3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert zij aan dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor toelating in het kader van het zogenoemde gehuwdenbeleid, zoals neergelegd in hoofdstuk
B1/1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.
Ten onrechte wordt in de bestreden beschikking gesteld dat inkomsten uit arbeid als zelfstandige pas als duurzaam kunnen worden aangemerkt, indien is aangetoond dat de zelfstandige uit zijn of haar onderneming gedurende de periode
van een jaar een netto-inkomen heeft ontvangen dat tenminste gelijk is aan de betreffende bijstandsnorm (in casu 70 % van de gezinsnorm aangezien eiseres en haar partner gehuwd zijn). Een dergelijke voorwaarde wordt in de Vc 1994
nergens gesteld, zodat er geen sprake is van algemeen bekendgemaakt beleid. In A4/4.2.1 Vc 1994 wordt met betrekking tot de duurzaamheid van het inkomen van een zelfstandige uitsluitend aangegeven dat deze moet worden aangetoond
door het overleggen van een balans, een winst- en verliesrekening en maandelijkse opgaven van bedrijfsresultaten.
Eiseres heeft hieraan voldaan door overlegging van de volgende bescheiden: balans en winst- en verliesrekening 1997, aangifte inkomstenbelasting 1997, balans en winst- en verliesrekening 1998, naheffingsaanslag omzetbelasting over
het eerste kwartaal van 1998 en de tussenbalans en winst- en verliesrekening van 1 januari 1999 tot en met 28 februari 1999. Ook het in de bestreden beschikking genoemde vereiste dat de aangeleverde stukken met betrekking tot de
gegenereerde inkomsten afkomstig moeten zijn uit objectieve bron is nergens in het beleid terug te vinden.
De echtgenoot van eiseres heeft weliswaar -zoals in de bestreden beschikking wordt geconstateerd- tot 31 mei 1998 een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Bijstandswet (Abw), maar hij had met een
medewerkster van de Sociale Dienst de afspraak dat hij mocht proberen zijn timmerbedrijf op te starten met (voorlopig) behoud van zijn uitkering. Zijn uitkering is per 1 juni 1998 beëindigd omdat was gebleken dat zijn bedrijf
levensvatbaar was. Het feit dat zijn uitkering op grond van de Abw tot 1 juni 1998 is doorgelopen, rechtvaardigt dan ook geenszins de conclusie dat de echtgenoot van eiseres niet duurzaam en zelfstandig beschikte over voldoende
middelen van bestaan. Uit de bestreden beslissing kan niet worden opgemaakt op welke wijze verweerder tot de conclusie is gekomen dat de echtgenoot van eiseres niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. De beslissing
ontbeert hierdoor een deugdelijke motivering. Dit klemt te meer nu blijkens een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Haarlem, van 4 december 1998 (AWB 98/2214) verweerder geen eenduidige berekeningswijze ten aanzien van
het netto-inkomen van een zelfstandige hanteert.
Voorts heeft verweerder er ten onrechte van afgezien om eiseres met betrekking tot de bij de Sociale Dienst ingewonnen informatie over de uitkering van haar echtgenoot, te horen.