ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5077
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C.A. Walda
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens ontbreken wettelijke basis identificatieplicht
Een Ghanese vreemdeling werd op 14 december 1999 in bewaring gesteld omdat zijn uitzetting was gelast en het belang van de openbare orde dit vereiste. De bewaring volgde op een staandehouding tijdens een controle op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV), waarbij de vreemdeling geen identiteitsdocument kon tonen.
De gemachtigde van de vreemdeling voerde aan dat toezichthouders sinds 1 januari 1998 niet langer bevoegd zijn om naar identiteitsdocumenten te vragen, omdat de bevoegdheid tot inzage van dergelijke documenten is vervallen met de invoering van artikel 5:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overwoog dat de identificatieplicht en de bevoegdheid tot inzage van documenten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht (WID) niet langer op grond van artikel 5:17 Awb Pro kunnen worden gevorderd.
Hierdoor was de staandehouding en de daarop volgende bewaring onrechtmatig. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af op grond van billijkheid, omdat de vreemdeling al sinds april 1999 illegaal in Nederland verbleef en het risico van bewaring bewust heeft aanvaard. De bewaring werd per direct opgeheven en de Staatssecretaris van Justitie werd veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.