ECLI:NL:RBSGR:1999:AA8871
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.M.E. de Quincey-van Eldonk
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling, van Srilankaanse nationaliteit, werd op 28 oktober 1999 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet, terwijl zijn uitzetting reeds op 6 juli 1999 was gelast. Hij verzocht op 3 november 1999 om onmiddellijke opheffing van de bewaring en om schadevergoeding.
De rechtbank behandelde de zaak op 15 en 23 november 1999. Tijdens de procedure bleek dat de informatie over de duur van het verkrijgen van een laissez passer bij de Srilankaanse autoriteiten niet actueel en onvoldoende was. Verweerder had niet de gevraagde nadere informatie verstrekt, waardoor de rechtbank twijfels kreeg over de rechtmatigheid van de bewaring.
De rechtbank oordeelde dat de duur van het verkrijgen van het reisdocument niet zodanig was dat voortijdige presentatie van de vreemdeling gerechtvaardigd was. De bewaring was daarmee van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van f 200,-- per dag op het politiebureau en f 150,-- per dag in het Huis van Bewaring, totaal f 4.100,--. Tevens werden proceskosten van f 1.775,-- aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard, de bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding van f 4.100,-- wordt toegekend.