ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6420
Rechtbank 's-Gravenhage
- Mondelinge uitspraak
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om vluchtelingenstatus wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging
Eiser, van Koerdische afkomst, verzocht om vluchtelingenstatus en een verblijfsvergunning, stellende dat hij vanwege politieke activiteiten en het ontwijken van militaire dienst in Irak vervolging vreest. Hij was lid van de PUK en had levensmiddelen voor de partij opgeslagen in zijn woning, waarna hij onderdook en vluchtte via Turkije.
De rechtbank acht het relaas van eiser niet geloofwaardig omdat de opslagplaats van de goederen zich diep in KDP-gebied bevond, wat onlogisch is voor PUK-bestemmingen. Zelfs indien het verhaal juist is, is niet aannemelijk dat hij daardoor vervolgd wordt, aangezien het om levensmiddelen ging en niet om wapens. Ook het eerdere ontwijken van militaire dienst leidt niet tot vluchtelingenstatus.
Verweerder stelde terecht dat er een vluchtalternatief bestaat in het PUK-gebied en dat terugkeer naar Noord-Irak verantwoord is. De rechtbank oordeelt dat geen strijd is met artikel 3 EVRM Pro, omdat geen reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling is aangetoond.
Ten aanzien van de hoorplicht oordeelt de rechtbank dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en daarom van het horen kon worden afgezien. Humanitaire aspecten kunnen in een andere procedure worden betrokken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om verblijf en vluchtelingenstatus af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning wordt gehandhaafd.