ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6891
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S.J. Bosma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten afwijzing verlenging verblijfsvergunningen partners Zuid-Afrikaanse nationaliteit
Eisers A en B, partners met de Zuid-Afrikaanse nationaliteit, vroegen verlenging van hun verblijfsvergunningen die oorspronkelijk waren verleend met beperkingen op het gebied van arbeid en gezinsleven. De korpschef van de politie Flevoland wees deze aanvragen af, waarna administratief beroep en vervolgens beroep bij de rechtbank volgden.
De rechtbank overwoog dat A niet aannemelijk had gemaakt dat hij na 1 januari 1995 nog inkomsten had uit zijn onderneming, waardoor hij geen recht meer had op verlenging van zijn vergunning onder de oorspronkelijke beperking. Ook B voldeed niet aan de voorwaarden voor verlenging, omdat hij niet kon aantonen dat hij op de peildatum beschikte over voldoende werk om in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij een zoekjaar had gekregen dat inmiddels was verstreken.
De rechtbank oordeelde echter dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom B door het met terugwerkende kracht toekennen van het zoekjaar niet in zijn belangen was geschaad. Ook was niet voldoende onderbouwd dat het familie- en gezinsleven van A en B in Nederland niet zou worden geschaad, zoals vereist op grond van artikel 8 EVRM Pro. Daarom werden de beroepen van A en B gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd.
De rechtbank veroordeelde de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Verweerder werd opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunningen van A en B en veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten.