ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5639
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Weigering toelating als vluchteling wegens ontbreken persoonlijke vervolgingsgrond en vestigingsalternatief
Verzoeker, een etnische Armeniër uit Azerbeidzjan, vluchtte na een aanval op zijn kamp in augustus 1999 en vroeg asiel aan in Nederland. Hij stelde dat hij als vluchteling moest worden toegelaten vanwege de gewelddadige situatie en persoonlijke verliezen in zijn dorp.
De staatssecretaris weigerde de toelating op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet, omdat verzoeker onvoldoende reis- en identiteitspapieren kon overleggen en niet aannemelijk had gemaakt dat het ontbreken daarvan niet aan hem was toe te rekenen. Tevens was niet gebleken dat verzoeker een specifiek risico liep op vervolging, maar eerder slachtoffer was van de algemene gewelddadige situatie.
De rechtbank oordeelde dat de algemene situatie in Azerbeidzjan onvoldoende is voor vluchtelingenstatus en dat verzoeker zich had kunnen vestigen in de Armeense enclave Nagorny Karabach, een aanvaardbaar vestigingsalternatief. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van toelating als vluchteling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.