ECLI:NL:RBSGR:2000:AA4935
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid toezichthouders inzage identificatiedocumenten bij Wet arbeid vreemdelingen
De vreemdeling werd op 14 december 1999 in bewaring gesteld wegens het ontbreken van geldige identiteitspapieren en verblijfsrechtelijke documenten. Tijdens een controle in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kon hij geen documenten tonen ter vaststelling van zijn identiteit. De kern van het geschil betrof de vraag of toezichthouders bevoegd zijn om op grond van artikel 5:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzage te vorderen van documenten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht (Wid).
De rechtbank analyseerde de wetsgeschiedenis van de Awb en de Wav, waarbij de artikelen 15 en 16 van de Wav per 1 januari 1998 vervielen en werden vervangen door de Awb. Uit de memorie van toelichting bleek dat onder "zakelijke gegevens en bescheiden" in artikel 5:17 Awb Pro ook documenten als bedoeld in artikel 1 Wid Pro worden verstaan, waarmee de bevoegdheid tot inzage van identificatiedocumenten werd gehandhaafd.
Hoewel de vreemdeling betoogde dat de identificatieplicht slechts in bijzondere wetten kan worden geregeld en dat de Awb niet zo'n bijzondere wet is, oordeelde de rechtbank dat voor de uitvoering van de Wav deze bevoegdheid wel degelijk geldt. De rechtbank concludeerde dat de bewaring op goede gronden berust, gezien het ontbreken van geldige papieren en het onttrekken aan vreemdelingentoezicht. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de bewaring niet werd opgeheven.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.