ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5489
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling zonder geldige machtiging tot voorlopig verblijf
Verzoeker, een Marokkaanse vreemdeling die sinds 1990 rechtmatig in Nederland verblijft, had zijn verblijfsvergunning op grond van artikel 10, tweede lid Vreemdelingenwet verloren na beëindiging van het huwelijk. Hij diende een aanvraag in voor voortgezet verblijf op humanitaire gronden, maar deze werd buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
De president oordeelt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of verzoeker vrijgesteld was van het mvv-vereiste op grond van artikel 52a onder f van het Vreemdelingenbesluit. Tevens is vastgesteld dat er geen termijn is gesteld waarbinnen de aanvraag om voortgezet verblijf moest worden ingediend, en dat de vreemdelingendienst verzoeker niet adequaat heeft geïnformeerd over zijn rechten.
Op grond hiervan wordt de uitzetting van verzoeker verboden totdat op het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling is beslist. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist en de aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld.