ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5343
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid van inbewaringstelling vreemdeling zonder geldige verblijfsvergunning
De vreemdeling, van Marokkaanse nationaliteit en geboren in 1977, werd op 5 januari 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. De rechtbank beoordeelde of deze maatregel in strijd was met de wet of onredelijk was. De vreemdeling werd staandegehouden kort na het passeren van de grens met België, waarbij de bevoegdheid tot staandehouding volgens artikel 19 Vw Pro werd toegepast.
De verdediging voerde aan dat de inbewaringstelling onrechtmatig was vanwege de plaats van verhoor en het ontbreken van een last tot uitzetting. De rechtbank concludeerde dat het verhoor op een Marechaussee-post en later op een politiebureau conform de wettelijke bepalingen was. Tevens werd de last tot uitzetting alsnog overgelegd, waardoor deze grief ongegrond was.
Verder oordeelde de rechtbank dat de verlenging van de ophouding voor verhoor volgens artikel 19, derde lid, Vw terecht was toegepast omdat de identiteit en verblijfsrechtelijke positie nog niet waren vastgesteld. De inbewaringstelling was gegrond omdat de vreemdeling geen geldige verblijfsvergunning of identiteitsbewijs had, zich aan toezicht onttrok en er een ernstig vermoeden bestond dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
De rechtbank achtte het onderzoek naar uitzetting binnen redelijke termijn voortvarend en zag geen reden om de bewaring op te heffen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.