ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6760
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatige voortzetting na asielaanvraag
De vreemdeling, van Chinese nationaliteit en verblijvend in het Justitieel Complex, werd op 16 november 1999 staandegehouden in een pand waar een onderzoek liep naar mogelijke illegale verblijf van personen en afpersing binnen de Chinese horeca. Op 17 november 1999 diende hij een aanvraag om toelating als vluchteling in, die hij op 1 december 1999 introk.
De rechtbank oordeelt dat de staandehouding en inbewaringstelling rechtmatig waren, gezien de concrete aanwijzingen en het ontbreken van geldige verblijfsdocumenten. Echter, het voortduren van de bewaring vanaf 26 november 1999, nadat de Chinese autoriteiten waren geïnformeerd en terwijl de asielaanvraag nog in behandeling was, is onrechtmatig. De verwijderingsactiviteiten mochten niet aanvangen voordat een beslissing op de eerste aanvraag was genomen.
De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring met ingang van 28 december 1999 en kent een schadevergoeding toe van 4.800 gulden voor de onrechtmatige bewaring vanaf 26 november 1999. Tevens worden proceskosten van 710 gulden aan de vreemdeling toegekend. Het beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring per 28 december 1999 en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige bewaring.