ECLI:NL:RBSGR:1999:AF0190
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- J.M. Willink
- Rechtspraak.nl
Schorsing tenuitvoerlegging vervangende hechtenis bij schuldsaneringsregeling
Op 1 juli 1998 werd het faillissement van X. uitgesproken, dat later werd opgeheven waarna de wettelijke schuldsanering werd uitgesproken met benoeming van een bewindvoerder. X. was bij vonnis van 17 augustus 1998 veroordeeld tot een geldboete met vervangende hechtenis bij niet-betaling. De boete werd niet betaald en de vervangende hechtenis werd op 29 oktober 1999 ten uitvoer gelegd.
Eisers vorderden schorsing van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, stellende dat de boete viel onder de schuldsaneringsregeling volgens artikel 299 lid 1 sub a Faillissementswet Pro, waardoor uitvoering van de hechtenis onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de boete inderdaad een vordering is die onder de schuldsaneringsregeling valt, mede gelet op de parlementaire geschiedenis en het ontbreken van een expliciete uitsluiting in de Faillissementswet.
De rechtbank overwoog verder dat de verjaringstermijn van de strafvervolging niet eerder dan april 2001 zou verlopen, zodat tijdsverloop de uitvoering van de straf niet zonder meer kon frustreren. Gezien de lopende discussie in hoger beroep over de principiële vraag, achtte de rechtbank schorsing van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis gerechtvaardigd voor de duur van de schuldsanering. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank schorst de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis gedurende de wettelijke schuldsanering.