de rechtbank verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat de Awb geen grondslag biedt voor een uitspraak over schade na intrekking van het beroep.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat het door eiser betaalde griffierecht van 225 gulden door de Staat der Nederlanden moet worden vergoed. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 1998.

Uitkomst: De Minister van Buitenlandse Zaken wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, terwijl het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Vreemdelingenkamer
__________________________________________________
UITSPRAAK ingevolge artikel 8:75a Algemene wet
bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr: AWB 99/6165 S1813
Inzake: A wonende te B, eiser,
gemachtigde drs. M.A. Spaans, advocaat te 's-Gravenhage,
tegen: Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
gemachtigde mr. R. van Ekeren, ambtenaar ten departemente.
I. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, juncto artikel 8:75, juncto 8:84, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die de indiener van het
beroep- of verzoekschrift in verband met de behandeling daarvan redelijkerwijs heeft moeten maken, indien de indiener het beroep heeft ingetrokken omdat geheel of gedeeltelijk aan hem is tegemoetgekomen en hij bij intrekking om
veroordeling in de
kosten heeft verzocht.
2. Op 2 juli 1999 is namens eiser een beroepschrift ingediend ten aanzien van verweerders besluit van 9 juni 1999. Op 29 september 1999 is verweerder alsnog aan eiser tegemoetgekomen door het besluit van 9 juni 1999 in te trekken en
vervolgens op 7 januari 2000 opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen. Eiser heeft daarop bij schrijven van 11 januari 2000 onderhavig beroep ingetrokken en verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten betreffende de
gehele procedure. Tevens heeft eiser de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de door hem geleden, materiële en immateriële, schade.
3. De rechtbank acht termen aanwezig het verzoek om een proceskostenveroordeling, voorzover betreffende het verzoek om de kosten die eiser heeft moeten maken in verband met het beroepschrift, ingevolge artikel 8:75, eerste lid, Awb
gegrond te achten.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder derhalve met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze
kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 710,-- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1).
5. Voorzover eiser heeft beoogd om in het kader van de onderhavige procedure een verzoek om een schadevergoeding in te dienen overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank heeft geen mogelijkheid om een uitspraak te doen over de door eiser gestelde schade. Gelet op het bepaalde in artikel 8:73, eerste lid, Awb ontbreekt de grondslag om in het kader van de onderhavige procedure een
uitspraak te doen over de schade, nu het beroep is ingetrokken. Hetzelfde geldt voor vergoeding van proceskosten in bezwaar.
6. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,- ingevolge artikel 8:41, vierde lid, Awb door de Staat der Nederlanden dient te worden vergoed.
II. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
1. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep ad f 710,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;
2. verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mrs. M.C.J.A. Huijgens, M.J. van der Ven en M. van Paridon en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 1998, in tegenwoordigheid van mr. C.M.N. Menten, griffier.
afschrift verzonden op: 22 maart 2000