ECLI:NL:RBSGR:1998:AA6560

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 december 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 98/6942
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a VwArt. 3:45 AwbArt. 8:84 AwbArt. 30 lid 3 VwArt. 33a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid administratief beroep tegen inname paspoort vreemdeling

Verzoeker, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, betwist de inname van zijn paspoort door de korpschef van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond op 10 september 1998. Hij stelt dat de inname onrechtmatig was omdat hij toen rechtmatig in Nederland verbleef in afwachting van een verblijfsvergunning.

Op 15 oktober 1998 stelde verzoeker administratief beroep in tegen de inname, maar dit was na de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken, zoals bepaald in artikel 30, derde lid, van de Vreemdelingenwet. Hoewel het ontvangstbewijs geen verwijzing naar rechtsmiddelen bevatte, oordeelt de rechtbank dat dit niet leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mede gelet op jurisprudentie.

Verzoeker had gedurende de periode contact met een rechtshulpverlener en had dus tijdig kunnen vernemen binnen welke termijn een rechtsmiddel moest worden ingesteld. Er zijn geen andere argumenten aangevoerd die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. Daarom is het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard, en het verzoek om voorlopige voorziening eveneens.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het administratief beroep tegen de inname van het paspoort is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
fungerend president
PROCES-VERBAAL VAN
M O N D E L I N G E U I T S P R A A K
ex artikel 8:84, vierde lid, Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr.: AWB 98/6942 VRWET H
inzake: A, geboren op [...] 1969, van Marokkaanse
nationaliteit, wonende/verblijvende te B, hierna te
noemen: verzoeker,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.
Tegenwoordig: mr E.L. Grosheide, fungerend president, en mr J. Kroon, griffier.
Terechtzitting: 4 december 1998.
Verzoeker is vertegenwoordigd door mr L.J. van Rooijen, advocaat te Rotterdam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr H.S. Poppens, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Het geschil betreft de inname door verweerder van verzoekers paspoort op 10 september 1998. Verzoeker acht deze onrechtmatig, omdat het hem ten tijde daarvan was toegestaan in Nederland te verblijven, hangende de behandeling van een
door hem ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning.
Bij mondelinge uitspraak van 10 december 1998 heeft de fungerend president het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Aan deze uitspraak liggen de navolgende overwegingen ten grondslag.
Op 10 september 1998 heeft de korpschef van regiopolitie te Rotterdam- Rijnmond het paspoort van verzoeker ingenomen en verzoeker hiervoor een ontvangstbewijs afgegeven.
Verzoeker heeft op 15 oktober 1998 administratief beroep ingesteld tegen de inname van zijn paspoort.
De president stelt voorop dat de inname van het paspoort moet worden beschouwd als een handeling als bedoeld in artikel 1a Vw, die vatbaar is voor bezwaar respectievelijk (administratief) beroep. Op grond van art 30, derde lid, Vw
geldt voor het indienen van een bezwaar- of administratief beroepschrift een termijn van vier weken.
De door verzoeker bestreden handeling dateert van 10 september 1998.
Verzoeker heeft op diezelfde datum kennis gekregen daarvan. Nu eerst op 15 oktober 1998 administratief beroep is ingesteld, is de wettelijke termijn derhalve overschreden.
Hoewel moet worden aangenomen dat op het ontvangstbewijs geen verwijzing naar de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen stond vermeld, betekent dit, anders dan gesteld, op zich zelf niet reeds dat de termijnoverschrijding
verschoonbaar is.
De president verwijst in dit verband naar jurisprudentie, waarin is geoordeeld dat het enkele feit dat de op grond van 3:45 Awb vereiste rechtsmiddelenclausule ontbreekt, niet tot verschoonbaarheid van termijnoverschrijding leidt
(zie onder meer ARRS NA 1997, 345). Die jurisprudentie moet naar het oordeel van de president ook van toepassing worden geacht op handelingen in de zin van art 1a Vw, die in de regel een rechtsmiddelenclausule zullen ontberen.
Gebleken is dat verzoeker in de periode van de inname van het paspoort contact had met een rechtshulpverlener in verband met een aantal vreemdelingenrechtelijke procedures. Hij moet dan ook geacht worden tijdig te hebben kunnen
vernemen binnen welke termijn een rechtsmiddel moest worden aangewend. Ook overigens zijn er geen argumenten aangevoerd die de overschrijding verschoonbaar kunnen maken.
Op grond van het vorenstaande gaat de president er van uit dat verzoeker in zijn administratief beroep tegen de inname van het paspoort niet- ontvankelijk is. Het verzoek om een voorlopige voorziening ontbeert aldus een connexe
bodemprocedure, zodat dit evenmin ontvankelijk is.
Gelet op het vorenoverwogene kan in het midden blijven of er hier sprake was van een spoedeisend belang.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
afschrift verzonden: 16 december 1998
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.