ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5645
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens onvoldoende voortvarendheid bij Dublin-claim
De vreemdeling, van Syrische nationaliteit, werd op 21 januari 2000 de toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Na zijn asielaanvraag op 22 januari 2000 besloot de IND een Dublin-claim bij Italië te leggen, maar deed dit pas op 2 februari 2000. De vreemdeling stelde dat de voortzetting van de maatregel na aanmelding in het aanmeldcentrum op ondeugdelijke gronden berustte, omdat slechts een voornemen was om een Dublin-claim te leggen en niet daadwerkelijk een claim was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het voornemen tot het leggen van een Dublin-claim onder het toepassingscriterium kan vallen indien voortvarendheid wordt betracht, de IND in dit geval niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. De termijn van acht dagen tussen het voornemen en het daadwerkelijk indienen van de claim werd als te lang beschouwd. Hierdoor werd de maatregel vanaf 31 januari 2000 onrechtmatig.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 8 februari 2000 en veroordeelde de verweerder in de proceskosten. Over het verzoek om schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel wegens onvoldoende voortvarendheid van de IND bij het leggen van de Dublin-claim.