ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5496
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak na bezwaarprocedure
Verzoeker, een Ethiopische vreemdeling, diende in december 1996 aanvragen in voor toelating als vluchteling en verblijfvergunning in Nederland. Deze werden afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Na bezwaar en beroep werd het bezwaar ongegrond verklaard en het beroep afgewezen. Verzoeker vroeg heroverweging van het besluit, maar verweerder beschouwde dit als een nieuwe aanvraag die niet aan wettelijke vereisten voldeed. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze weigering, maar verweerder stelde dat er geen besluit op bezwaar was genomen.
De president van de rechtbank beoordeelde of het schrijven van 13 juli 1999 als een besluit in de zin van de Awb kon worden aangemerkt en oordeelde dat dit een impliciete weigering tot heroverweging was, dus een appelabel besluit. Het schrijven van 31 augustus 1999 werd niet als een besluit op bezwaar gezien, waardoor het daarop gerichte beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De president stelde vast dat verweerder nog geen inhoudelijke beslissing op het bezwaar had genomen en dat het verzoek om een voorlopige voorziening connex was met de bezwaarprocedure. Gezien de onjuiste rechtsopvatting van verweerder werd een voorlopige voorziening getroffen die uitzetting van verzoeker verbiedt tot vier weken na beslissing op bezwaar.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoed. De uitspraak benadrukt dat verzoeker feiten moet aandragen die niet eerder aan de orde waren om heroverweging te rechtvaardigen.
Uitkomst: Beroep niet-ontvankelijk verklaard, voorlopige voorziening toegewezen die uitzetting verbiedt tot vier weken na beslissing op bezwaar en verweerder veroordeeld in proceskosten.