ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5712
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.G. Kok
- Rechtspraak.nl
Toekenning verblijfsvergunning wegens gegronde vrees voor vervolging in Soedan
Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende man, verbleef sinds februari 1997 in Nederland en had een aanvraag ingediend voor vluchtelingenstatus en een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Zijn verzoeken werden door de Staatssecretaris van Justitie afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn politieke sympathieën, religieuze overtuiging en etnische afkomst in Soedan vervolging en mishandeling had ondervonden.
De rechtbank heeft het beroep van eiser beoordeeld aan de hand van de feiten, waaronder huiszoekingen, arrestaties en mishandelingen door de Soedanese autoriteiten, en de zorgwekkende mensenrechtensituatie in Soedan. De rechtbank concludeerde dat er sprake was van negatieve, politiek gemotiveerde aandacht voor eiser en dat hij een reëel risico liep op vervolging bij terugkeer.
De rechtbank verwierp de argumenten van verweerder dat de situatie van eiser onvoldoende ernstig was en dat hij geen acute vluchtsituatie had. Ook de algemene situatie in Soedan en de specifieke omstandigheden van eiser werden meegewogen. De rechtbank oordeelde dat twijfel ten gunste van eiser moest worden uitgelegd en verklaarde het beroep gegrond.
Hierdoor werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken op 29 oktober 1999 en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent eiser een verblijfsvergunning toe wegens gegronde vrees voor vervolging in Soedan.