ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5928
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vluchtelingenstatus en vergunning tot verblijf wegens onvoldoende persoonlijke vervolgingsgrond
Eiser, een Iraanse nationaliteit bezittende vreemdeling, verzocht om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. Verweerder wees de aanvraag af wegens kennelijke ongegrondheid, waarna eiser bezwaar maakte en werd gehoord door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg een vergunning tot verblijf zonder beperking.
Eiser voerde aan dat hij vanwege familieomstandigheden en gedwongen militaire dienst in Iran vervolgd zou worden. Hij stelde mishandeld te zijn door leden van de Revolutionaire Garde en bedreigd door zijn broer, een hoge militair. Ondanks deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat de vervolging niet gerelateerd was aan een van de verdragsgronden voor vluchtelingenstatus, zoals politieke overtuiging of godsdienst.
De rechtbank nam mee dat desertie in Iran strafbaar is, maar niet onredelijk zwaar wordt bestraft en dat de specifieke aandacht van de broer niet kan worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarom is het besluit tot weigering van vluchtelingenstatus terecht. Wel werd een verblijfsvergunning verleend op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om vluchtelingenstatus is ongegrond verklaard en een verblijfsvergunning verleend op grond van het EVRM.