ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5377
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- B.H. Franke
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning wegens kennelijke ongegrondheid
Verzoeker, een Srilankaanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning in Nederland nadat hem de toegang was geweigerd en hij was vrijheidsbenemend vastgehouden. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid, omdat Canada verzoeker erkende als vluchteling en hem toeliet, ondanks een deportation order vanwege strafbare feiten.
Verzoeker stelde dat terugzending naar Canada indirect refoulement en onmenselijke behandeling zou betekenen, in strijd met artikel 3 EVRM Pro en het VN anti-folterverdrag. De rechtbank oordeelde dat Canada als partij bij deze verdragen voldoende bescherming biedt en dat verzoeker rechtsmiddelen heeft tegen zijn verwijdering uit Canada.
De rechtbank concludeerde dat de weigering van de vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning terecht was gebaseerd op artikel 15c, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet, en dat het beroep ongegrond was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen omdat de hoofdzaak reeds was beslist.
De uitspraak benadrukt het belang van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de bescherming die internationale verdragen bieden, ook bij verwijdering naar een derde land dat vluchtelingenstatus verleent. Er is geen sprake van schending van het verbod op refoulement of onmenselijke behandeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.